Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Water en milieu

Vermesting in regionaal water, 1991 - 2008

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De vermesting in het regionale oppervlaktewater van sloten, beken en kanalen is verminderd maar de fosfor- en stikstofconcentraties liggen nog boven de streefwaarde. De daling is slechts gering en lijkt tot stilstand te komen.

Nutriëntenconcentraties in regionale wateren zijn gedaald

De concentraties van stikstof en fosfor zijn sinds 1990 licht gedaald in alle watertypen. Door de aansluiting van huishoudens op het riool, zuivering van afvalwater en vermindering van emissies van industrie zijn de gehalten gedaald. De uit- en afspoeling van landbouwgronden is in deze periode echter toegenomen. In de periode van 1990 tot 2008 zijn de gehalten slechts licht gedaald.

De nutriëntenconcentraties zijn nog boven de streefwaarde

De meeste wateren voldoen voor beide stoffen nog niet aan de streefwaarde uitgedrukt in de Goede Ecologische Toestand (GET). Bij een derde deel van de wateren wordt de GET voor fosfor met meer dan een factor 3 overschreden. Voor beken voldoet ongeveer de helft van de meetlocaties. In de drie watertypen is de normoverschrijding van fosfor hoger dan van stikstof.

Effect van hoge nutriëntenconcentraties

De nutriënten stikstof en fosfor veroorzaken algenbloei (eutrofiëring of vermesting) in stilstaande wateren zoals meren en kanalen. In sloten ontstaat een gesloten kroosdek zodat het water eronder zuurstofloos wordt. Stromende wateren kunnen hogere gehalten aan nutriënten hebben voordat negatieve effecten optreden. De normen voor beken zijn daarom ook hoger dan die voor andere wateren. Bij deze wateren is afwenteling wel een probleem, omdat het water doorstroomt naar meren en plassen of naar de Noordzee. Voor het zoete water is fosfor het bepalende nutriënt voor algenbloei.

Beleidsdoelstellingen

De doelstellingen zijn in de Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgelegd. De meeste beken zijn aangemerkt als sterk veranderde wateren. Deze wateren moeten voldoen aan het Goede Ecologische Potentieel (GEP). Dit is meestal gelijk aan de Goede Ecologische Toestand (GET), maar per waterlichaam kan een lager doel vastgesteld zijn. De Goede Ecologische Toestand (GET) is hier gebruikt en aangeduid als streefwaarde. De doelstelling voor de Goede Ecologische Toestand van beken is 0,14 mg P/l en 4,0 mg N/l. Kanalen en sloten zijn in de KRW als kunstmatige wateren aangemerkt, waarvoor het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) geldt, dat per waterlichaam kan verschillen. Voor de meeste waterlichamen geldt de standaard GEP van respectievelijk 0,15 en 0,22 mg P/l en 2,8 en 2,4 mg N/l (de default GEP).

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Vermesting regionale wateren.

Omschrijving

De regionale wateren zijn te verdelen naar sloten, beken, kanalen en meren. Het onderscheid tussen sloten en beken is soms moeilijk te maken. Sloten zijn stilstaande gegraven lijnvormige wateren. Beken zijn stromende wateren waarbij het water altijd van hoog naar laag stroomt. Vermesting in meren is uitgewerkt in de indicator Vermesting in meren en plassen, 1980 - 2014 waarbij ook chlorofylconcentraties en doorzicht weergegeven zijn.

Verantwoordelijk instituut

PBL

Berekeningswijze

De gegevens van de Limnodata Neerlandica en de CIW-enquête zijn samengevoegd. In deze databases zijn de monitorings gegevens van de waterschappen opgenomen. Per meetlocatie is het zomergemiddelde berekend. De meetpunten die dicht bij elkaar liggen zijn geclusterd tot een waarde per gridcel. Dit is gedaan omdat soms veel meetpunten dicht bij elkaar in hetzelfde water liggen én om discrepantie in tijdreeksen te voorkomen.
In de figuren over de concentratie zijn de mediaan van de meetpunten en de 25- en 75-percentiel weergegeven. De mediaan geeft de middelste waarde aan; de helft van de meetpunten heeft een hogere concentratie en de andere helft van de meetpunten een lagere concentratie. De andere lijnen bij deze figuren geven de spreiding aan van de meetpunten waarbij de benedengrens gevormd wordt door het 25-percentiel en de bovengrens het 75-percentiel. Een kwart van de meetpunten heeft een lagere concentratie dan het 25-percentiel en een kwart van de meetpunten een hogere concentratie dan het 75-percentiel.
In deze berekeningen zijn de meetpunten meegenomen die gedurende de hele periode regelmatig bemonsterd zijn (per periode van 5 jaar minimaal 2 zomergemiddelden).

Basistabel

CIW, Limnodata

Geografisch verdeling

Nederland

Opmerking

De gegevens zijn afkomstig van verschillende datasets die afkomstig zijn van de meetnetten van de waterschappen. De gebruikte meetresultaten zijn echter niet landsdekkend gelijk verspreid. Bij een volledige landsdekkende dataset kan de hoogte van de balken verschillen ten opzichte van deze indicator. De trend zal een vergelijkbaar beeld geven.
De informatie over 'kanalen en vaarten' en 'beken en stromende wateren' zijn geografisch goed gespreid. De informatie over 'sloten' is geografisch slecht gespreid.

Betrouwbaarheidscodering

Bij 'kanalen en vaarten' en 'beken en stromende wateren': code B; schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
Bij 'sloten': code C; schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2010). Vermesting in regionaal water, 1991 - 2008 (indicator 0552, versie 02 , 18 mei 2010 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.