Compendium voor de Leefomgeving
603 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Energie en milieu

Windvermogen in Nederland, 1990-2016

De elektriciteitsproductie van windmolens nam in 2016 met ongeveer 20 procent toe, vooral door uitbreiding van de capaciteit door het plaatsen van 600 megawatt aan windmolens op zee. In 2016 kwam ruim 55 procent van de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie.

Windvermogen in 2016 toegenomen

De capaciteit van de Nederlandse windmolens steeg in 2016 met 849 megawatt tot ongeveer 4,2 duizend megawatt eind 2016. De capaciteit op zee steeg met 600 megawatt naar 937 megawatt. Op land steeg de capaciteit met 249 megawatt van 3034 megawatt naar 3283 megawatt.

Subsidies cruciaal voor nieuwe windmolens

Elektriciteitsproductie uit windenergie is vooralsnog duurder dan het produceren van elektriciteit uit aardgas, kolen of nucleaire bronnen. Subsidies voor windenergie zijn daarom cruciaal voor investeerders in windmolens. In 2016 ontvingen de windmolenproducenten voor hun elektriciteitsproductie 514 miljoen euro.

In Flevoland staan de meeste windmolens

Bij de verdeling van de windmolens over het land valt op dat de meeste windmolens in de kustprovincies staan. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving over de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks dat Flevoland niet de meest gunstige windcondities heeft (Geertsema en van den Brink, 2014).

Toekomstplannen wind op land

In 2020 wil het Rijk 6 000 megawatt aan opgesteld windvermogen op land hebben gerealiseerd (EL&I, 2011). Dit is inclusief de bestaande windturbines. In juni 2013 hebben de provincies afgesproken hoe ze deze 6 000 megawatt onderling willen verdelen (IPO, 2013). De provincies spelen vooral een rol bij de verlening van vergunningen. De subsidies blijven een taak van de landelijke overheid. RVO (2017) concludeert dat er veel projecten in voorbereiding zijn om de doelstelling te halen, maar dat het lastig zal worden om de doelstelling volledig te realiseren.

Wind op zee

In 2006 is het eerste windpark op zee in gebruik genomen en in 2008 het tweede.
In 2015 is het derde windmolenpark op zee (Luchterduinen met 129 megawatt) in gebruik genomen. Noordelijk van Schiermonnikoog en Ameland is in 2016 de bouw van twee windparken (Gemini) met een gezamenlijk vermogen van 600 megawatt gerealiseerd. Alle parken op zee tezamen produceerden in 2016 bijna 28 procent van alle windenergie.
De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. Per saldo was elektriciteit uit wind op zee altijd een stuk duurder dan wind op land (Lensink, 2013). Echter, de uitkomst van de tender van de nieuwe parken op zee bij Borssele geeft aan dat kosten voor wind op zee snel dalen (EZ, 2016).

Toekomstplannen wind op zee

In het Energieakkoord (SER, 2013) is een ambitieuze doelstelling voor wind op zee afgesproken: namelijk 4 450 megawatt totaal in 2023. Dat betekent dat er voor 3 450 megawatt extra aan windparken op zee gesubsidieerd moeten worden. Vanwege de hoge, te verwachte subsidiekosten besteedt het Energieakkoord veel aandacht aan een kostendaling voor wind op zee, welke bereikt zou moeten worden door innovaties en productiviteitswinst bij aanleg van de parken. Die kostendaling lijkt te lukken met de gegunde aanbesteding van de windmolenpark bij Borssele (EZ, 2016). Het windmolenpark dat naar verwachting van EZ halverwege 2020 gereed is, kost volgens de minister van EZ door de scherpe concurrentie tussen de windmolenbouwers 2,7 miljard euro minder dan begroot. Naast concurrentie hebben waarschijnlijk andere factoren ook invloed op de lagere prijs zoals technologische ontwikkelingen, lagere staalprijzen en een lage rentestand. Eind 2016 is ook het tweede windpark bij Borssele aanbesteed tegen nog lagere kosten (FD, 2016).

Gegevens over windenergie zijn genormaliseerd

De weergegeven ontwikkeling is op basis van genormaliseerde cijfers. De productie van windenergie is afhankelijk van het aanbod van wind. Op jaarbasis kunnen er flinke fluctuaties zijn. Deze fluctuaties verminderen het zicht op structurele ontwikkelingen. Om deze fluctuaties uit te filteren, zijn normalisatieprocedures gedefinieerd voor elektriciteit uit windenergie.

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over hernieuwbare energie is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Windvermogen in Nederland

Omschrijving

Ontwikkeling van het windvermogen in Nederland (totaal, op land, per provincie en op zee) tussen 1990 en 2016. Doelstellingen 2020 per provincie en doelstelling voor op zee 2023. Gegevens 2016 zijn nader voorlopig; nader voorlopige cijfers hebben een meer definitieve status dan voorlopige cijfers.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Een methodologische verantwoording is te vinden in het rapport Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016).

Basistabel

StatLine: Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie (CBS, 2017).

Geografisch verdeling

Totaal Nederland en provincies (op land); totaal op zee.

Andere variabelen

Aantal windmolens, rotoroppervlak, elektrisch vermogen, aandeel in het totale elektriciteitsverbruik.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016).

Betrouwbaarheidscodering

Integrale enquete.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, Wageningen UR (2017). Windvermogen in Nederland, 1990-2016 (indicator 0386, versie 25 , 11 juli 2017 ). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

Read in English Print pagina Download PDF
CLO.nl is een samenwerkingsverband van PBL, CBS en Wageningen UR.