Compendium voor de Leefomgeving
472 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Klimaatverandering

Zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust en mondiaal, 1890-2018

De zeespiegel langs de Nederlandse kust is in 129 jaar gelijkmatig gestegen met circa 24 cm, ofwel een toename met 1,9 mm per jaar. Dit blijkt uit de analyse van zes meetstations langs de kust. De belangrijkste oorzaak voor deze stijging is het uitzetten van opwarmend zeewater en het smelten van gletsjers en landijs op Groenland en Antarctica. Daarnaast draagt bodemdaling langs de Nederlandse kust bij aan de zeespiegelstijging. De zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust - gecorrigeerd voor lokale bodemdaling - hangt nauw samen met de mondiale zeespiegelstijging maar is daar niet precies gelijk aan. Dat komt doordat de zeespiegel sterk variabel is over de oceanen, veroorzaakt door verschillen in luchtdruk, windvelden, zeewatertemperaturen, zwaartekrachtvelden en stromingsprofielen. Uit satelliet-waarnemingen over de periode 1993-2020 blijkt dat de zeespiegel op sommige plaatsen daalt met 6 mm/jaar, maar soms ook stijgt met 10 mm/jaar. Voor de Noordzee wordt een stijging gevonden van rond de 2 mm/jaar, een waarde die goed overeen komt met de genoemde toename die volgt uit de historische metingen langs onze kust. Het mondiaal gemiddelde over de periode 1993-2020 komt uit op 3,0 mm/jaar. Recent onderzoek laat zien dat de zeespiegel op veel plaatsen niet alleen stijgt, maar dat de stijging ook een versnelling vertoont. Dit geldt vooral voor de Stille oceaan. Voor delen van de Atlantische oceaan is deze versnelling gering en voor de Noordzee is de versnelling zelfs niet-significant. Ook dit resultaat komt overeen met het uit historische metingen gevonden patroon langs de Nederlandse kust.

Zeespiegel langs de Nederlandse kust stijgt gelijkmatig

Betrouwbare metingen van de zeespiegel langs de Nederlandse kust zijn beschikbaar sinds 1890 voor zes hoofdgetijdestations van Rijkswaterstaat. Dit zijn Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, De Helder, Harlingen en Delfzijl. Over de hele periode 1890-2018 is de zeespiegel langs de Nederlandse kust - gemiddeld over deze hoofdstations - gestegen met 24 cm. Zie figuur. De trend in de data blijkt een gelijkmatig/lineair patroon te vertonen over de hele meetreeks. De jaarlijkse verandering bedraagt 1,9 mm per jaar.

De figuur laat verder zien dat de jaargemiddelde waarde voor het jaar 2017 een record-hoge waarde bereikte, namelijk 10,3 cm boven NAP. Dit record past goed in het geschatte trendmodel en geeft geen indicatie voor versnelling van de zeespiegel langs de Nederlandse kust.

Voor het grootste deel is de trend langs de Nederlandse kust te verklaren uit factoren die op wereldschaal spelen zoals uitzetting van opwarmend zeewater en smelten van ijskappen. Zie tekst hierna en Sterlini et al. (2017). Daarnaast is de trend voor een deel te verklaren uit factoren die lokaal langs de Nederlandse kust invloed hebben zoals een bodemdaling over eeuwen en veranderingen in windopzet en getijdebewegingen.

Bodemdaling is het gevolg van een herstel van de bodem na het wegsmelten van de ijskappen aan het einde van de laatste ijstijd (isostasie) en tektonische bewegingen. De bodemdaling langs de Nederlandse kust vertoont een gelijkmatig, lineair patroon en de invloed van isostasie en tektoniek wordt geschat op 0,45 mm per jaar (Hijma en Kooi, 2018; Baart et al., 2019). Als we deze lokale bodemdaling verdisconteren in de jaarlijkse toename van de zeespiegel met 1,9 mm per jaar, dan bedraagt de gecorrigeerde stijging 1,5 mm per jaar (zie verder Technische toelichting). Daarbij komt nog een bodemdaling in het gebied
rond Hoek van Holland en vooral bij Delfzijl door gaswinning (Baart et al. 2019, tabel 6.2).

Naast bodemdaling speelt het smelten van het ijs op Groenland mogelijk een rol. Riva et al. (2017) laten zien dat dit afsmelten een bodemstijging veroorzaakt ter hoogte van Engeland van gemiddeld 0,4 mm per jaar over de periode 1902-2014. Daarbij vinden zij een versnelling in de laatste decaden. Deze bodemstijging kan ook een rol spelen langs de Nederlandse kust, en de genoemde bodemdaling gedeeltelijk of zelfs geheel compenseren.
Om de onduidelijkheid over de exacte grootte van bodemdaling door metingen in kaart te brengen, wordt momenteel een onderzoeksprogramma opgestart. Voor details verwijzen we naar Hijma en Van Onselen (2019, hoofdstuk 3) en naar Strijker et al. (2020). Vooralsnog ligt de schatting voor bodemdaling tussen de 0,05 en 0,45 mm per jaar (waarbij de ondergrens van 0,05 mm per jaar ontstaat als uit verder onderzoek een bodemstijging kan worden aangetoond van de hier boven genoemde 0,4 mm per jaar). Kennis van bodemdaling is van belang voor de planning van onze kustbescherming in de nabije toekomst. Zie tekst over het Deltaprogramma hierna.

Jaar-op-jaar variaties

De jaar-op-jaar variaties in de zeespiegelstand - dus de afwijkingen van de lineaire trend - kunnen aanzienlijk zijn langs de Nederlandse kust zoals blijkt uit de eerste figuur. Zo was in 1967 de jaargemiddelde waterstand 66 mm hoger dan de verwachte trendwaarde, terwijl in 1947 de waterstand juist 61 mm lager was. Die variaties worden met name veroorzaakt door verschillen in dominante windrichting binnen een jaar. In het jaar 1967 was het aantal dagen met westelijke winden zeer hoog (= 277 dagen), terwijl er in 1947 maar 181 dagen waren met westenwind.

Andere verklaringen voor jaar-op-jaar variaties in zeespiegelstand zijn verschillen in windsnelheden, luchtdruk, watertemperatuur en neerslag op de Noordzee (Dangendorf et al. 2014; Baart et al., 2019). Ook zoutgehalten onder invloed van de instroom van rivieren spelen een rol (Sterlini et al., 2017).

Daarnaast bevatten de jaargemiddelde data een 18,6-jarige cyclus die veroorzaakt wordt door de afwijking van het baanvlak van de maan ten opzichte van het baanvlak van de aarde (de knopen- of drakencyclus). Zie Baart et al. (2012, 2019). De invloed van de knopencyclus is sinus-vormig en geeft een verhoging/verlaging van de zeespiegel in een willekeurig jaar van maximaal 13 mm. De langjarige trend wordt niet beïnvloed door deze cyclus.

Mondiale zeespiegelstijging

De trendmatige ontwikkeling in mondiale zeespiegelstijging wordt op verschillende wijzen onderzocht. Daarbij wordt informatie gebruikt van (i) langs kusten gelegen peilstations - met metingen soms over meer dan een eeuw, zoals langs de Nederlandse kust - (ii) informatie van satellieten en (iii) ijs-afsmeltingsmodellen die leiden tot zwaartekracht-veranderingen. Deze zwaartekracht-veranderingen worden veroorzaakt door het verlies aan ijsmassa op Groenland en Antarctica. Hierdoor daalt de zeespiegel dichtbij deze ijsmassa's en stijgt de zeespiegel juist verder weg.

We noemen hier drie verschillende reconstructies die getoond worden in de tweede figuur.
Church en White (2011) combineren gegevens van peilstations vanaf 1880 en statistische informatie afgeleid uit satellietwaarnemingen sinds 1993 (rode lijn in de figuur). Dangendorf et al. (2019) gebruiken evenzo peilstations en combineren die met ijs-afsmeltingsmodellen en geavanceerde interpolatie-technieken (blauwe lijn in de figuur). Een derde benadering is de reconstructie sinds 1993 van de mondiale zeespiegelstijging vanuit twee-wekelijkse satellietwaarnemingen, zoals bijvoorbeeld gevolgd door Watson et al. (2015), Chen et al. (2017) en Nerem et al. (2018). De in de figuur getoonde mondiale satelliet-reconstructie is die van AVISO over de periode 1993 tot en met 2019.

De stijging in de mondiaal gemiddelde zeespiegel zoals getoond in de tweede figuur, is te herleiden tot een vijftal factoren, waarvan de eerste vier gerelateerd zijn aan klimaatverandering (Slangen et al. 2016; Cazenave et al. 2018; IPCC 2019). De factoren zijn:

  • thermische uitzetting van opwarmend zeewater (ongeveer 1,4 mm per jaar),
  • het wereldwijd smelten van gletsjers en kleine ijskappen (ongeveer 0,6 mm per jaar),
  • het smelten van de ijskap op Groenland (ongeveer 0,5 mm per jaar)
  • het smelten van landijs op Antarctica (ongeveer 0,3 mm per jaar),
  • het gebruik van grondwater (geringe bijdrage, ongeveer 0,09 mm per jaar).


Voor meer details over de bijdrage van deze factoren verwijzen we naar Cazenave et al. (2018) en IPCC (2019). Genoemde bijdrages zijn uitgedrukt in mm per jaar en ontleend aan IPCC (2019, pag. 336). Data gelden voor de periode 1993-2015. De schattingen zijn omgeven door brede onzekerheidsbanden. Dat geldt vooral voor de thermische uitzetting en de bijdrages van Groenland en Antarctica.

Ruimtelijke variatie verklaart lokale, regionale en mondiale verschillen

Zeespiegelstanden en veranderingen daarin zijn niet gelijkmatig over de oceanen verdeeld. Dat verklaart ook waarom de reconstructies zoals getoond in de tweede figuur, niet geheel over elkaar vallen, en ook waarom dit patroon afwijkt van dat langs de Nederlandse kust. De ruimtelijke variatie in zeespiegelniveaus kan goed in beeld gebracht worden vanuit satellietbeelden. Zie bijvoorbeeld deze animatie van NASA over de periode 1992-2011 of een mondiale kaart, geschat door NOAA, waarin de lineaire trends met een hoge resolutie zijn weergegeven. Zie derde figuur.


De trends in de mondiale kaart zijn geschat over de periode 1993-2020 en laten grote verschillen zien over de oceanen: van een stijging in sommige gebieden met 10 mm per jaar tot een daling met 6 mm per jaar, vooral gelegen bij Antarctica en Groenland (het gravitatie-effect). Delen van de Noord-Atlantische oceaan, en ook de Noordzee, liggen in het gebied van 1 tot 3 mm/jaar zeespiegelstijging, waarden die goed overeenkomen met die zoals getoond in de eerste figuur voor Nederland op basis van historische metingen.

Er zijn een aantal verklaringen te geven voor deze ruimtelijke variaties. In de eerste plaats zorgt verlies van ijsmassa van gletsjers en de ijskappen op Groenland en Antarctica voor zwaartekrachtveranderingen zoals eerder uitgelegd. Mondiaal gemiddeld wordt door afsmelting een stijging geschat van ongeveer 1,8 mm/jaar, terwijl Nederland door zijn gunstige ligging ten opzichte van Groenland een veel lagere stijging ondervindt, namelijk van rond de 0,9 mm/jaar. Daarnaast hebben oceaanstromingen, luchtdrukverschillen en (veranderende) getijdebewegingen ook in vloed op regionale verschillen over de wereldkaart.

Mondiale zeespiegel vertoont versnelling sinds zestiger jaren

Het recente SROCC-rapport van het IPCC (2019) komt in een review tot de conclusie dat de stijging van de mondiale zeespiegel een versnelling vertoont die te verklaren is door een versneld afsmelten van ijskappen, naast een versnelde thermische uitzetting door opwarmend oceaanwater. Voor de periode 1900-1990 schat het IPCC een toename van 1,4 mm per jaar, met een onder- en bovengrens van 0,8 en 2,0 mm/jaar. Voor de periode 1993-2015 schatten zij een jaarlijkse toename van 3,2 mm, met een ondergrens van 2,8 en en bovengrens van 3,5 mm/jaar.

Een studie van Dangendorf et al. (2019), verschenen ná het SROCC-rapport, laat zien dat deze versnelling niet zo zeer ingezet is vanaf de negentiger jaren van de vorige eeuw maar sinds de zestiger jaren. Daarbij tonen zij aan dat deze mondiale versnelling niet gelijkmatig verdeeld is over de oceanen. De sterkste versnelling is te zien over de Stille oceaan, het gebied tussen Australië en Zuid-Amerika. De minste versnelling vertoont de Atlantische oceaan met niet-significante waarden voor de Noordzee. Deze resultaten komen overeen met het ontbreken van een versnelling langs de Nederlandse kust in de historische metingen.

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

De Nederlandse overheid heeft in 2010 een Deltaprogramma gestart met onder andere als doel Nederland nu en in de toekomstig te beschermen tegen hoogwater. Daarbij wil de overheid Nederland klimaatbestendig en water-robuust inrichten. In dit Deltaprogramma werken verschillende overheden en andere organisaties samen onder leiding van de Deltacommissaris.

Binnen het Deltaprogramma werd recent gesignaleerd dat zeespiegelstijging in de loop van deze eeuw mogelijk sneller kan gaan verlopen dan eerder aangenomen was in de zogenaamde 'deltascenario's'. Deltares heeft in 2018 verkend wat hiervan de mogelijke gevolgen voor het Deltaprogramma kunnen zijn (Haasnoot et al., 2018). In een vervolg hierop hebben de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Deltacommissaris gezamenlijk het initiatief genomen om samen met de andere partners in het Deltaprogramma een meerjarig Kennisprogramma Zeespiegelstijging te starten (zie kennisprogramma-zeespiegelstijging).
Dit Kennisprogramma moet voor de volgende herijking van de Deltabeslissingen in 2026 meer zicht geven op de kans op versnelde zeespiegelstijging, de mogelijke gevolgen voor de wateropgaven en ruimtelijke inrichting en opties indiceren om hierop te anticiperen. Zie ook Haasnoot et al. (2020). Het eerder genoemde onderzoek naar bodemdaling valt hier ook onder (Hijma en Van Onselen, 2019; Strijker et al., 2020).

Referenties

  • Baart, F., P.H.A.J.M. van Gelder, J. de Ronde and M. van Koningsveld (2012). The effect of the 18.6-year lunar nodal cycle on regional sea-level rise estimates. Journal of Coastal Research 28(2), 511-516.
  • Baart, F., G. Rongen, M. Hijma, H. Kooi, R. de Winter en R. Nicolai (2019). Zeespiegelmonitor 2018. De stand van zaken ronde de zeespiegel. Rapport Deltares 1209426.202.
  • Cazenave, A. et al. (2018). Global sea-level budget 1993-present. Earth Syst. Science Data, 10, 1551-1590.
  • Chen, X, X. Zhang, J.A. Church, C.S. Watson, M.A. King, D. Monselesan, B. Legresy and C. Harig (2017). The increasing rate of global mean sea-level rise during 1993-2014. Nature Climate Change, 7, 492-497.
  • Church, J.A. and N.J. White (2011). Sea-level rise from the late 19th to the early 21st century. Surveys in Geophysics 32, 585-602.
  • Dangendorf, S., F.M. Calafat, A. Arns, T. Wahl, I.D. Haigh and J. Jensen (2014). Mean sea level variability in the North Sea: processes and implications. Journal of Geophysical Research: Oceans, 119, 6820-6841.
  • Dangendorf, S., C. Hay, F.M. Calafat, M. Marcos, C.G. Piecuch, K. Berk and J. Jensen (2019). Persistent acceleration in global sea-level rise since the 1960s. Nature Climate Change 9, 705-710.
  • Haasnoot, M., L. Bouwer, F. Diermanse, J. Kwadijk, A. van der Spek, G. Oude Essink, J. Delsman, O. Weiler, M. Mens, J. ter Maat, Y. Huismans, K. Sloff, E. Mosselman (2018) Mogelijke gevolgen van versnelde zeespiegelstijging voor het Deltaprogramma. Een verkenning. Deltares rapport 11202230-005-0002.
  • Haasnoot, M., J Kwadijk, J van Alphen,,D. Le Bars, B. van den Hurk, F. Diermanse, A. van der Spek, G. Oude Essink, J. Delsman and M. Mens (2020). Adaptation to uncertain sea-level rise; how uncertainty in Antarctic mass-loss impacts the coastal adaptation strategy of the Netherlands. Env. Research Letters 15, 034007.
  • Hijma,M en H. Kooi (2018). Bodemdaling in het kustfundament en de getijdenbekkens (deel 2). Deltares Technisch rapport 11202190-001-ZKS-0001.
  • Hijma, M. en E. van Onselen (2019). Bodemdalingsmonitor 2019. Kustfundament en getijdenbekkens. Deltares rapport, 11203683-002.
  • IPCC (2019). Sea level rise and implications for low-lying islands, coasts and communities. SROCC special report Chapter 4, zie deze site .
  • Nerem, R.S., B.D. Beckley, J.T. Fasullo, B.D. Hamlington, D. Masters and G.T. Mitchum (2018). Climate-change-driven accelerated sea-level rise detected in the altimeter era. PNAS 115(9), 2022-2025.
  • PBL, 2015. Klimaatverandering: Samenvatting van het vijfde IPCC-assessment en een vertaling naar Nederland. Uitgave PBL en KNMI, PBL-publicatienummer 1405.
  • Riva, R.E.M., T. Frederikse, M.A. King, B. Marzeion and M.R. van den Broeke (2017). Brief communication: The global signature of post-1900 land ice wastage on vertical land motion. The Cryosphere, 11, 1327-1332.
  • Sterlini, P., D. Le Bars, H. de Vries and N. Ridder (2017). Understanding the spatial variation of sea level rise in the North Sea using satellite altimetry. J. of Geophysical Research: Oceans, 122, 6498-6511.
  • Slangen, A.B.A., J.A. Church, C. Agosta, X. Fettweis, B. Marzeion and K. Richter (2016). Anthropogenic forcing dominates global mean sea-level rise since 1970. Nature Climate Change, 6, 701-706.
  • Strijker, B., C. Wegman, D.Honingh, G. Rongen en J. Leenders (2020). Bodemdaling en relatieve zeespiegelstijging. HKV lijn in water, rapport PR2695.60.
  • Watson, C.S., N.J. White, J.A. Church, M.A. King, R.J. Burgette and B. Legresy (2015). Unabated global mean sea-level rise over the satellite altimeter era. Nature Climate Change, doi:10.1038/NCLIMATE2635.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Stand zeespiegel langs de Nederlandse kust

Omschrijving

Zeespiegel Nederland en wereldwijd, gemiddelde jaarlijkse niveau. Data Nederland: 1890-2017.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, data van Deltares

Berekeningswijze

De zes hoofdgetijdestations waarvoor het gemiddelde langs de Nederlandse kust is berekend, zijn: Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Den Helder, Harlingen en Delfzijl. De metingen waren uitgevoerd met zogenaamde vlotter-niveaumeters ofwel peilschrijvers, en recent vervangen door digitale niveaumeters. Kleine hiaten zijn opgevuld met geïnterpoleerde waarden.

Voor details van de zes hoofdststations verwijzen we naar Baart et al. (2019, paragraaf 4.1).
De datareeksen kunnen in principe geconstrueerd worden vanaf 1865. Om drie redenen is echter gekozen om de reeks te tonen vanaf 1890:
In de periode 1865-1880 werd handmatige aflezing vervangen door geautomatiseerde peilschrijvers.
Het NAP werd ingevoerd in 1890 na een grondige analyse van het AP (Amsterdams Peil) in de periode 1875-1885.
De stations Vlissingen en IJmuiden vertonen een sterke inhomogeniteit rond 1885.
Voor historische details zie Van der Hoek Ostende en Van Malde (1989), en Onselen (2000).

Het NAP-merkpunt is in 1953 verankerd op een hardere onderlaag middels een 22 meter lange heipaal op de Dam in Amsterdam. Niet geheel duidelijk is of deze verankering in 1953 een trendbreuk in de zeespiegelstijgingsdata tot gevolg heeft gehad. Aangenomen wordt dat de invloed van deze verankering gering is. Zie verder Baart et al. (2019, paragraaf 4.2.1) voor details.

De data van de zes hoofdstations zijn betrokken van de PSMSL-database (Holgate et al., 2013). Deze data worden door Rijkswaterstaat verzameld, gecorrigeerd door Deltares en daarna geleverd aan deze database.

Overigens zijn de trends in individuele hoofdstations niet gelijk. Wel is de trend steeds lineair over de periode 1890-2018. De trendmatige toenames zijn (met daarbij 2-s betrouwbaarheidsintervallen):

Delfzijl: 1,96 ± 0,18 mm per jaar
Harlingen: 1,32 ± 0,18 mm per jaar
Den Helder: 1,48 ± 0,16 mm per jaar
IJmuiden: 2,09 ± 0,17 mm per jaar
Hoek van Holland: 2,35 ± 0,15 mm per jaar
Vlissingen: 2,14 ± 0,14 mm per jaar
Alle zes stations gemiddeld: 1,89 ± 0,14 mm per jaar

Er is geen eenduidige verklaring voor de gevonden verschillen in individuele stations. De lage waarde voor Harlingen is mogelijk te verklaren uit stromingspatronen in de Waddenzee. De hoge waarde voor Hoek van Holland is voor een klein deel - ongeveer 0,1 mm/jaar - te verklaren uit gaswinning. Gaswinning heeft het grootste effect gehad voor station Delfzijl. Vanaf 1963 heeft gaswinning hier gezorgd voor een bodemdaling van circa 24 cm. Maar deze daling is niet meegenomen in de hier gebruikte data voor dit station (de metingen zijn vanaf 1973 niet meer bepaald ten opzichte van het NAP maar een meebewegende nulpaal).

Voor meer details en verklaringen, zie Baart et al. (2019, p. 57). De hier gevonden trendwaarden en onzekerheden komen overeen met die geschat door Baart et al. (door hen geschat met een andere trendmethode).

De in de eerste figuur weergegeven zeespiegelstanden zijn relatief ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) en wordt ook wel de relatieve zeespiegelstijging genoemd omdat deze het verschil aangeeft tussen de absolute zeespiegelstijging en de beweging van de diepere ondergrond van Nederland (om precies te zijn op de Dam in Amsterdam). Uitzondering is het genoemde station Delfzijl.

De diepere ondergrond van Nederland waar het NAP-peil op is verankerd, vertoont een postglaciale en tektonische bodemdaling. Voor de reeks van zes hoofdstations bedraagt de bodemdaling gemiddeld 0,45 mm/jaar. Deze daling verloopt over de periode 1891-2018 lineair en kan daarom afgetrokken worden van de stijging met 1,89 mm/jaar om de reeks te corrigeren voor bodemdaling. Zie Baart et al. (2019, pag. 58).

Daarnaast is er ook een opveren van de bodem langs de Nederlandse kust ten gevolgen van ijsverlies op Groenland. Riva et al. (2017) schatten deze 'elastische respons' op circa 0,4 mm per jaar voor het gebied rond Engeland. Dit is een gemiddelde over de periode 1902-2014. Zie hun figuur 3 voor details. Hun figuur laat een versnelling zien over de laatste 20 jaar. In hoeverre deze opvering langs de Nederlandse kust een rol speelt, is niet helemaal duidelijk en wordt momenteel onderzocht in een nieuw op te zetten meetprogramma (Strijker et al. 2020).

Trends en de invloed van externe factoren in data langs de Nederlandse kust zijn geschat met het tijdreeks-softwarepakket TrendSpotter (Visser, 2004; Visser et al. 2015, 2018). Naast een schatting van de trend zoals getoond in de eerste figuur, is het tijdreeksmodel ook uitgebreid variabelen die de jaar-op-jaar variaties kunnen beschrijven en wellicht ook de trend kunnen beïnvloeden.

Variabelen zijn analoog gekozen aan die door Dangendorf et al. (2014), Baart et al. (2019) en Gerkema en Duran-Matute (2017), namelijk zonale en meridionale windschering, die samen de windvector beschrijven met een gekwadrateerde windsnelheid (zie modelbeschrijving in Baart et al. 2019, pag. 51). Daarnaast speelt luchtdruk een belangrijke rol en in veel mindere mate neerslag.

Alle variabelen zijn ontleend aan zogenaamde 're-analysis' berekeningen (20th Century reanalysis v2), en gelden in een gridbox in de Noordzee met coördinaten lon [0,94; 2,81] en lat [55,24; 57,14]. De data zijn gedownload van de Climate Explorer website van het KNMI. Het tijdreeksmodel verklaart 65% van de variaties rond de trend langs de Nederlandse kust. Gevonden is dat de trend niet verandert door de uitbreiding van het trendmodel met extra variabelen. De trend blijft lineair, ook na uitbreiding van het tijdreeksmodel.

Hoe verhoudt zich dit resultaat tot de ons omringende landen? Wahl et al. (2011) vonden voor de Duitse Bocht dat stations die het dichtst bij Nederland liggen, een lineair patroon volgen, maar dat de meer noordelijk gelegen stations een (lichte) versnelling laten zien in recente jaren. Ook langs de Belgische kust is een lineaire trend waargenomen (Verwaest, 2005).

Wahl et al. (2013) analyseren een 30-tal stations langs de Europese kust, inclusief de Noordzeekust. Zij presenteren lineaire trends voor alle stations. Hun schattingen voor stations langs de Nederlandse kust komen overeen met de resultaten die hier gepresenteerd worden (figuur 2 en tabel 1 in het artikel van Wahl et al.). Wahl et al. vinden geen duidelijke aanwijzingen voor versnellingen door toepassing van andere type trends. Wel vinden zij trendverschillen indien kortere periodes worden genomen, zoals de periode 1993-2011. Maar zij presenteren dit niet als 'bewijs' voor versnelling. Enkele lage waarden aan het begin en enkele hoge waarden aan het eind van een reeks kunnen dit ook verklaren. Overigens passen Wahl et al. geen modellering toe op hun reeksen waarbij luchtdruk en variaties in windsnelheid en windrichting op de Noordzee worden meegenomen. De resultaten van Verwaest en Wahl et al. komen overeen met de resultaten van Dangendorf et al. (2019) die geen significante versnelling zien voor stations langs de Noordzee-kusten.

De mondiale zeespiegelcijfers uit de tweede figuur zijn afkomstig uit de studies van Church en White (2011), Dangendorf et al. (2019) en AVISO (2020). Data zijn opgevraagd bij de auteurs of gedownload van de Climate Explorer website van het KNMI (AVISO).

De getoonde schattingen van de eerste twee studies zijn samengesteld op basis van een combinatie van modellen en metingen. Dit is nodig omdat metingen alleen niet voldoende zijn, zeker vóór 1950. Rond het jaar 1900 bedraagt het geselecteerde aantal stations 50 met op het zuidelijk halfrond slechts enkele meetpunten. Rond 1950 is het aantal peilstations mondiaal opgelopen naar 140 stations. Verder liggen peilstations voor een groot deel langs kusten en zelden op eilanden verspreid over de oceanen, zoals bijvoorbeeld het peilstation op Hawaii.

Bij hun modellering hebben Church en White daarom gebruik gemaakt van peilstations en satelliet-gegevens vanaf 1993 om mondiale interpolaties te verkrijgen. Dangendorf et al. hebben naast peilstations patronen van gravitatieveranderingen door ijs-afsmelting gebruikt om te komen tot hun interpolaties. Dangendorf et al. reconstrueren de mondiale zeespiegel stijging vanuit geselecteerde peilstation en een reeks van correcties voor bodemveranderingen en afsmeltingskarakteristieken. Hun reconstructie is een combinatie van technieken beschreven in Hay et al. (2015) en Dangendorf et al. (2017).
De zeespiegel is niet op alle delen van de oceanen even hoog. Door variaties in watertemperaturen, windsnelheden en in het aardse zwaartekrachtveld vertonen de oceanen een golvend oppervlak (ook als de getijdebewegingen weggemiddeld worden). Zie deze animatie van NASA over de periode 1992-2011, gemaakt op basis van tweewekelijkse satelliet-waarnemingen.

De wereldkaart met trends over de periode 1993-2020 is afkomstig van NOAA. Zie hier, en hier voor het wereldgemiddelde op basis van satellieten. De lineaire trend in de mondiale curve wordt geschat op 3,0 ± 0,4 mm/jaar.

Voor een analyse van zeespiegelstijging langs de Europese kusten verwijzen we naar de site European Environment Agency (EEA). Hier worden zowel de relatieve als de absolute zeespiegelstijgingen getoond (hun figuren 2 en 3) en ook voorspellingen voor de periode 2081-2100 voor twee scenario's (hun figuur 5).

Basistabel

Afkomstig van Deltares. Data zijn te downloaden van de PSMSL-website (Holgate et al. 2013). Deze waarden kunnen omgerekend worden van het PSMSL-referentiesysteem naar [cm relatief ten opzichte van NAP] door van de waarden 6914 af te trekken en te delen door 10.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

jaarlijks

Achtergrondliteratuur

AVISO (2020). Data and additional information can be downloaded from the KNMI Climate Explorer.
Church, J.A., P.L. Woodworth, T. Aarup and W.S. Wilson (2010). Understanding sea-level rise and variability. Wiley-Blackwell, UK.
Dangendorf, S., M. Marcos, G. Wöppelmann, C.P. Conrad, T. Frederikse and R. Riva (2017). Reassessment of 20th century global mean sea level rise. PNAS, 114(23), 5946-5951.
Gerkema, T. and M. Duran-Matute (2017). Interannual variability of mean sea level and its sensitivity to wind climate in an inter-tidal basin. Earth Syst. Dynamics, 8, 1223-1235.
Hay, C.C., E. Morrow, R.E. Kopp and J.X. Mitrovica (2015). Probabilistic reanalysis of twentieth-century sea-level rise. Nature 517, 481-484.
Holgate, S.J., et al. (2013). New data systems and products at the Permanent Service for Mean Sea Level. Journal of Coastal Research 29(3), 493-504.
Onselen, K.I. van (2000). The influence of data quality on the detectability of sea-level height variations. Publications on Geodesy 49, TU Delft, 2000.
Van der Hoek Ostende, E. and J. van Malde (1989). De invloed van de bepalingswijze op de berekende gemiddelde zeestand. Technical report, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, dienst getijdewateren. Nota GWAO-89.006.
Visser, H. (2004). Estimation and detection of flexible trends. Atm. Environment, 38, 4135-4145.
Visser, H., S. Dangendorf and A.C. Petersen (2015). A review of trend models applied to sea level data with reference to the "acceleration-deceleration debate". Journal of Geophysical Research: Oceans 120, 3873-3895.
Visser, H., S. Dangendorf, D.P. van Vuuren, B. Bregman and A.C. Petersen (2018). Signal detection in global mean temperatures after "Paris": an uncertainty and sensitivity analysis. Climate of the Past, 14, 139-155.
Wahl, T., J. Jensen, T. Frank and I.D. Haigh (2011). Improved estimates of mean sea level changes in the German bight over the last 166 years. Ocean dynamics, 61, 701-715.
Wahl, T., I.D. Haigh, P.L. Woodworth, F. Albrecht, D. Dillingh, J. Jensen, R.J. Nicholls, R. Weisse and G. Wöppelmann (2013). Observed mean sea level changes around the North sea coastline from 1800 to present. Earth-Science Reviews 124, 51-67.

Opmerkingen

Door compactie van de diepere ondergrond onder invloed van de vorming van duinen kan theoretisch lokaal in het kustgebied een bodemdaling optreden van meer dan 20 cm per eeuw. Omdat deze sterke daling direct samenhangt met de jonge duinen, zal de compactie-gedreven daling zich echter niet of nauwelijks voordoen buiten de grenzen van het duingebied. De bodemdaling door compactie uit de kust en mogelijk zelfs op het strand zal daarom op dit moment zeer gering of afwezig zijn (Hijma en Kooi, 2018). De bodemstijging door het recentelijk afsmelten van ijs op Groenland zoals beschreven in Riva et al. (2017), verdient nader onderzoek.
Alle genoemde marges betreffen het 95% betrouwbaarheidsinterval (2-sigma), tenzij anders vermeld.

Betrouwbaarheid

Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust en mondiaal, 1890-2018 (indicator 0229, versie 11 , 1 oktober 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.