Klimaatverandering

Windvermogen in Nederland, 1990-2020

De capaciteit van de windmolens nam in 2020 fors toe met bijna 48 procent. Deze toename komt vooral door de toename van windmolens op zee. De capaciteit van windmolens op land steeg met 18 procent.

Windvermogen in 2020 fors gegroeid

De capaciteit van de Nederlandse windmolens was eind 2020 6,6 duizend megawatt. Dit is bijna 48 procent meer dan de capaciteit eind 2019. De groei komt vooral door een nieuw windmolenpark op zee. De capaciteit op zee groeide van 957 uit tot 2460 megawatt uit. Op land nam de capaciteit toe met 18 procent. Eind 2020 was de totale capaciteit op land 4159 megawatt.

Subsidies cruciaal voor nieuwe windmolens

Elektriciteitsproductie uit windenergie is vooralsnog duurder dan het produceren van elektriciteit uit aardgas, kolen of nucleaire bronnen. Subsidies voor windenergie zijn daarom cruciaal voor investeerders in windmolens. In 2020 ontvingen de windmolenproducenten voor hun elektriciteitsproductie 767 miljoen euro.

In Flevoland staan de meeste windmolens

Bij de verdeling van de windmolens over het land valt op dat de meeste windmolens in de kustprovincies staan. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving over de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks dat Flevoland niet de meest gunstige windcondities heeft (Geertsema en van den Brink, 2014).

Toekomstplannen wind op land

In 2020 wilde het Rijk 6 duizend megawatt aan opgesteld windvermogen op land hebben gerealiseerd (EL&I, 2011). Dit is inclusief de bestaande windturbines. In juni 2013 hebben de provincies afgesproken hoe ze deze 6 duizend megawatt onderling willen verdelen (IPO, 2013). De provincies spelen vooral een rol bij de verlening van vergunningen. De subsidies blijven een taak van de landelijke overheid. Dit doel is niet behaald, zoals staat beschreven in de Monitor Wind op land (RVO, 2021a). Wel is de verwachting dat het tekort ruimschoots gerealiseerd zal zijn in 2023.

Wind op zee

In 2006 is het eerste windpark op zee in gebruik genomen en in 2008 het tweede.
In 2015 is het derde windmolenpark op zee (Luchterduinen met 129 megawatt) in gebruik genomen. Noordelijk van Schiermonnikoog en Ameland is in 2016 de bouw van twee windparken (Gemini) met een gezamenlijk vermogen van 600 megawatt gerealiseerd. In 2020 is het windpark Borssele in gebruik genomen. Deze heeft een capaciteit van 752 megawatt. Alle parken op zee tezamen produceerden in 2020 36 procent van alle windenergie.
De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. Per saldo was elektriciteit uit wind op zee altijd een stuk duurder dan wind op land (Lensink, 2013).

Toekomstplannen wind op zee

In het Energieakkoord (SER, 2013) is een ambitieuze doelstelling voor wind op zee afgesproken: namelijk 4 450 megawatt totaal in 2023. Dat betekent dat er voor 1 990 megawatt extra aan windparken op zee gesubsidieerd moeten worden. Vanwege de hoge, te verwachten subsidiekosten besteedt het Energieakkoord veel aandacht aan een kostendaling voor wind op zee, welke bereikt zou moeten worden door innovaties en productiviteitswinst bij aanleg van de parken. Die hogere kosten zijn echter steeds minder een beletsel om projecten aan te gaan. In maart 2018 heeft Nuon een tender gewonnen om windparken zelfs zonder subsidie te bouwen in het windenergiegebied Hollandse Kust (RVO, 2018). Dit is herhaald in juli 2019 door Vattenfall (Nuon) dat in het zelfde windenergiegebied de tender wint voor twee andere kavels. (Rijksoverheid, 2019). Met het zogenaamde Noordzeeloket geeft de Rijksoverheid een overzicht van de (verwachte) ontwikkeling van de windparken op zee.

Gegevens over windenergie zijn genormaliseerd

De weergegeven ontwikkeling is op basis van genormaliseerde cijfers. De productie van windenergie is afhankelijk van het aanbod van wind. Op jaarbasis kunnen er flinke fluctuaties zijn. Deze fluctuaties verminderen het zicht op structurele ontwikkelingen. Om deze fluctuaties uit te filteren, zijn normalisatieprocedures gedefinieerd voor elektriciteit uit windenergie.
Voor meer informatie zie 4. Windenergie (cbs.nl).

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Windvermogen in Nederland

Omschrijving

Ontwikkeling van het windvermogen in Nederland (totaal, op land, per provincie en op zee) tussen 1990 en 2019. Doelstellingen 2020 per provincie en doelstelling voor op zee 2023.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Een methodologische verantwoording is te vinden in het rapport Hernieuwbare Energie in Nederland 2020 (cbs.nl) (CBS, 2021a).

Basistabel

StatLine: Windenergie op land; productie en capaciteit per provincie (CBS, 2020).

Geografisch verdeling

Totaal Nederland en provincies (op land); totaal op zee.

Andere variabelen

Aantal windmolens, rotoroppervlak, elektrisch vermogen, aandeel in het totale elektriciteitsverbruik.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Hernieuwbare Energie in Nederland 2020 (cbs.nl) (CBS, 2021a).

Betrouwbaarheidscodering

Integrale enquete.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2021). Windvermogen in Nederland, 1990-2020 (indicator 0386, versie 29 , 21 oktober 2021 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.