Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Ozonconcentraties en vegetatie, 1990-2007

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De ozonconcentraties in Nederland blijven sinds 1995 ruim onder de streefwaarde voor de bescherming van de vegetatie. Sinds 2000 treedt geen verdere daling in de ozonconcentraties op.

Streefwaarde voor de bescherming van de vegetatie

De Europese Unie heeft voor de bescherming van vegetatie een streefwaarde voor ozon (O3) in lucht vastgesteld. De streefwaarde is uitgedrukt als een zogenoemde AOT40. AOT40 staat voor Accumulated Ozone exposure over a Threshold of 40 ppb(=80 µg/m3 ). Het is een voor vegetatie relevante maat om ozonconcentraties in uit te drukken. De AOT40 houdt rekening met zowel de mate van overschrijding van de drempelwaarde van 40 ppb ozon als met de tijdsduur van de overschrijding. De berekening van de AOT40 vindt plaats op basis van ozonconcentraties in de drie zomermaanden mei tot en met juli, voor het tijdvak van 8 tot 20 uur Midden-Europese Tijd. De streefwaarde is 18.000 (µg/m3) x uur, gemiddeld over vijf jaar. Middeling vindt plaats over het betreffende jaar en de vier voorafgaande jaren. De streefwaarde moet in 2010 zijn bereikt. Er is ook een langetermijndoelstelling van 6.000 (µg/m3) x uur vastgesteld, waarbij het jaar 2020 als richtjaar geldt. De streefwaarde geldt voor een kalenderjaar.

Ozon en vegetatie

Natuurlijke vegetatie maar ook landbouwgewassen ondervinden nadelige gevolgen als ze blootgesteld worden aan ozon. Belangrijkste effecten zijn een verminderde gewasopbrengst en bladbeschadiging. In de EU25 wordt de schade aan landbouwgewassen door ozon geschat op 2,8 miljard euro (cijfers voor het jaar 2000) .

De situatie in 2007

In 2007 waren in Nederland, net als in de rest van Europa de ozonconcentraties uitzonderlijk laag. Gemiddeld over Nederland lag de AOT40-ozonconcentratie tijdens de zomer van 2007 met een waarde van 5.000 (µg/m3) x uur zelfs onder de langetermijndoelstelling van 6000 (µg/m3) x uur. De landelijk gemiddelde AOT40 waarde was in 2007, samen met de waarde in 2002 de laagste gedurende de afgelopen 15 jaar. In 2006 daarentegen zijn de hoogste waarden gedurend een periode van meer dan tien jaar gemeten. Dit illustreert de sterke veranderingen van jaar tot jaar als gevolg van de verschillen in weersomstandigheden.
 
De ruimtelijke verschillen in concentratie over Nederland zijn in 2007 minder groot dan gebruikelijk. In verreweg het grootste deel van Nederland liggen de AOT40 waarden tussen 4.000 en 6.000 (µg/m3) x uur. Hogere concentraties worden, zoals gebruikeliijk, in zuidoost Nederland gevonden. Opvallend is de hoge waarde gemeten in het Friese Kollumerwaard. Van de natuur in Nederland, circa 6.000 km2, is in 2007 circa 88% blootgesteld aan een niveau onder de langetermijndoelstelling van 6.000 (µg/m3) x uur. Overschrijding van de streefwaarde is niet waargenomen.
 
Het voortschrijdend vijfjarig gemiddelde is nauwelijks veranderd ten opzichte van vorig jaar. Gemiddeld over 2003-2007 moet geconstateerd worden dat bij een landelijk gemiddelde AOT40-waarde van 9.300 (µg/m3) x uur voor alle natuur de streefwaarde niet maar de langetermijndoelstelling wel overschreden wordt.

Ozonconcentraties nemen niet langer af

Een trend in ozonconcentraties is door de sterke jaar-op-jaar variaties moeilijk te ontdekken. De vijfjaargemiddelde ozonconcentratie, uitgedrukt als AOT40, is vanaf 1990 sterk gedaald maar vanaf 2000 lijkt het alsof de daling zich niet langer voorzet. De daling van de AOT40 bevestigt de aanwijzingen dat ozonconcentraties hier en elders in Europa in het begin van de jaren negentig zijn gedaald. De meest waarschijnlijke oorzaak hiervoor is de aanzienlijke reductie van de uitstoot van ozonvormende stoffen in Europa. De laatste jaren zien we echter in Nederland, maar ook elders in Europa, geen verdere daling van de ozonconcentraties meer. Toch vindt er toch nog steeds een verdere reductie in uitstoot plaats. Er zijn een aantal mogelijke oorzaken voor het teniet doen van de positieve effecten van Europese emissiereducties: toenemende concentraties van ozon en ozonvormende stoffen door toenemende emissies op het noordelijk halfrond, met name in Azië, veranderingen in de klimatologie, en de chemische interactie tussen ozon en stikstofoxiden op lokale schaal. Hogere temperaturen leidend tot hogere emissies van biogene vluchtige organische stoffen, tot een snellere ozonvorming en - indien gepaard met droogte - tot een verminderde depositie van ozon, spelen mogelijk ook een rol.

Relatie ozonnorm en emissiebeleid

De Europese Unie heeft de streefwaarde voor 2010 gekoppeld aan een maximaal toegestane uitstoot van de ozonvormende stoffen Vluchtige Organische Stoffen (VOS) en stikstofoxiden (NOx) per EU-land. Deze plafonds zijn vastgelegd in de zogenaamde National Emission Ceiling (NEC) richtlijn. Een recente evaluatie laat zijn dat het gestelde emissieplafond voor Vluchtige Organische Stoffen voor de EU25 als geheel waarschijnlijk gehaald zal worden. Hoewel vijf landen aangeven dat zij, met het bestaande beleid, het gestelde plafond naar verwachting niet zullen halen in 2010, ligt de projectie voor de EU25 als geheel 5% onder het gezamenlijke plafond. De situatie voor stikstofoxiden is minder gunstig: Dertien lidstaten geven aan dat ze slechts met additionele maatregelen aan de gestelde plafonds kunnen voldoen. De emissies in de EU25 als geheel blijven in 2010 naar verwachting 8% boven het gezamenlijk gestelde doel.
 
De NEC-richtlijn definieert, naast nationale emissieplafonds, ook tussentijdse milieudoelstellingen. De NEC-richtlijn stelt voor de blootstelling van vegetatie aan ozon een verlaging met een derde in 2010 ten opzichte van de situatie in 1990 voor. Een vergelijking van de vijfjaargemiddelden over de periode 1990/1994 en over 2003/2007 leert dat deze NEC-milieudoelstelling nu al bereikt is. De AOT40-waarden zijn gemiddeld met een kleine 40% afgenomen in deze periode.


CAFE is een programma van de Europese Commissie om de luchtkwaliteit in de Europese Unie te verbeteren tot een niveau waarbij 'geen significant negatieve effecten' meer optreden voor de menselijke gezondheid en het milieu. De CAFE thematische strategie is onderbouwd met berekeningen die zijn uitgevoerd met het RAINS model voor het jaar 2020. RAINS is het model voor luchtverontreiniging dat de Europese Commissie gebruikt voor onderbouwing van nieuw luchtverontreinigingsbeleid. In deze berekeningen is niet de AOT40-waarde voor vegetatie maar de waarde voor bossen geëvalueerd. De kritische waarden voor bossen is 10.000 (μg/m3) x uur. Hierbij wordt gesommeerd over de zes zomermaanden (april-september). De doelstelling voor bossen is strenger dan die voor overige vegetatie. Voor de meeste gebieden in Europa geldt dat, als de kritische waarde voor bossen is gerealiseerd, ook aan de langetermijndoelstelling voor overige vegetatie is voldaan. De RAINS-berekeningen laten zien dat het areaal van het Nederlandse bos waar de kritisch waarde wordt overschreden, van 2000 tot 2020 nauwelijks afneemt.

Onzekerheden

De ozonwaarnemingen hebben een onzekerheid van 15% (bij een betrouwbaarheidinterval van 95%); daarnaast is er sprake van een kleine systematische onderschatting van de concentratie met 4,4%. Nemen we deze fouten in beschouwing dan kan, met zeer grote waarschijnlijkheid, geconcludeerd worden dat op bijna alle meetstations het vijfjarig gemiddelde over de periode 2002-2007 lager is dan de streefwaarde; op een stations is de kans op overschrijding van de streefwaarde ongeveer 30%.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Technische toelichting

De grote jaarlijkse variaties in ozonconcentraties wordt vooral veroorzaakt door een verschil in weersomstandigheden. Tijdens warme dagen met weinig wind, veelal uit oostelijke of zuidelijke richting, zijn de omstandigheden gunstig voor ozonvorming. In jaren met veel zomerse dagen zoals 1994, 1995, 2003 en 2006, komen vaker hoge ozonconcentraties voor dan gedurende jaren met minder zomerse dagen. Om te beoordelen of er sprake is van normoverschrijding wordt een vijfjarig gemiddelde berekend waardoor de invloed van de weersomstandigheden sterk verminderd. Een vijfjarig gemiddelde geeft een beter beeld van structurele veranderingen in AOT40-waarden bijvoorbeeld ten gevolge van het Europese emissiereductiebeleid. Voor het beoordelen van de blootstelling en de mogelijke schade aan natuurlijke vegetatie en landbouwgewassen is daarentegen de actuele AOT40-waarde van belang.De jaar- en vijfjaargemiddelde AOT40 zijn gebaseerd op de resultaten van de metingen op de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2008). Ozonconcentraties en vegetatie, 1990-2007 (indicator 0240, versie 09 , 25 november 2008 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.