Compendium voor de Leefomgeving
613 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Bodem en grondwater

Baggerproblematiek in Nederland

Nederland is een deltagebied: de rivieren voeren jaarlijks veel slib en zand aan, waarvan jaarlijks circa 10 miljoen m3 bezinkt. Rivieren, kanalen, maar ook zeehavens en watergeulen moeten met enige regelmaat uitgebaggerd worden. Een deel van het slib is verontreinigd. Er is niet genoeg opslagcapaciteit voor alle vervuilde specie. Daardoor werd er onvoldoende gebaggerd. Het beleidsdoel is om binnen 25 jaar alle vervuilde waterbodems te saneren.

Voortgang baggerwerken 2002-2006

De uitgevoerde baggerwerken zijn door middel van een enquête sinds 2002 jaarlijks geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat bij baggerwerken in de periode 2002-2006 per jaar gemiddeld 9 miljoen in-situ m3 zoete specie en 20,5 miljoen m3 zoute specie is vrijgekomen. Deze gebaggerde hoeveelheden komen overeen met de hoeveelheden uit voorgaande jaren (1998-2001), te weten 28 m3 per jaar (7,5 miljoen m3 zoete en 20,5 miljoen m3 zoute specie). Bij de zoete specie is er nog steeds een achterstand ten opzichte van de aanwas van sediment. Bij de zoute specie is er een evenwicht tussen de aanwas en baggeren.

Bij de zoute baggerspecie wordt circa 60% door Rijkswaterstaat gebaggerd en circa 40% door gemeenten (en overigen). Bij zoute baggerspecie is slechts circa 4% verontreinigd. Vrijwel alles wordt gebaggerd vanwege onderhoud en voor 92% verspreid in zee. Van de rest (8% van het totaal) wordt 60% in een definitief depot gestort, de bruikbare fracties worden direct toegepast of verwerkt.

Bij de zoete baggerspecie wordt circa 50% door Rijkswaterstaat gebaggerd, circa 40% door de waterschappen en circa 10% door de provincies, gemeenten en overigen. De aanleiding voor het baggeren was voor 85% van de hoeveelheid specie het vrijhouden van waterlopen (waterhuishoudkundig) en scheepvaartverbindingen (nautisch). De achterstand die er volgens prognose is op de aanwas, door toevoer van slib en zand met de rivieren, wordt langzamerhand ingehaald (volgens de enquête kan dit bij 80% van de waterbeheerders zijn ingehaald voor 2015). In de praktijk worden er momenteel weinig problemen of knelpunten meer gekoppeld aan deze achterstand. Ongeveer 30% van de zoete baggerspecie is verontreinigd (klasse 3-4). Van de zoete baggerspecie komt 24% van het totaal in een definitief depot terecht en 10% in een tijdelijke opslag, 35% wordt verspreid, grotendeels op land. De rest (31%), voornamelijk bestaand uit de zandfracties, wordt direct toegepast, verwerkt of gaat naar de zandmarkt.

Sanering vervuilde waterbodems

Voor onderzoek en sanering van waterbodems in rijkswateren wordt een programma opgesteld op basis van de gemelde en bekende gevallen van (potentiële) ernstige verontreinigingen. Het meest recente programma is het Saneringsprogramma Waterbodem Rijkswateren 2008-2013. Hierin is voor 30 locaties een (deel)sanering gepland voor 2013. Dit programma vermeldt een werkvoorraad van 224 locaties waar nog een vervolg nodig is, 57 locaties met afgeronde saneringen (6 met nazorg) en 122 locaties waarbij na onderzoek bleek dat geen vervolg nodig was. In 2009 dienen stroomgebiedbeheerplannen te worden opgesteld voor de kaderrichtlijn water (KRW). Uit de potentiële saneringslocaties in het programma zijn 85 locaties als KRW-relevant geselecteerd.
De SUBBIED-regeling (2003-2006) van SenterNovem (2003-2006) was een incidentele subsidieregeling (120 mln €) aan gemeenten en waterschappen, voor saneringen en achterstallig baggerwerk in bebouwd gebied (singels, grachten, vijvers en vaarten). Hiervoor is circa 9-10 miljoen m3 gebaggerd. Dat is voor het bebouwde gebied 35-40% van de totale baggeropgave van het Tienjarenscenario Waterbodems. Deze baggerspecie was voor 60-65% niet verspreidbaar of verwerkbaar.

Het scenario voor de oplossing van het baggerprobleem

Het Tienjarenscenario Waterbodems (TJS) is in 2001 opgesteld als programma van de gezamenlijke overheden voor de structurele aanpak van de waterbodemproblematiek in Nederland. In het Basisdocument TJS zijn de taakstellingen geformuleerd, bestaande uit de inventarisatie van de werkvoorraad, de oplossingsrichtingen en mogelijke scenario's. Met het kabinetsstandpunt uit 2005 over waterbodems is dit veranderd in een meer integrale benadering van waterbodems als onderdeel van het gehele watersysteem. Om achterstanden in te halen worden programma's opgesteld door Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies en gemeenten. Hierbij wordt op basis van het beschikbare budget een prioritering gemaakt, rekening houdend met een reeks van factoren: de omvang van de aanwas van baggerspecie versus de eisen voor waterafvoer en scheepvaart, de mate van verontreiniging, en de netto kosten, logistiek en fasering bij de afvoer en verwerking.

Volgens de bijgestelde prognose uit 2007 (AKWA, 2008) moet in de periode 2007-2011 circa 165 miljoen in-situ m3 baggerspecie verwijderd worden (waarvan circa een derde zoete specie). Circa 25 miljoen m3 is naar verwachting niet verspreidbaar. De stand van zaken is weergegeven in het staafdiagram.

Opslag van niet-verspreidbare baggerspecie in depots

In de afgelopen periode was het aanbod van niet-verspreidbare baggerspecie circa 3,5 miljoen m3 per jaar. Voor de periode 2007-2011 is circa 4,9 miljoen m3 per jaar geraamd. In het project Depot+ (2003) is de bergingsruimte voor niet-verspreidbare specie geïnventariseerd en is nagegaan hoe de bestaande ruimte optimaal kan worden benut. Baggerdepots (zie kaart) worden onderverdeeld in depots in exploitatie (totale restcapaciteit 85 miljoen m3), depots in voorbereiding en depots in procedure (respectievelijk 14 en 35 miljoen m3). In de periode 2002-2006 is circa 12-15 miljoen m3 in depot gebracht en is het depot Hollands Diep (10 miljoen m3) operationeel gemaakt. Er rest dus een operationele capaciteit van 80 - 83 miljoen m3 . Dat is voldoende voor bijna 20 jaar bij de nu geraamde baggeropgave. Uitwijkmogelijkheden zijn de 18 reguliere droge stortplaatsen (35 miljoen m3), maar die zijn duur en beperkt beschikbaar voor baggerspecie. Er zijn ook circa 100 voormalige zandwinputten (23 miljoen m3), maar het storten van bagger kan op ecologische- en maatschappelijke bezwaren stuiten. Als de capaciteit van de resterende depots in voorbereiding en in procedure en van zandputten meegeteld wordt, dan wordt de exploitatie gedurende de komende 32 jaar mogelijk. Met potentiële veranderingen in normeringen en technologieën is hierbij nog geen rekening gehouden.

Toepassingen van baggerspecie

Schone en licht verontreinigde specie kan worden verspreid op land, in oppervlaktewater en in zee. Sterker verontreinigde specie wordt beschouwd als niet-verspreidbaar en kan als afval opgeslagen worden in depots of verwerkt (gesaneerd). Bij tijdelijke opslag moet er nog een oplossing gezocht worden. Bij de verwerking van baggerspecie worden secundaire grondstoffen gewonnen (grond, klei, zand, immobilisaat), waarbij bespaard kan worden op primaire grondstoffen, maar er blijft een restslibfractie over die meestal wel gestort moet worden. Het is eenvoudiger om een bestemming voor schone baggerspecie te vinden dan voor verontreinigde specie, daarom werd er beperkt gesaneerd (saneringsspecie 0,5 miljoen m3 per jaar).

Verwerking van baggerspecie tot slib en zand

Per 1 januari 2005 is een nieuwe regeling van kracht: de Minimum Verwerkings Standaard (MVS). Deze vervangt de Wbm-regeling (Wet belastingen op milieugrondslag). De regeling houdt in dat baggerspecie met een zandgehalte groter dan of gelijk aan 60% niet meer mag worden gestort, maar verwerkt dient te worden. De doelstelling van de regeling is om de verwerking van baggerspecie te stimuleren en schaarse depotcapaciteit te sparen. In vergunningen van de stortplaatsen dient te worden vastgesteld welke bemonsteringwijzen toegestaan zijn om het zandgehalte te bepalen. In de volgende situaties mag zandrijke baggerspecie toch worden gestort: als het geen bruikbaar zand oplevert, het volume kleiner dan 500 m3 is, bij rivierruimingsprojecten, of bij het verwijderen van specie binnen inrichtingen in de territoriale zee van Nederland (SCG, 2004).

Hergebruik van baggerspecie

Door bewerking kan baggerspecie geschikt gemaakt voor hergebruik in een toepassing. Verwerkingskosten zijn aanzienlijk (gemiddeld 38 euro per m3) vergeleken met het verspreiden op land (3 euro per m3). Daarom wordt gezocht naar nieuwe technologische oplossingen voor het op een onschadelijke manier gebruik maken van vervuilde specie. Er is een subsidieregeling voor marktontwikkelingen als bouwstof (Senternovem, 2004) en er zijn diverse onderzoeken naar toepasbaarheid in de wegenbouw.
In Noord-Holland zijn proeven uitgevoerd met het afdekken van een oude vuilstortplaats met een 1 meter dikke laag verontreinigde bagger. Zware metalen uit de specie bleken te kunnen reageren met zwavelverbindingen uit afval en elkaar wederzijds te immobiliseren. Ook bosaanplant of het kweken van biomassa op gestorte bagger is als een saneringsalternatief voorgesteld (Harmsen, 2004). De wortels van de begroeiing beluchten de grond en de daarmee toegelaten zuurstof stelt microorganismen in staat om (organische) verontreinigingen af te breken. Het bouwen van rivierterpen of dijken van uitgegraven baggerspecie, mits voorzien van een goede isolatie, kan ook een mogelijke oplossing worden (Rademakers, 2005). Op basis van een pilotproef (2007) door Rijkswaterstaat leek de isolatie van de verontreiniging voldoende te zijn. Dit biedt ook mogelijkheden tot het herstel van oude terpen.

Referenties

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, Wageningen UR (2009). Baggerproblematiek in Nederland (indicator 0210, versie 05 , 6 januari 2009 ). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

Print pagina Download PDF
CLO.nl is een samenwerkingsverband van PBL, CBS en Wageningen UR.