Compendium voor de Leefomgeving
462 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Water en milieu

De eutrofiëringstoestand van meren en plassen

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Het emissiereductiebeleid van het Rijn Actie Programma en de Derde Nota Waterhuishouding heeft effect gehad. Nutriënten- en chlorofylconcentraties in ondiepe meren verminderden vanaf 1985. Na 1995 verbeterde ook het doorzicht.

Ontwikkeling in meren en plassen

Meren zijn het meest kwetsbare systeem voor eutrofiëring, dit vanwege de relatief lange verblijftijd van het water en de nutriënten erin. Concentraties van nutriënten dalen als gevolg van het emissiereductiebeleid, met name van de puntbronnen. Door eutrofiëring ontstaat echter ook detritus (dood afgestorven materiaal) dat langzaam verdwijnt door mineralisatie, na 1995 stijgt daardoor ook het doorzicht. In meer dan de helft van de meren wordt een verbetering geconstateerd. Echter, de streefwaarde wordt slechts in een gering aantal gevallen bereikt (Portielje et al., 2004; MNP, 2004)

Beleid met betrekking tot nutriënten.

Emissiereductie: In het Rijn Actie Programma is een reductie van de emissies van nutriënten van 50% in 1995 t.o.v. 1985 vastgesteld. De Derde Nota Waterhuishouding streefde naar een vermindering van de emissies met 75% voor fosfor en met 70% voor stikstof, te bereiken in 2000.
Voor chlorofyl a is voor eutrofiëringsgevoelige stagnante wateren (meren) een MTR geaccepteerd en vastgesteld (100 μg l-1 zomergemiddeld), daarvan zijn MTR's voor nutriënten in meren (als enige watersysteem) afgeleid (0.15 mg P l-1 en 2.2 mg N l-1 zomergemiddeld). Voor andere wateren is de waarde van de MTR richtinggevend. In de Vierde Nota is uiteindelijk een streefwaarde vastgesteld (0.05 mg P l-1 en 1 mg N l-1, zomergemiddeld) om de gewenste streefbeelden bij de bestrijding van eutrofiëring te kunnen realiseren. De Derde Nota heeft tevens een norm voor het doorzicht vastgesteld (0.4 m).
De Europese Kaderrichtlijn Water stelt het bereiken van een Goede Ecologische Toestand in 2015 vast. De daarvan afgeleide (concept) nutriëntenconcentraties liggen eerder in de buurt van de streefwaarde dan van de MTR.

Relevantie

Te hoge belasting met nutriënten verstoort het ecosysteem in meren. Dit kan leiden tot allerlei ongewenste effecten zoals overmatige algenbloei en een visstand gedomineerd door brasem.

Methodiek

Een groot aantal meren wordt regelmatig geïnventariseerd in de CIW eutrofiëringsenquêtes. De zomergemiddelde waarden worden hieruit berekend, en getoetst aan de MTR. Uit de database zijn de ondiepe meren (gemiddelde diepte < 4 m.) geselecteerd. Deze keuze is gemaakt, omdat de MTR en VR feitelijk alleen afgeleid zijn voor ondiepe meren.

Relevante informatie

  • Portielje, R., L. van Ballegooijen en A. Griffioen, 2004. Eutrofiëring van landbouwbeïnvloede wateren en meren in Nederland - toestanden en trends. RIZA rapport 2004.009.
  • Van Liere, E, van en D.A. Jonkers (redactie), 2002. Watertypegerichte normstelling voor nutriënten in oppervlaktewater. RIVM rapport 7037150005.
  • MNP, 2004. Van inzicht naar doorzicht. Beleidsmonitor Water, thema chemische waterkwaliteit van oppervlaktewater. RIVM rapport 500799004.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2006). De eutrofiëringstoestand van meren en plassen (indicator 0503, versie 01 , 21 april 2006 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.