Windvermogen in Nederland, 1990-2015

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De elektriciteitsproductie van windmolens nam in 2015 met 19 procent toe, vooral door uitbreiding van de capaciteit. In 2015 kwam 53 procent van de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie (CBS, 2016).

Windvermogen in 2015 toegenomen

De capaciteit van de Nederlandse windmolens steeg in 2015 met 530 megawatt tot ongeveer 3,4 duizend megawatt eind 2015. De uitbreiding was voor een belangrijk deel te danken aan het gereed komen van enkele grote parken op land en op zee. Op land steeg de capaciteit van 2637 megawatt naar 3034 megawatt en op zee van 228 naar 357 megawatt.

Subsidies cruciaal voor nieuwe windmolens

Elektriciteitsproductie uit windenergie is vooralsnog duurder dan het produceren van elektriciteit uit aardgas, kolen of nucleaire bronnen. Subsidies voor windenergie zijn daarom cruciaal voor investeerders in windmolens. In 2015 ontvingen de windmolenproducenten voor hun elektriciteitsproductie 332 miljoen euro.

In Flevoland staan de meeste windmolens

Bij de verdeling van de windmolens over het land valt op dat de meeste windmolens in de kustprovincies staan. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving over de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks dat Flevoland niet de meest gunstige windcondities heeft (Geertsema en van den Brink, 2014).

Toekomstplannen wind op land

In 2020 wil het Rijk 6 000 megawatt aan opgesteld windvermogen op land hebben gerealiseerd (EL&I, 2011). Dit is inclusief de bestaande windturbines. In juni 2013 hebben de provincies afgesproken hoe ze deze 6 000 megawatt onderling willen verdelen (IPO, 2013). De provincies spelen vooral een rol bij de verlening van vergunningen. De subsidies blijven een taak van de landelijke overheid. RVO (2016) concludeert dat er veel projecten in voorbereiding zijn om de doelstelling te halen, maar dat het lastig zal worden om de doelstelling volledig te realiseren.

Wind op zee

In 2006 is het eerste windpark op zee in gebruik genomen en in 2008 het tweede.
In 2015 is het derde windmolenpark op zee (Luchterduinen met 129 megawatt) in gebruik genomen. De drie parken tezamen produceerden in 2015 ongeveer 15 procent van alle windenergie. Noordelijk van Schiermonnikoog en Ameland is in 2015 begonnen met de bouw van twee windparken (Gemini) met een gezamenlijk vermogen van 600 megawatt.
De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. Per saldo is elektriciteit uit wind op zee vooralsnog duurder dan wind op land (Lensink, 2013). Echter, de uitkomst van de tender van de nieuwe parken op zee bij Borssele geeft aan dat kosten voor wind op zee snel dalen (EZ, 2016).

Toekomstplannen wind op zee

In het Energieakkoord (SER, 2013) is een ambitieuze doelstelling voor wind op zee afgesproken: namelijk 4 450 megawatt totaal in 2023. Dat betekent dat er voor 3 450 megawatt extra aan windparken op zee gesubsidieerd moeten worden. Vanwege de hoge, te verwachte subsidiekosten besteedt het Energieakkoord veel aandacht aan een kostendaling voor wind op zee, welke bereikt zou moeten worden door innovaties en productiviteitswinst bij aanleg van de parken. Die kostendaling lijkt te lukken met de gegunde aanbesteding van het windmolenpark bij Borssele (EZ, 2016). Het windmolenpark dat naar verwachting van EZ halverwege 2020 gereed is, kost volgens de minister van EZ door de scherpe concurrentie tussen de windmolenbouwers 2,7 miljard euro minder dan begroot. Naast concurrentie hebben waarschijnlijk andere factoren ook invloed op de lagere prijs zoals technologische ontwikkelingen, lagere staalprijzen en een lage rentestand (Energeia, 2016). Eind 2016 is ook het tweede windpark bij Borssele aanbesteed tegen veel lagere kosten dan begroot (FD, 2016).

Bronnen

Relevante informatie

  • Meer informatie over hernieuwbare energie is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven
Windvermogen in Nederland
Omschrijving
Ontwikkeling van het windvermogen in Nederland (totaal, op land, per provincie en op zee) tussen 1990 en 2015. Doelstellingen 2020 per provincie en doelstelling voor op zee 2023.
Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Berekeningswijze
Een methodologische verantwoording is te vinden in het rapport Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016).
Geografische verdeling
Totaal Nederland en provincies (op land); totaal op zee.
Andere variabelen
Aantal windmolens, rotoroppervlak, elektrisch vermogen, aandeel in het totale elektriciteitsverbruik.
Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
Achtergrondliteratuur
Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016).
Betrouwbaarheidscodering
Integrale waarneming.

Archief van deze indicator

Actuele versie
versie‎
31
Bekijk meer Bekijk minder
versie‎
30
versie‎
29
versie‎
28
versie‎
27
versie‎
26
versie‎
25
versie‎
24
versie‎
23
versie‎
22
versie‎
21
versie‎
20
versie‎
19
versie‎
18
versie‎
17
versie‎
16
versie‎
15
versie‎
14
versie‎
13
versie‎
12
versie‎
11
versie‎
10
versie‎
09
versie‎
08
versie‎
07
versie‎
06
versie‎
05
versie‎
04
versie‎
03

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2024). Windvermogen in Nederland, 1990-2015 (indicator 0386, versie 24,

) www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.