Compendium voor de Leefomgeving
613 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Emissie naar lucht, water en bodem

Mondiale CO2-emissies door gebruik van fossiele brandstoffen en cementproductie per regio, 1990-2008

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

In 2008 is de mondiale uitstoot van koolstofdioxide (CO2) door fossiel energiegebruik en cementproductie met 1,7% toegenomen. De hoge olieprijs in 2008 en de wereldwijde financiële crisis zette een rem op de jaarlijkse toename van de mondiale CO2-emissie van bijna 4% in de afgelopen jaren.


Voor uitleg van de legenda in de figuur, zie paragraaf 'Regiodefinities' onderaan deze pagina.

Uitstoot koolstofdioxide wereldwijd met 1,7% toegenomen in 2008

In 2008 is de mondiale uitstoot van koolstofdioxide (CO2) door fossiel energiegebruik en cementproductie met circa 1,7% toegenomen tegenover 3,3% in 2007. De hoge olieprijzen tot en met de zomer van 2009 en de wereldwijde financiële crisis leidden tot een halvering van de jaarlijkse toename van de mondiale CO2-emissies. Sinds 2002 was de jaarlijkse toename circa 4%. Naast de hoge olieprijs en de financiële crisis is er ook een effect zichtbaar van het toegenomen wereldwijde gebruik van hernieuwbare energiebronnen, zoals biobrandstoffen voor wegverkeer en windenergie voor de elektriciteitsproductie.

CO2-emissies van ontwikkelingslanden overtreffen die van industrielanden

De mondiale CO2-emissie nam toe van 15,3 miljard ton in 1970 via 22,5 miljard ton in 1990 naar 31,5 miljard ton in 2008. Dit is een toename van 41% sinds 1990. In 2008 is voor het eerst - terwijl de wereld zich voorbereidt op de klimaattop van de VN in Kopenhagen - het aandeel van ontwikkelingslanden in de mondiale CO2-uitstoot iets hoger (50,3%) dan dat van de industrielanden (46,6%) en de internationale transportsector (3,2%) tezamen.
Dit geldt eveneens voor de ontwikkelingen in het energiegebruik: in 2008 was ook voor het eerst het primaire energiegebruik van de ontwikkelingslanden hoger dan dat van de industrielanden. De hier genoemde emissiecijfers zijn exclusief de CO2-emissies door bos- en veenbranden en door de afbraak van onverbrande biomassa en van veenlagen. Die emissies vinden vooral plaats in de ontwikkelingslanden. Als die worden meegeteld dan verhogen ze het mondiale CO2-emissietotaal dat wij hier beschouwen met 20%, hoewel de uitstoot jaarlijks sterk kan fluctueren en ook een hoge mate van onzekerheid kent.

Oliegebruik met één procent afgenomen door hoge prijzen en meer biobrandstoffen

De lagere toename van de mondiale CO2-emissie in 2008 dan in voorgaande jaren is vooral het gevolg van de afname van het mondiale gebruik van olieproducten (BP, 2009). Deze afname van 0,6% is de eerste afname sinds 1992. Vooral in de Verenigde Staten daalde het oliegebruik fors (-7%), omdat de brandstofprijzen bijna verdubbelden in de zomer van 2008 ten opzichte van 2007. In China nam het oliegebruik nog steeds toe, met 3% in 2008 volgens de data van British Petroleum (BP, 2009). Maar dit is aanzienlijk lager dan de 5% toename in 2007 en gemiddelde toename van 8% sinds 2001. Het toegenomen gebruik van biobrandstoffen zoals bio-ethanol en biodiesel droegen ongeveer 0,3% bij aan de wereldwijde afname van het fossiele oliegebruik.

Steenkoolgebruik minder gestegen door recessie en hernieuwbare energie

De mondiale emissies door het gebruik van steenkool nam toe met 3,5%. Dit is een geringere toename dan in de afgelopen jaren (5%). De lagere toename is waarschijnlijk het gevolg van de hoge brandstofprijzen, het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS) en de wereldwijde recessie die zijn aanvang had na de zomer van 2008. Circa driekwart van het kolengebruik wordt ingezet voor de opwekking van elektriciteit en één kwart in de ijzer- en staalproductie. Vooral de staalproductie liet een lagere groei zien, van circa 2% in 2008 ten opzichte van 8% in de jaren sinds 2002. In China zwakte de groei in de staalproductie af en in de Verenigde Staten daalde de staalproductie. In Europa namen de emissies van de grote bedrijven ('ETS'-sector) met 3% af in 2008. Deze afname was vooral het gevolg van lagere emissies in de elektriciteitsproductie. Het mondiale aardgasgebruik nam met 3% toe, dit wijkt niet af van de trend in de afgelopen jaren.

Biobrandstoffen en andere hernieuwbare energiebronnen hebben effect op trend

Het toegenomen gebruik van nieuwe hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie en biobrandstoffen, begint nu een duidelijk effect te hebben op de mondiale trend in CO2-emissies. In de Verenigde Staten en Europa (EU-15) nam de bijdrage van bio-ethanol en biodiesel voor wegverkeer met ongeveer één procent toe. Ook in China werd meer biobrandstoffen ingezet voor het wegverkeer. Biobrandstoffen droegen in 2008 ongeveer 2,8% bij aan de mondiale brandstofconsumptie van het wegverkeer. Hierdoor werden CO2-emissies vermeden, die anders door verbranding van gewone benzine en diesel worden uitgestoten. Dit komt overeen met een vermeden emissie van bruto meer dan 100 miljoen ton CO2.

Windenergie is een andere hernieuwbare energiebron waarvan de productie wereldwijd zeer sterk toeneemt, in 2008 met 30%. In China was deze toename zelfs 100% en in de Verenigde Staten 50%. Volgens een recent rapport van de UNEP waren de investeringen in duurzame energievoorziening in 2008 hoger dan de investeringen in fossiele energievoorziening. Zonder waterkrachtopwekking droegen hernieuwbare energiebronnen 4,4% bij aan de mondiale elektriciteitsproductie. Dit is een half procent meer dan in 2007. Door de inzet van hernieuwbare energiebronnen werd ongeveer 500 miljoen ton CO2-emissies vermeden. Ter vergelijking: de mondiale CO2-emissie nam tussen 2007 en 2008 met 550 miljoen ton toe en de totale mondiale CO2-emissie bedroeg ongeveer 31.500 miljoen ton in 2008.

Emissietrends in de Verenigde Staten, Europese Unie, China, Rusland en India

De CO2-emissie van de Verenigde Staten nam met 3% af in 2008, die van de Europese Unie (EU-15) met 1,5%. Alhoewel de emissies van China nog steeds toenemen, met 6% in 2008, is dit toch de laagste toename sinds 2001. Ook de emissies van de cementproductie in China nam minder sterk toe: een toename van 2,5%, terwijl de toename in 2007 nog 9,5% bedroeg. De lagere groei past echter wel in de trend: in 2004 was de toename nog 17%.
Kleinere bijdragen aan de toegenomen wereldwijde emissie komen van India en Rusland, waar de CO2-uitstoot toenam met respectievelijk 7% en 2%.

Verenigde Staten aan top bij CO2-emissie per persoon

Omdat de bevolkingsomvang en het niveau van economische ontwikkeling sterk verschilt tussen landen, laat de CO2-emissie per persoon een heel andere volgorde zien, met de Verenigde Staten op de eerste plaats. Sinds 1990 nam de CO2-emissie per persoon in de Verenigde Staten af van 19,5 naar 18,5 ton CO2 per persoon. In de EU-15 daalde deze van 9 naar 8,5 ton CO2/persoon, terwijl in China deze toenam van 2 naar 5,5 ton CO2/persoon. Deze veranderingen zijn het gevolg van de snelle economische ontwikkeling in China en van structurele veranderingen in nationale en mondiale economieën en van de effecten van het gevoerde klimaat- en energiebeleid.

Klimaatbeleid

De CO2-emissies zijn onderdeel van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties. CO2-emissies van verbranding van kolen, olie en gas maken circa 75% uit van de totale broeikasgasemissies die onderdeel uitmaken van het Kyoto Protocol. Volgens dit protocol zullen de meeste industrielanden, inclusief die in Oost-Europa en de belangrijkste landen van de voormalige Sovjet-Unie, de groei van hun emissies van broeikasgassen in de preriode 2008-2012 gemiddeld met 5% beperken ten opzichte van hun uitstoot in 1990. De Verenigde Staten doen niet aan mee aan het Kyoto Protocol.

Methode en gegevensbronnen

De CO2-emissiecijfers omvatten naast de emissies door gebruik van fossiele brandstoffen ook de emissies door cementproductie en andere toepassingen waarbij kalksteen of dolomiet gebruikt wordt, van niet-energetisch gebruik van brandstoffen in de ijzer- en staalproductie en in de basischemie (bijv. ammoniakproductie) en de emissies door afblazen en affakkelen van ongebruikt gas dat vrijkomt bij de olie- en gaswinning. Mondiaal gezien dragen de laatste activiteiten ongeveer 9% bij aan de totale CO2-emissies.

De CO2-emissiecijfers voor 2006, 2007 en 2008 zijn gebaseerd op voorlopige schattingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), waarbij gebruikt gemaakt is van de recent door British Petroleum gepubliceerde energiestatistieken (BP, 2009) en van cijfers voor cementproductie tot en met 2008 van US Geological Survey (USGS, 2009). In de berekeningen zijn de nieuwe standaard IPCC-emissiefactoren voor CO2 gebruikt (IPCC, 2006).

De CO2-emissiecijfers voor de periode tot en met 2005 zijn gebaseerd op cijfers uit de EDGAR 4.0 studie van het Joint Research Centre van de Europese Commissie en het PBL, waabij gebruik is gemaakt van de nieuwste richtlijnen voor de methoden voor berekening van de uitstoot van broeikasgassen en de nieuwe standaard emissiefactoren uit 2006 (IPCC, 2006).

CO2-emissies van ontbossing/landgebruik en van ondergrondse kolenbranden in China en elders zijn niet meegenomen. De emissies van ondergrondse kolenbranden zijn zeer onzeker en worden volgens onderzoek geschat op 150-450 megaton CO2 per jaar in China (ITC, 2007). Voor de trend in alle CO2-emissies, inclusief bronnen als cementproductie, bosbranden en ontbossing, veenbranden en biologische afbraak van biomassaresten, zie:


De emissies van alle bronnen van broeikasgassen, inclusief methaan, lachgas en fluorhoudende gassen, wordt toegelicht in:

Onzekerheden

De onzekerheid in de emissies van de meeste bronnen van verbranding van fossiele energie wordt geschat op gemiddeld circa 5%. De emissies van de meeste ontwikkelingslanden wordt als minder zeker geschat, circa 10% onzekerheid. De onzekerheid in de emissietrends is meestal echter minder groot. Een uitzondering is internationale scheepvaart en luchtvaart, waarvan de emissies een veel grotere onzekerheid hebben, omdat in nationale energiestatistieken soms verschillende definities voor zogenaamde 'marine bunkers' en internationale luchtvaart worden gebruikt.

De BP-raming lijkt redelijk betrouwbaar: op basis van eerdere BP-cijfers werd vorig jaar de toename voor 2005 op 3,3% geschat. Met de IEA-cijfers (2007) voor 2005 is dit nu 3,2%. Voor 2004 was het verschil ook slechts 0,1%. Per land kunnen de onzekerheden groter zijn, met name bij landen met een groot aandeel in de internationale scheepvaart (zogenoemde bunkerbrandstof) en met een groot aandeel in brandstofgebruik voor non-energetische doeleinden. Daarnaast zijn energiecijfers voor snel veranderende landen als China minder nauwkeurig dan die van de traditionele industrielanden in de OESO.

Regiodefinities

Annex I-landen in het VN-Klimaatverdrag: landen met een jaarlijkse rapportageverplichting van hun emissies, ook wel de geïndustrialiseerde landen of meer ontwikkelde landen genoemd, bestaande uit:

  • landen in 1990 horend tot de OESO, deze worden ook wel "Annex-II-landen" genoemd (blauwtinten in de figuur);
  • Economieën In Transitie: Oost-Europese landen en landen van de voormalige Sovjet-Unie (groentinten in de figuur).


Annex B-landen in het Kyoto Protocol: landen met een bindende limiet van hun emissies in de periode 2008-2012. Dit zijn dezelfde landen als de Annex I-groep, behalve Turkije en Wit-Rusland, die geen emissielimiet hebben. Daarnaast hebben de VS en Australië besloten het Protocol niet te ratificeren.
De 'niet-Annex I-landen' zijn dus de overige landen, ook wel ontwikkelingslanden genoemd (roodtinten in de figuur). Deze hebben alleen een meer algemene periodieke rapportageverplichting over hun gevoerde klimaatbeleid (ongeveer eens per 4 jaar).

Internationaal transport (bruin in de figuur) is de totale uitstoot van internationale luchtvaart en scheepvaart, die niet tot een landtotaal wordt gerekend.

Als 'Aziatische tijgers' worden hier beschouwd: Indonesië, Singapore, Maleisië, Thailand, Zuid Korea en Taiwan. Andere grote ontwikkelingslanden zijn: Brazilië, Mexico, Zuid Afrika, Saudi-Arabië en Iran.

Referenties

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, Wageningen UR (2009). Mondiale CO2-emissies door gebruik van fossiele brandstoffen en cementproductie per regio, 1990-2008 (indicator 0533, versie 04 , 25 juni 2009 ). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

CLO.nl is een samenwerkingsverband van PBL, CBS en Wageningen UR.