Milieubeleid en milieumaatregelen

Geluid: bronnen en beleid

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Wegverkeer en vliegverkeer zijn belangrijke bronnen van geluid in de woonomgeving. Langdurige blootstelling aan geluid kan tot uiteenlopende effecten op welzijn en gezondheid leiden. Hinder en slaapverstoring zijn de meest voorkomende effecten van geluid.

Belangrijkste bronnen van geluidhinder en slaapverstoring

Wegverkeer is de belangrijkste bron van geluidhinder in Nederland, gevolgd door geluid van buren en vliegverkeer (Geluidhinder: ernstige hinder, 1993 - 2003). Bromfietsen zijn van alle geluidsbronnen het meest hinderlijk. Bovendien zijn ze de belangrijkste bron van slaapverstoring, gevolgd door contactgeluiden van de buren (Franssen et al., 2004).
De mate waarin iemand zich gehinderd voelt hangt samen met geluid. Daarnaast spelen ook individuele eigenschappen een rol zoals geluidgevoeligheid, angst voor en houding ten opzichte van de geluidbron (Guski, 1999; Job, 1999; Stallen, 1999). Tenslotte kan de mate van hinder die mensen ondervinden veranderen in de tijd en bovendien afhankelijk zijn van veranderingen die plaatsvinden op en rond de geluidbron (Van Kempen en Van Kamp, 2006).

Effecten van geluid

Langdurige blootstelling aan geluid kan naast effecten op welzijn als hinder en slaapverstoring ook klinische effecten veroorzaken. Er zijn aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan geluid de kans op hartvaatziekten en hoge bloeddruk kan vergroten (Van Kempen et al., 2002). Helaas is het nog niet mogelijk om voor deze effecten betrouwbare blootstelling-effect relaties op te stellen. Ook zijn er aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan geluid kan leiden tot cognitieve effecten zoals verminderde leesvaardigheid bij schoolkinderen (Van Kempen et al., 2005). Een overzicht van de effecten van geluid en andere milieufactoren op gezondheid vindt u Overzicht milieugerelateerde gezondheidsrisico's.

Beleid

In het Eerste Nationaal Milieubeleidsplan was de doelstelling een stabilisatie van het percentage gehinderden in 2000 en een reductie van ernstige hinder naar verwaarloosbare niveaus in 2010 (VROM, 1989). In het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) (VROM, 2001) is deze doelstelling losgelaten. Als enige concrete doelstelling is nu opgenomen dat de grenswaarde van 70 dB(A) op woningen in 2010 niet meer mag worden overschreden. Deze waarde is gekozen vanuit gezondheidskundige overwegingen.
Verder ligt het accent in het NMP4 op akoestische gebiedskwaliteit. In een gebied mogen enkel de geluiden te horen zijn die passen bij de functie ervan. Het Rijk maakt hierbij slechts onderscheid tussen (de woningen in) het stedelijk gebied en de ecologische hoofdstructuur (EHS). Dit houdt bijvoorbeeld in dat in een druk stadscentrum meer geluid is toegestaan dan in een rustige woonwijk of in een natuurgebied. Meer dan in het verleden het geval was, krijgen lokale overheden de vrijheid om per gebied te bepalen aan welke eisen de kwaliteit dient te voldoen.
De akoestische gebiedskwaliteit moet in 2030 zijn gerealiseerd. Voor 2010 gelden als tussentijdse doelstellingen dat de akoestische kwaliteit in het stedelijke gebied al fors is verbeterd en dat deze in de EHS ten opzichte van 2000 niet is verslechterd.

Huidige maatregelen zijn onvoldoende

Met een aantal gerichte maatregelen zoals het plaatsen van geluidsschermen langs snelwegen en het isoleren van woningen tracht de overheid de geluidhinder te reduceren. Daarnaast maakt de Nederlandse overheid zich in Europees verband sterk voor de aanscherping van geluideisen aan nieuwe voertuigen. Ondanks deze maatregelen is de geluidhinder het afgelopen decennium nauwelijks afgenomen en voor enkele bronnen zelfs toegenomen.

Referenties

  • Franssen E.A.M., J.E.F. van Dongen, J.M.H. Ruysbroek, H. Vos, R.K. Stellato (2004) Hinder door milieufactoren en de beoordeling van de leefomgeving in Nederland. Inventarisatie verstoringen 2003. Bilthoven: RIVM. Rapportnummer 8151200001.
  • Guski, R. (1999) Personal and social variables as co-determinants of noise annoyance. Noise and Health. Volume 3: 45-56.
  • Job, R.F.S. (1999). Noise sensitivity as a factor influencing human reactions to noise. Noise and Health. Volume 3: 57-68.
  • Kempen, E.E.M.M. van, and I. van Kamp. Annoyance from air traffic noise. Possible trends in exposure-response relationships (2006). Bilthoven: RIVM. Briefrapport nummer 01/2005 MGO/EvK.
  • Kempen, E.E.M.M. van, I. van Kamp, R.K. Stellato, D.J.M. Houthuijs, P.H. Fischer (2005). Het effect van geluid van vlieg- en wegverkeer op cognitie, hinderbeleving en de bloeddruk van basisschoolkinderen. Bilhoven: RIVM. Rapportnummer 441520021.
  • Kempen, E.E.M.M. van, H. Kruize, H.C. Boshuizen, C.B. Ameling, B.A.M. Staatsen, A.E.M. de Hollander (2002). The association between noise exposure and blood pressure and ischemic heart diseases, a meta-analysis, Environmental Health Perspectives, Volume 110(3: 307-17
  • Stallen, P.J.M. (1999). A theoretical framework for environmental noise annoyance. Noise and Health. Volume 3: 69-79.
  • VROM (1989). Nationaal Milieubeleidsplan 1. Tweede Kamer, Vergaderjaar 1988-1989, 21137, nrs 1-2. SDU Uitgeverij, Den Haag.
  • VROM (2001). Nationaal Milieubeleidsplan 4. Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid. Ministerie van VROM, Den Haag.

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2007). Geluid: bronnen en beleid (indicator 0285, versie 05 , 26 januari 2007 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.