Compendium voor de Leefomgeving
617 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Smog in Nederland, 1990-2012/2013

Matige smog door fijn stof, dat wil zeggen een daggemiddelde concentratie van fijn stof hoger dan 50 µg/m³, kwam in 2012 op 46 dagen voor. Matige smog door ozon, een uurgemiddelde concentratie van ozon hoger hoger dan 180 µg/m³, kwam in de zomer van 2013 nog maar op drie dagen voor. Het aantal smogdagen is door emissiebeperkende maatregelen de afgelopen 20 jaar gedaald.

Smog in Nederland

In 2012 kwam matige smog door fijn stof op 46 dagen voor; dat is het laagste aantal sinds het begin van de metingen in 1992. Ernstige smog is sinds 1992 nooit voorgekomen. Alleen na de jaarwisselingen van 1992/1993, 2007/2008 en 2008/2009 waren door het afsteken van vuurwerk in de eerste uren van het nieuwe jaar de concentraties nog zo hoog dat in verschillende delen van Nederland sprake was van extreem hoge concentraties van fijn stof.
 
In de zomer van 2013 (april tot en met augustus) kwam matige smog door ozon slechts op drie dagen voor. Ernstige smog door ozon is al een aantal jaren niet meer aan de orde. De laatste keer was in 2006. Onderzoek heeft aangetoond dat de frequentie van smogepisodes, dat wil zeggen meerdere aaneengesloten dagen met hoge ozonconcentraties, in de afgelopen dertig jaar minder is geworden (Buijsman, 2011).
 
Smog door stikstofdioxide komt nog slechts een enkele maal per jaar voor uitsluitend op straatstations die niet aan de representativiteitseisen van de regeling voldoen. Sinds het begin van de jaren negentig is het aantal dagen met matige smog door stikstofdioxide sterk afgenomen. Matige smog op (stads)achtergrond locaties komen al jaren niet voor.
 
Ernstige smog door zwaveldioxide komt al decennia niet meer voor. De laatste keer was in 1987 (Buijsman, 2011).
 
De jaarlijkse variaties in het aantal smogdagen worden mede veroorzaakt door verschillen in weersomstandigheden. Tijdens warme dagen met weinig wind, veelal uit oostelijke of zuidelijke richting zijn de omstandigheden gunstig voor ozonvorming en van fijn stof. In jaren met veel zomerse dagen, zoals 1994, 1995, 2003 en 2006 komen dan ook vaker hoge ozon- en fijnstofconcentraties voor dan gedurende jaren met minder zomerse dagen.

Smog

Het begrip smog is geïntroduceerd door de Engelse medicus Des Voeux (Des Voeux, 1905). Hij doelde er mee op 'smoky fog', dat wil zeggen een combinatie van smoke (rook) en fog (mist). Vaak wordt de luchtverontreinigingsramp in december 1952 in Londen als voorbeeld van (extreme) smog opgevoerd. Later is het begrip synoniem geworden voor een verhoogd niveau van luchtverontreiniging gedurende enkele dagen, zonder dat 'verhoogd' daarbij eenduidig is gedefinieerd. In de Smogregeling 2010 is de volgende definitie gehanteerd: 'tijdelijk verhoogd kwaliteitsniveau van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon of zwevende deeltjes (PM10)'.
 
Smog treedt meestal op bij stabiele weersomstandigheden met geen of weinig wind. Hierdoor is het verspreidend vermogen van de atmosfeer gering en kan luchtverontreiniging zich in de onderste delen van de atmosfeer ophopen. In de winter gaat het dan om verhoogde niveaus van (fijn) stof (en voor 1990 ook zwaveldioxide); dit werd vroeger ook wel wintersmog genoemd. In de zomer betreft het verhoogde niveaus van ozon en/of (fijn) stof; dit heette vroeger ook wel zomersmog.

Europese regelgeving

De Europese regelgeving kent voor ozon zogeheten informatie- en alarmdrempels. Bij een overschrijding van de informatiedrempel moet de overheid op een actieve manier informatie verspreiden over de luchtkwaliteit. De alarmdrempel is het niveau waarboven door kortstondige blootstelling zodanige risico's voor de gezondheid optreden dat bij overschrijding zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen moeten worden genomen. Voor zwaveldioxide en stikstofdioxide kent de Europese regelgeving alleen alarmdrempels. Voor fijn stof zijn geen drempels gedefinieerd.

Nederlandse smogregeling

Het Europese systeem van informatie- en alarmdrempels is de Nederlandse indeling in luchtkwaliteitssituaties. Hieruit volgt een indeling in drie smogregimes: geen/gering, matig en ernstig (Smogregeling, 2010). Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt naar componenten die verantwoordelijk worden gehouden voor smog: fijn stof (PM10), ozon (O3), stikstofdioxide (NO2) en zwaveldioxide (SO2). De definities van de smogregimes zijn als volgt.
 

  • Geen/geringe smog


a. de uurgemiddelde concentratie van zwaveldioxide is lager dan 350 µg/m³.
b. de uurgemiddelde concentratie van stikstofdioxide is lager dan 200 µg/m³.
c. de uurgemiddelde concentratie van ozon lager is dan 180 µg/m³ (= de informatiedrempel).
d. de daggemiddelde concentratie van fijn stof is lager dan 50 µg/m³ (= de grenswaarde voor daggemiddelde concentraties).
 

  • Matige smog


a. de uurgemiddelde concentratie van zwaveldioxide is hoger dan 350 µg/m³, maar gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige zone of agglomeratie lager dan 500 µg/m³ (= de alarmdrempel voor zwaveldioxide).
b. de uurgemiddelde concentratie van stikstofdioxide is hoger dan 200 µg/m³, maar gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige zone of agglomeratie lager dan 400 µg/m³ (= de alarmdrempel voor stikstofdioxide).
c. de uurgemiddelde concentratie van ozon hoger is hoger dan 180 µg/m³, maar gedurende drie opeenvolgende uren lager dan 240 µg/m³ (= de alarmdrempel voor ozon).
d. de daggemiddelde concentratie van fijn stof is hoger dan 50 maar lager dan 200 µg/m³.
 

  • Ernstige smog


a. de uurgemiddelde concentratie van zwaveldioxide is gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige zone of agglomeratie hoger dan 500 µg/m³.
b. de uurgemiddelde concentratie van stikstofdioxide is gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige zone of agglomeratie hoger dan 400 µg/m³.
c. de uurgemiddelde concentratie van ozon is gedurende drie opeenvolgende uren hoger is dan 240 µg/m³.
d. de daggemiddelde concentratie van fijn stof is hoger dan 200 µg/m³.
 
De tabel geeft een overzicht van de hiervoor genoemde situaties.

Stof Grootheid Geen/Geringe smog Matige smog Ernstige smog
    µg/m³    
         
Zwaveldioxide uurgemiddelde <350 1) 350-500 >500 2)
Stikstofdioxide uurgemiddelde <200 3) 200-400 >400 2)
Ozon uurgemiddelde <180 180-240 >240 4)
Fijn stof daggemiddelde <50 5) 50-200 >200


 
In Nederland gebeurt de informatievoorziening over het voorkomen van smog volgens de Nederlandse smogregeling via internet (RIVM > smog), Teletekst, pagina 711 en met persberichten. Het RIVM brengt op routinematige basis ook een verwachting voor de maximale ozonconcentraties in de komende twee dagen en een verwachting voor de daggemiddelde fijnstofconcentraties in de komende twee dagen uit.

Gezondheidseffecten van smog

Op dagen met verhoogde concentraties van fijn stof worden meer sterftegevallen waargenomen dan op dagen met een lagere concentratie. Gezondheidskundige studies, die de effecten van kortdurende blootstelling aan fijn stof belichten, wijzen uit dat in Nederland jaarlijks enige duizenden mensen vroegtijdig overlijden ten opzichte van de ideale situatie dat er helemaal geen fijn stof in de lucht zou zitten. De duur van deze levensverkorting is vermoedelijk kort: enkele dagen tot maanden. Fijn stof heeft effect op onder andere hart- en longfuncties. Zo wordt 1 à 2 procent van de spoedopnamen voor long- of hart- en vaataandoeningen in Nederland toegeschreven aan fijn stof. Dergelijke resultaten zijn niet alleen in Nederland, maar overal op de wereld gevonden en ze zijn vrij robuust (zie ook Dossier 'Fijn stof). De concentraties van fijn stof variëren in gebieden met veel verkeer mee met de ochtend- en avondspits. Er zijn bovendien aanwijzingen dat als gevolg van de invloed van zonlicht fijn stof gedurende de dag in schadelijkheid toe neemt.
 
Blootstelling aan ozon in de buitenlucht kan leiden tot schadelijke effecten op de gezondheid van de mens. Kortdurende blootstelling aan verhoogde ozonconcentraties gedurende perioden met zomersmog staat in verband met toename van luchtwegklachten, benauwdheid, prikkeling van de luchtwegen, verergering van astma en meer medicijngebruik, longfunctiedaling en ontstekingsreacties, meer ziekenhuisopnames en vroegtijdige sterfte. Opgroeiende kinderen, ouderen en personen met hart- en luchtwegaandoeningen zijn relatief gevoelig voor effecten van ozon. Mensen die zich in de namiddag of vroege avond - wanneer de ozonconcentraties het hoogste zijn - langdurig (zeer) lichamelijk inspannen, vormen een risicogroep. De meest eenvoudige manier om blootstelling te verminderen is door tijdens een smogperiode rustig binnenshuis te blijven. In huis liggen de concentraties lager Overigens treedt er wel een zekere vorm van gewenning op bij herhaalde blootstellingen
 
Toch is er ook aangetoond dat de herhaalde blootstelling aan hoge niveaus ozon zoals die tijdens smog worden bereikt mogelijk leidt tot een blijvende verminderde werking van de longen in groepen mensen met een verminderde weerstand (WHO, 2005). Gezondheidskundig onderzoek geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er een drempelwaarde bestaat waar beneden iedereen veilig is. Dit houdt in dat er geen ozonconcentratie is aan te geven waar beneden geen effecten op de menselijke gezondheid zijn te verwachten. Ook lage concentraties hebben dus mogelijk een nadelig effect.

Maatregelen tijdens smog

Naast voorlichting, vooral bestaande uit gedragsadviezen, kunnen er in Nederland ook tijdelijke maatregelen door het bevoegd gezag worden afgekondigd om de duur en de ernst van de smogsituatie te beperken. Uit onderzoek is echter gebleken dat smog door het treffen van tijdelijke emissiebeperkende maatregelen nauwelijks te beïnvloeden is. Maatregelen als de verlaging van de maximumsnelheid van het verkeer, hebben een gering effect op de verbetering van de concentraties fijn stof. In Nederland hebben tijdelijke maatregelen ook nauwelijks effect op de ozonconcentraties (Smeets & Beck, 2002) en is het niet verplicht om kortetermijnactieplannen te hebben.
 
Emissiebeperkende maatregelen hebben in het geval van smog op korte termijn dus weinig rendement, terwijl de maatregelen zelf en de maatschappelijke gevolgen daarvan zeer ingrijpend zouden zijn. Daarom is in Nederland niet voorzien in een verplichting om tijdelijke emissiebeperkende maatregelen te nemen wanneer bepaalde smogniveaus worden bereikt. Nederland probeert de frequentie van smog en de ernst ervan door structurele maatregelen te nemen, zoals een blijvende vermindering van de uitstoot van ozonvormende stoffen door bijvoorbeeld het verkeer en de industrie.
 
In België worden bij smog door fijn stof wel wegverkeersmaatregelen genomen door de toegestane maximumsnelheid op delen van het autosnelwegnet in Vlaanderen tijdelijk te verlagen tot 90 km per uur. Hiermee wordt vooral beoogd om op lokale schaal de concentraties van specifieke groepen van stofvormige luchtverontreiniging zoals roet, black carbon en elemental carbon te verlagen (Lefebvre et al., 2009). Deze stoffen vallen echter niet onder de Europese luchtkwaliteitsregelgeving.

Invloed van maatregelen op lange termijn

In heel Europa lijken de piekconcentraties van ozon af te nemen. Ook in Nederland zijn piekconcentraties van ozon op leefniveau sinds 1992 afgenomen. Er zijn aanwijzingen dat deze afname het gevolg is van het Europese emissiebeleid voor ozonvormende stoffen, zoals vluchtige organische stoffen en stikstofoxiden (Van Pul et al., 2011). 

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Overschrijdingen van de informatie- en alarmdrempel voor ozon

Omschrijving

Overschrijdingen van drempelwaarden voor de concentraties op basis van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en het Nationaal Meetnet voor Luchtverontreiniging.

Verantwoordelijk instituut

RIVM

Berekeningswijze

Het aantal overschrijdingen van de informatie- respectievelijk alarmdrempel is ontleend aan de metingen op de stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Het aantal meetstations kan per jaar wisselen.

Basistabel

RIL+

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

-

Verschijningsfrequentie

2x per jaar

Opmerking

1. Gegevens over de frequentie van smog zijn voor fijn stof, stikstofdioxide en zwaveldioxide tot en met het jaar 2012. Voor ozon is dit echter inclusief 2013, omdat volgens de Europese regelgeving het aantal overschrijdingsdagen en dus het aantal smogdagen geteld wordt over de periode april tot en met augustus.
2.  Deze indicator wordt tweemaal per jaar geactualiseerd: na afloop van een kalenderjaar voor fijn stof, stikstofdioxide en zwaveldioxide en na afloop van de zomer voor ozon.
3. De Nederlandse wetgever heeft verzuimd om aan te geven waar de scheiding tussen geen en geringe smog ligt.

Betrouwbaarheidscodering

Integrale enquete.

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, Wageningen UR (2013). Smog in Nederland, 1990-2012/2013 (indicator 0575, versie 01 , 10 september 2013 ). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

CLO.nl is een samenwerkingsverband van PBL, CBS en Wageningen UR.