Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Landbouw en milieu

Mestproductie door de veestapel, 1986-2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Als gevolg van diverse wettelijke regelingen is de productie van dierlijke mest door de Nederlandse veestapel na 1986 gedaald. Ruim driekwart van de mestproductie is afkomstig van rundvee, 17 procent van varkens en 2 procent van pluimvee.

Sterke groei mestproductie tot 1986

Tot halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw is door de groei van de veestapel de productie van dierlijke mest sterk toegenomen. In 1986 lag de totale mestproductie 39 procent boven het niveau van 1970. Als gevolg van diverse wettelijke regelingen is de productie van dierlijke mest na 1986 weer gedaald. Inmiddels is de totale mestproductie weer terug op het niveau van 1970. Sinds de invoering van de Superheffing in 1984 is door inkrimping van de melkveestapel de mestproductie van rundvee met een kwart gedaald.

Mestproductie vrijwel constant

In de periode 2003 tot en met 2007 is de mestproductie vrijwel constant. In 2008 en 2009 is de mestproductie iets toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor, door een toename van het aantal koeien, varkens en kippen. In 2010 is de mestproductie weer iets lager dan in 2009 en in 2011 (voorlopig cijfer) is er ook sprake van een lichte daling ten opzichte van het jaar ervoor.

Bijdragen van de verschillende dieren aan de mestproductie

Ruim driekwart van de mest is afkomstig van rundvee. Het aandeel van varkens (17 procent) en pluimvee (2 procent) in de mestproductie is een stuk geringer. Doordat de varkens- en pluimveehouderij niet-grondgebonden (intensieve veehouderij) zijn, dragen zij in belangrijke mate bij aan het mestoverschot.

Beleid

Door de Beschikking Superheffing (1984) is de melkveestapel de afgelopen decennia gekrompen. Daarmee is ook de productie van mest door rundvee verminderd. De Superheffing bindt de melkproductie aan een maximum, het zogenaamde melkquotum. Omdat de gemiddelde melkproductie per koe jaarlijks toeneemt, moet het aantal melk- en kalfkoeien afnemen, wil Nederland niet te veel melk produceren. Voor elke liter teveel geproduceerde melk moet de boer een heffing betalen.
De mestwetgeving omvat allerlei regelingen om het gebruik van de mineralen stikstof en fosfaat in de mest te verminderen. Basis is de Europese Nitraatrichtlijn (1991). Per 1 januari 2006 is het Mineralenaangiftensysteem MINAS (vanaf 1998) vervallen en vervangen door een nieuw mestbeleid. De belangrijkste onderdelen hiervan zijn:

  • Gebruiksnormen voor de hoeveelheden stikstof en fosfaat uit dierlijke mest en kunstmest die toegepast mogen worden bij de teelt van gewassen.
  • Gebruiksvoorschriften voor de manier waarop mest wordt toegepast en de perioden waarin dit gebeurt. Zo komt de mest op het juiste moment en op de meest efficiënte manier bij gewassen terecht en wordt verlies naar het milieu beperkt.
  • Een stelsel van dierrechten dat grenzen stelt aan het aantal dieren dat mag worden gehouden. Zo wordt voorkomen dat er meer mest geproduceerd wordt dan nuttig gebruikt kan worden bij de teelt van gewassen.
  • Regels voor de afvoer van mest van veehouderijbedrijven. Zo is altijd bekend waar de mest vandaan komt en naartoe gaat en wordt 'dumpen' van mest voorkomen.

Relevantie

Overmatig gebruik van mest - zowel dierlijke mest als kunstmest - zorgt voor te veel stikstof en fosfaat in bodem, grondwater en oppervlaktewater. Dat heeft negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de natuurlijke soortenrijkdom en de drinkwaterbereiding.

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over de productie van dierlijke mest is te vinden in de database StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Mestproductie door de veestapel

Omschrijving

Ontwikkeling van de totale productie van dierlijke mest door de Nederlandse veestapel, alsmede van de productie van dunne en vaste mest door rundvee, varkens, pluimvee en "overige" diercategorieën (schapen en geiten, paarden en pony's, pelsdieren en konijnen).

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Berekening op basis van de aantallen dieren in de Landbouwtelling van het CBS en factoren voor de mestproductie per dier. Het artikel Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen 1990 - 2008 (CBS, 2010a) geeft een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksmethode. Een korte onderzoeksbeschrijving is te vinden in het artikel Productie van dierlijke mest en mineralen (CBS, 2006).

Basistabel

StatLine. Dierlijke mest; mestproductie en mineralenuitscheiding per diercategorie (CBS, 2011)

Geografisch verdeling

Nederland, provincies, landbouwgebieden, concentratiegebieden, stroomgebieddistricten.

Andere variabelen

Mestproductie per diercategorie, mineralenuitscheiding per diercategorie, gasvormige stikstofverliezen, areaal bemestbare grond, omvang veestapel per diercategorie.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Productie van dierlijke mest en mineralen (CBS, 2006) (korte onderzoeksbeschrijving)Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen 1990 - 2008 (CBS, 2010a)Dierlijke mest en mineralen 2009 (2010b)

Betrouwbaarheidscodering

D (berekening op basis van een integrale enquête naar het aantal dieren in de veestapel en factoren voor de mestproductie per dier)

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Mestproductie door de veestapel, 1986-2011 (indicator 0104, versie 13 , 27 maart 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.