Compendium voor de Leefomgeving
547 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Klimaatverandering

Zeespiegelstand langs de Nederlandse kust en mondiaal, 1891-2012

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De zeespiegel voor de Nederlandse kust is in ruim 120 jaar gelijkmatig gestegen met circa 23 cm, ofwel een verandering met 1,9 mm/jaar. Dit komt in grote lijnen overeen met de wereldwijde stijging van de zeespiegel van circa 21 cm over dezelfde periode.

Zeespiegel langs de Nederlandse kust stijgt 122 jaar zeer gelijkmatig

Rijkswaterstaat heeft de beschikking over een zestal zeer oude meetstations langs de Noordzeekust. Deze stations zijn Delfzijl, Harlingen, Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland en Vlissingen. De oudste metingen zijn voor station Vlissingen en dateren van 1862. Echter, de metingen worden pas betrouwbaar vanaf 1891. Vanaf dat jaar worden alle metingen geautomatiseerd verzameld. Bovendien zijn de metingen ten opzichte van NAP vanaf dat jaar beter geborgd.

De trend in de zeespiegeldata blijkt een gelijkmatig patroon te vertonen over de hele meetreeks 1891-2012. In jargon wordt dit gelijkmatige patroon aangeduid met de term lineair. De jaarlijkse verandering bedraagt 1,86 ± 0,15 mm per jaar. Over de hele periode gezien is de zeespiegel gestegen met bijna 23 cm. Zie figuur.

Geen versnelde zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust

Analyse van de samengestelde meetreeks langs de Nederlandse kust laat geen versnelling zien, ook niet in recente jaren. Met 'versnelling' wordt bedoeld dat de trend in zeespiegeldata niet meer lineair verloopt, maar een afwijking van deze lijn vertoont. Een positieve afwijking duidt op een versnelling, een negatieve afwijking op een vertraging. Dit resultaat stemt overeen met twee andere recente publicaties, namelijk Baart et al. (2012) en Wahl et al. (2013).

Zeespiegelstanden Nederlandse kust vergeleken met Europese stations

Omdat door klimaatverandering een versnelling van de zeespiegelstijging te verwachten is, is gekeken naar patronen bij andere Europese kuststations. Daartoe zijn alle Nederland omringende kuststations bekeken met metingen vanaf 1950 of ouder. De stations liggen van Spanje tot Noorwegen. Daarbij zijn stations in de Oostzee weggelaten vanwege sterke bodemstijgingen in dat gebied (het terugveren van de bodem door het verdwijnen van het ijs aan het einde van de laatste ijstijd).

Op deze wijze zijn 28 kuststations geselecteerd en vergeleken met het patroon in de zes Nederlandse kuststations over de periode 1950-2011. Ook de Europese reeks vertoont een gelijkmatig, lineair verloop. De figuur met Europese data laat het verloop zien tussen het gemiddelde van de Nederlandse stations en het gemiddelde van alle 28 stations (waaronder ook de Nederlandse). Beide reeksen laten een vergelijkbaar lineair patroon zien (de zogenaamde correlatiecoëfficiënt tussen beide reeksen is 0.97).

Het ontbreken van een versnelling is consistent met resultaten uit België (Verwaest, 2005), maar wijkt enigszins af van een analyse van 13 peilmeetstations in de Duitse Bocht (Wahl et al., 2011). Wahl et al. vinden weliswaar dat stations die het dichtst bij Nederland liggen, een lineair patroon volgen maar dat de meer noordelijk gelegen stations een (lichte) versnelling laten zien in recente jaren.

Wahl et al. (2013) analyseren een 30-tal stations langs de Europese kust, vergelijkbaar met de 28 stations die hier gekozen zijn. Zij presenteren lineaire trends voor alle stations. De schattingen voor stations langs de Nederlandse kust komen goed overeen met de resultaten die hier gepresenteerd worden (zie figuur 2 en tabel 1 in het artikel van Wahl et al.).

Wereldwijde zeespiegelstijging

De trendmatige mondiale zeespiegelstijging over de periode 1900-2009 bedraagt 1,7 ± 0,3 mm per jaar (Church en White, 2011). Over de periode 1961-2009 rapporteren zij een iets sterkere lineaire toename namelijk 1,9 ± 0,4 mm per jaar. Deze zeespiegelreeks is gebaseerd op een reconstructie van de mondiale zeespiegelstijging waarbij gebruik gemaakt is van data van kustmeetstations en satellietgegevens. Deze waarden komen overeen met een andere studie naar mondiale zeespiegelstijging, namelijk die van Ray en Douglas (2011).

De reeks van Church en White is weergegeven in de derde figuur. De aangegeven onzekerheden zijn ook door hen afgeleid (1-sigma onzekerheden). Het aantal peilstation-meetpunten varieert in de tijd. Rond het jaar 1900 bedraagt het geselecteerde aantal stations 50; rond 1950 is dit aantal opgelopen naar 140 stations. Omdat elk meetstation zijn eigen referentiepunt heeft (vergelijkbaar met het NAP), heeft de reconstructie als geheel geen absoluut ijkpunt. In de getoonde figuur hebben we de 1990-waarde op nul gesteld. In de literatuur worden soms andere nulpunten gekozen. De keuze van dit nulpunt heeft geen invloed op de trend in de metingen.

Het patroon van de mondiale zeespiegel verloopt niet geheel lineair. Over de periode 1930-1950 en 1993-2008 bedraagt de toename rond de 3.0 mm per jaar (Woodworth et al., 2009; Church en White, 2011; Ray en Douglas, 2011). De toename van na 1993 komt goed overeen met de zeespiegelstijging gevonden uit satellietwaarnemingen (Nerem et al. 2010 en de website http://sealevel.colorado.edu/). In satellietwaarnemingen wordt een lineaire trend gevonden met een toename van 3.2 ± 0.4 mm per jaar over de periode 1993-2012. Zie derde figuur.

Overigens is de zeespiegel niet even hoog op alle delen van de oceanen. Door variaties in watertemperaturen, windsnelheden en variaties in het aardse zwaartekrachtveld vertonen de oceanen een golvend oppervlak (ook als de getijdebewegingen weggemiddeld worden). Zie Church et al. (2010). Twee-wekelijkse opnames van satellieten laten dat goed zien. Zie bijvoorbeeld de volgende animatie met twee-wekelijkse zeespiegelstijgingen over de periode 2003-2008:

Hoe zijn jaar-op-jaar variaties langs de Nederlandse kust te verklaren?

De jaar-op-jaar variaties in de zeespiegelstand kunnen aanzienlijk zijn (zie eerste figuur). Die variaties worden veroorzaakt door jaar-op-jaar verschillen in windsnelheden, windrichting (met hogere waterstanden bij meer westelijke winden), luchtdruk, watertemperatuur en zoutgehalten onder invloed van instroom van rivieren. Ook bevatten de jaargemiddelde data een negentienjarige cyclus die veroorzaakt wordt door de afwijking van het baanvlak van de maan ten opzichte van het baanvlak van de aarde (de knopen- of drakencyclus). Zie Baart et al. (2012).

Als de trend in de zeespiegelstanden langs de Nederlandse kust opnieuw wordt geschat met daarbij de invloed van westelijke winden en de knopencyclus meegenomen, dan vinden we wederom een lineaire trend met een jaarlijkse toename van 1.86 mm per jaar. De invloed van westelijke winden kan een groot deel van de jaar-op-jaar-variatie verklaren. Zo was in het jaar 1967 de jaargemiddelde waterstand 6.6 cm hoger dan de verwachte trendwaarde. In dat jaar was het aantal dagen met westelijke winden zeer hoog, namelijk 277 dagen. In het jaar 1947 was de waterstand juist 6.1 cm lager dan de verwachte trendwaarde. In dat jaar was het aantal dagen met westenwind zeer laag, namelijk 181 dagen.

De invloed van de knopencyclus geeft een verhoging van de trendwaarde met maximaal 3,0 cm en een verlaging met maximaal 2.2 cm. Zie figuur voor de gecombineerde invloed van westelijke winden en knopencyclus.

Is de trend langs de Nederlands kust te verklaren uit lokale factoren?

Het trendmatige patroon over de periode 1891-2012 is voor een klein deel te verklaren uit factoren die lokaal langs de Nederlandse kust invloed hebben. Voor het grootste deel wordt de trend verklaard uit factoren die op wereldschaal spelen (Katsman et al., 2011).

De eerste lokale factor is een bodemdaling over eeuwen. Deze daling is het gevolg van een herstel van de bodem na het wegsmelten van de ijskappen aan het einde van de laatste ijstijd (Peltier, 1999). De bodemdaling wordt voor de Nederlandse kust geschat op 0,19 mm per jaar. Als we deze lokale bodemdaling verdisconteren in de jaarlijkse toename van 1,86 mm per jaar dan vinden we een toename met 1.67 mm/jaar, een waarde die zeer goed overeenstemt met de stijging in de mondiale zeespiegel.

Een tweede lokale factor is een luchtdrukverandering over de afgelopen eeuw (Ponte, 2006). Of zo'n luchtdrukverandering heeft plaats gevonden langs de Nederlandse kust, is afgeleid uit de historische luchtdruk-dataset HadSLP2.0r, afkomstig van het Britse Hadley Centre. Het blijkt dat de luchtdruk over de periode 1891-2012 trendmatig toegenomen is met 0,43 mbar. Dat is omgerekend een verlaging van de zeespiegel van 0,04 mm per jaar. Op de jaarlijkse toename van 1.86 mm per jaar is deze bijdrage gering.

De conclusie is dat het trendmatige patroon van zeespiegelstanden slechts voor een klein deel te verklaren is uit lokale omstandigheden.

Mondiale factoren

Het overige deel is te verklaren uit de stijging van de mondiale zeespiegel. De stijging daarin wordt verklaard uit vijf bijdrages:

  • thermische uitzetting van opwarmend zeewater,
  • het wereldwijd smelten van gletsjers en kleine ijskappen,
  • het smelten van de ijskap op Groenland,
  • het smelten van landijs op Antartica en
  • het gebruik van grondwater.


Opgemerkt zij dat het smelten van drijvend ijs geen bijdrage heeft aan de zeespiegelstijging. Zie IPCC (2007) en Church et al. (2010) voor details.
Recente schattingen voor de bijdrage van deze factoren worden gegeven door Hanna et al. (2013). De grootste bijdrage is die van gletsjers en kleine ijskappen. Over de periode 1992-2011 wordt die bijdrage geschat op 1,40 ± 0,16 mm per jaar. Daarna is de bijdrage van thermische uitzetting het grootst, namelijk 1,10 ± 0,43 mm per jaar. De bijdrage van het landijs op Groenland en Antartica wordt geschat op 0,59 ± 0,20 mm per jaar. De bijdrage van het gebruik van grondwater dat via rivieren de oceanen bereikt, blijkt gering: 0,02 ± 0,26 mm per jaar.

Als gekeken wordt over de kortere en meer recente periode 2000-2011, dan treden duidelijke verschuivingen op: meer smeltwater van Groenland en Antartica en minder van gletsjers en kleine ijskappen.

Is er een versnelling van de mondiale zeespiegelstijging?

De literatuur over zeespiegelrijzing is niet geheel eensluidend op het punt van versnellingen. Wel zijn onderzoekers het eens over de ontwikkelingen tot aan het jaar 1990. Church en White (2011) melden een versnelling van de mondiale zeespiegelstijging in de door hen gereconstrueerde mondiale tijdreeks. Vóór 1930 bedroeg de zeespiegelstijging rond de 1,0 mm per jaar. Vanaf eind jaren dertig tot de late jaren vijftig lag de mondiale zeespiegelversnelling net boven de 2,0 mm per jaar. Vanaf de late jaren vijftig tot halverwege de jaren tachtig steeg de zeespiegel gemiddeld minder dan 2,0 mm per jaar. Holgate (2007) en Woodworth et al. (2009) bevestigen de versnelling van de mondiale zeespiegelstijging rond 1920-1930 en de vertraging rond 1960.

Na 1990 vinden Church en White (2011) een mondiale zeespiegelverandering die vrijwel gelijk is aan de door satellieten gemeten toename, namelijk van 2,8 ± 0.8 mm per jaar. Merrifield et al. (2009) vinden een iets hogere jaarlijkse toename, namelijk 3,2 ± 0,4 mm/jaar. De hogere jaarlijkse zeespiegelstijging na 1990 wordt voornamelijk bepaald door sterkere stijgingen in de tropische oceanen en de oceanen op het Zuidelijk halfrond, stellen zij.

Daarentegen vindt Holgate (2007) geen signaal van een versnelling na 1990 (klein aantal zorgvuldig geselecteerde vlotter-meetreeksen). Zie verder Woodworth et al. (2009) voor een overzicht. In deze publicatie wordt de wel of niet aanwezige versnelling na 1990 in het midden gelaten; de onderzoekers pleiten voor meer onderzoek op dit punt. Ray en Douglas (2011) vinden een toename na 1995 van 3.0 mm per jaar. Maar zij vinden dezelfde versnelling in de periode 1930-1950.

De satellietreeks uit de figuur met mondiale data laat zien dat de trend in de mondiale zeespiegelstijging over de hele periode lineair verloopt. De jaarlijkse toename bedraagt de eerder genoemde 3,2 ± 0,4 mm/jaar. De reeks laat dus geen versnelling zien over deze relatief korte periode. Wel stemt de toename overeen (binnen onzekerheidsmarges) met de toename gevonden in reconstructies voor de mondiale zeespiegelstand over dezelfde periode.

Geconcludeerd kan worden dat de mondiale zeespiegel sinds 1992 een versnelling vertoont ten opzichte van het patroon over meer dan een eeuw gezien. Een aantal onderzoekers vinden een vergelijkbare zeespiegeltoename in de periode 1930-1950. Een langere meetreeks is daarom nodig om te zien of de huidige veranderingen (rond de 3 mm per jaar) in de toekomst versneld gaat doorzetten. Gezien de verwachte opwarming van de aarde is zo'n versnelling zeer waarschijnlijk (IPCC, 2007; Katsman et al., 2011).

Referenties

  • Baart, F., P.H.A.J.M. van Gelder, J. de Ronde en M. van Koningsveld (2012). The effect of the 18.6-year lunar nodal cycle on regional sea-level rise estimates. Journal of Coastal Research 28(2), 511-516.
  • Church, J.A., P.L. Woodworth, T. Aarup en W.S. Wilson (2010). Understanding sea-level rise and variability. Wiley-Blackwell, UK.
  • Church, J.A. and N.J. White (2011). Sea-level rise from the late 19th to the early 21st century. Surveys in Geophysics 32, 585-602.
  • Hanna, E., F.J. Navarro, F. Pattyn, C.M. Domingues, X. Fettweis, E.R. Ivins, R.J. Nicholls, C. Ritz, B. Smith, S. Tulaczyk, P.L. Whitehouse, H.J. Zwally (2013). Ice-sheet mass balance and climate change. Nature 498, 51-59.
  • Holgate, S.J. (2007). On the decadal rates of sea level change during the twentieth century. GRL, vol. 34, doi:10.1029/2006GL028492.
  • Holgate, S.J., et al. (2013). New data systems and products at the Permanent Service for Mean Sea Level. Journal of Coastal Research 29(3), 493-504.
  • IPCC (2007). Contribution of Working Group I to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change, 2007. Chapter 5.5 and table 5.3. Solomon, S., D. Qin, M. Manning, Z. Chen, M. Marquis, K.B. Averyt, M. Tignor and H.L. Miller (eds.). Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA.
  • Katsman, C.A. et al. (2011). Exploring high-end scenarios for local sea level rise to develop flood protection strategies for a low-lying delta - the Netherlands as an example. Climatic Change 109(3-4), 617-645.
  • Kooi, H., P. Johnston, K. Lambeck, C. Smither and R. Molendijk (1998). Geological causes of recent (100 yr) vertical land movement in the Netherlands. Tectonophysics, vol. 299(4), 297-316.
  • Kooi, H. (2008). Compactiebijdragen aan de bodemdaling langs de kust. In: Bodemdaling langs de Nederlandse kust. Case Hondsbossche en Pettemer zeewering. Edited by: F.B.J. Barends, D. Dillingh, R. Hanssen and K. Van Onselen. Delft University Press. ISBN: 978-90-5199-521-3.
  • Merrifield, M.A., S.T. Merrifield and G.T. Mitchum (2009). An anomalous recent acceleration of global sea level rise. Journal of Climate, 22, 5772-5781.
  • Ponte, R.M. (2006). Low-frequency sea level variability and the inverted barometer effect. Journal of Atmospheric and Oceanic Technology 23, 619-629.
  • Ray, R.D. en B.C. Douglas (2011). Experiments in reconstructing twentieth-century sea levels. Progress in Oceanography 91, 496-515.
  • Wahl, T., J. Jensen, T. Frank and I.D. Haigh (2011). Improved estimates of mean sea level changes in the German bight over the last 166 years. Ocean dynamics, 61, 701-715.
  • Wahl, T., I.D. Haigh, P.L. Woodworth, F. Albrecht, D. Dillingh, J. Jensen, R.J. Nicholls, R. Weisse en G. Wöppelmann (2013). Observed mean sea level changes around the North sea coastline from 1800 to present. Earth-Science Reviews 124, 51-67.
  • White, N.J. (2009). Website Sea level rise. Understanding the past - improving projections for the future. CSIRO and ACECRC. Global Mean Sea Level 1870-2008. Figure updated 28 Oct 2009.
  • Woodworth, P., N.J. White, S. Jevrejeva, S.J. Holgate, J.A.. Church, W.R. Gehrels (2009). Evidence for the accelerations of sea level on multi-decade and century timescales. Int. J. Climatology 29,777-789. doi:10.1002/joc.1771.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Zeespiegelstand langs de Nederlandse kust

Omschrijving

Zeespiegel Nederland en wereldwijd, gemiddelde jaarlijkse niveau. Data Nederland: 1891-2008.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving, data van Rijkswaterstaat-Waterdienst, helpdesk water

Berekeningswijze

De zes meetstations waarvoor het gemiddelde langs de Nederlandse kust is berekend, zijn: Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Den Helder, Harlingen en Delfzijl. De metingen zijn uitgevoerd met zogenaamde vlotter-niveaumeters ofwel peilschrijvers, over de hele periode. Kleine hiaten zijn opgevuld met geïnterpoleerde waarden. De overbrenging naar NAP heeft een foutmarge van maximaal 2 cm.
De datareeks kan in principe geconstrueerd worden vanaf 1865. Om drie redenen is gekozen om de reeks te tonen vanaf 1891:
In de periode 1865-1880 werd handmatige aflezing vervangen door geautomatiseerde peilschrijvers.
Het NAP werd ingevoerd in 1891 na een grondige analyse van het AP (Amsterdams Peil) in de periode 1875-1885.
De stations Vlissingen en IJmuiden vertonen een sterke inhomogeniteit rond 1885.

Het NAP-merkpunt is in 1953 verankerd op een hardere onderlaag middels een 22 meter lange heipaal op de Dam in Amsterdam. Niet geheel duidelijk is of deze verankering in 1953 een trendbreuk in de zeespiegelstijgingsdata tot gevolg heeft gehad. Aangenomen wordt dat de invloed van deze verankering gering is.

De data van de zes meetstations zijn betrokken van de PSMSL-database (Holgate et al., 2013). Deze data worden door Rijkswaterstaat verzameld, gecorrigeerd en daarna geleverd aan deze database.

Overigens zijn de trends in individuele stations niet gelijk. Wel is de trend steeds lineair. De trendmatige toename met daarbij2-sigma betrouwbaarheidsintervallen, zijn:

Delfzijl: 1,89 ± 0,20 mm per jaar
Harlingen: 1,25 ± 0,19 mm per jaar
Den Helder: 1,46 ± 0,17 mm per jaar
IJmuiden: 2,09 ± 0,19 mm per jaar
Hoek van Holland: 2,34 ± 0,17 mm per jaar
Vlissingen: 2,14 ± 0,16 mm per jaar
Alle zes stations gemiddeld: 1,86 ± 0,16 mm per jaar

Er is geen duidelijke verklaring voor de gevonden verschillen in individuele stations. De lage waarde voor Harlingen is misschien te verklaren uit stromingspatronen in de Waddenzee.

De in de eerste figuur weergegeven zeespiegelstanden zijn relatief ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) en wordt ook wel de relatieve zeespiegelstijging genoemd omdat deze het verschil aangeeft tussen de absolute zeespiegelstijging en de beweging van de diepere ondergrond van Nederland (om precies te zijn op de Dam in Amsterdam).

De diepere ondergrond van Nederland waar het NAP-peil op is verankerd, vertoont een postglaciale bodemdaling van circa 0 cm per eeuw in Zeeland tot circa 3 cm per eeuw in de kop van Noord-Holland, Friesland en Groningen. Voor de getoonde reeks van zes stations bedraagt de bodemdaling 0,19 mm/jaar. Deze daling verloopt over de periode 1891-2012 lineair en kan daarom afgetrokken worden van de stijging met 1,86 mm/jaar om de reeks te corrigeren voor bodemdaling.

Bodemdalinggegevens voor de Nederlandse kust kunnen afgelezen worden uit de database van Peltier: http://www.psmsl.org/train_and_info/geo_signals/gia/.

Daarnaast daalt het bovenste deel van de bodem in Nederland door menselijk handelen, zoals ontwatering van veengebieden en aardgaswinning. Deze daling is echter niet van invloed op de hier getoonde relatieve zeespiegelstijging.

De data voor de 28 Europese stations zijn genomen uit de PSMSL-database (zie Holgate et al., 2013).

In de vierde figuur zijn de jaar-op-jaar variaties in zeespiegelstanden verklaard uit het aantal dagen met westelijke winden. Deze data zijn afkomstig van het station Den Helder (1906 tot heden). Andere factoren die de jaarlijkse zeespiegelstanden langs de Nederlandse kust beïnvloeden, zijn de zogenaamde NAO-index en AMO-index.

NAO staat voor 'North-Atlantic Oscillation' en de hiervoor afgeleide index geeft het luchtdrukverschil bij een depressie bij IJsland en een hogedrukgebied bij de Azoren (http://www.knmi.nl/cms/content/27899/noord-atlantische_oscillatie). De invloed van de NAO-index valt weg ten opzichte van de invloed van westelijke winden.

AMO staat voor de 'Atlantic Multidecadal Oscillation' en de hiervoor afgeleide index is vooral gebaseerd op watertemperaturen in de Noord Atlantische oceaan. Voor de AMO-index geldt hetzelfde als voor de NAO-index: er is een geringe invloed op de zeespiegel langs de Nederlandse kust, maar die valt weg als de invloed van westelijke winden meegenomen wordt in het tijdreeksmodel.

Tenslotte speelt ook de jaargemiddelde luchtdruk een rol. Zie bijvoorbeeld Wahl et al. (2013).
Trends en de invloed van externe factoren in data langs de Nederlandse kust zijn geschat met het tijdreeks-softwarepakket TrendSpotter (Visser, 2004; Visser en Petersen, 2012).

Basistabel

Afkomstig van Rijkswaterstaat, helpdesk Water.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Holgate, S.J., et al. (2013). New data systems and products at the Permanent Service for Mean Sea Level. Journal of Coastal Research 29(3), 493-504.
Church, J.A., P.L. Woodworth, T. Aarup en W.S. Wilson (2010). Understanding sea-level rise and variability. Wiley-Blackwell, UK.
K.I. van Onselen (2000). The influence of data quality on the detectability of sea-level height variations. Publications on Geodesy 49, Delft, 2000.
Van der Hoek Ostende, E. and Van Malde, J. (1989). De invloed van de bepalingswijze op de berekende gemiddelde zeestand. Technical report, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, dienst getijdewateren. Nota GWAO-89.006.
Kooi, H. (2008). Compactiebijdragen aan de bodemdaling langs de kust. In: Bodemdaling langs de Nederlandse kust. Case Hondsbossche en Pettemer zeewering. Edited by: F.B.J. Barends,
D. Dillingh, R. Hanssen and K. Van Onselen. Delft University Press. ISBN: 978-90-5199-521-3.
Visser, H. (2004). Estimation and detection of flexible trends. Atm. Environment, 38, 4135-4145.
Visser, H. en A.C. Petersen (2012). Inferences on weather extremes and weather-related disasters: a review of statistical methods. Climate of the Past 8, 265-286. http://www.clim-past.net/8/265/2012/cp-8-265-2012.pdf

Wahl, T., I.D. Haigh, P.L. Woodworth, F. Albrecht, D. Dillingh, J. Jensen, R.J. Nicholls, R. Weisse en G. Wöppelmann (2013). Observed mean sea level changes around the North sea coastline from 1800 to present. Earth-Science Reviews 124, 51-67.

Opmerking

1. Door compactie van de diepere ondergrond onder invloed van de vorming van duinen kan theoretisch lokaal in het kustgebied een bodemdaling optreden van meer dan 20 cm per eeuw. Omdat deze sterke daling direct samenhangt met de jonge duinen, zal de compactie-gedreven daling zich echter niet of nauwelijks voordoen buiten de grenzen van het duingebied. De bodemdaling door compactie uit de kust en mogelijk zelfs op het strand zal daarom op dit moment zeer gering of afwezig zijn (Kooi, 2008).
2. Voor meer informatie over de meetreeks van de mondiale zeespiegelstijging, zie:
Website van Neil White (CSIRO): Sea level rise. Understanding the past - improving projections for the future. Global Mean Sea Level 1880-2009.
Website van de Sea Level Research Group of the University of Colorade: http://sealevel.colorado.edu/. Zeespiegelstijging bepaald met satellieten.

Betrouwbaarheid

Alle genoemde marges betreffen het 95% betrouwbaarheidsinterval (2-sigma). Zie 'Berekeningswijze' voor een analyse van de trend van de individuele stations.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2013). Zeespiegelstand langs de Nederlandse kust en mondiaal, 1891-2012 (indicator 0229, versie 08 , 24 september 2013 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Read in English Print pagina Download PDF
Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.