Biodiversiteit

Aantal nieuwe soorten in de Oosterschelde, 1978-2012

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Het aantal meercellige mariene nieuwe soorten in de Oosterschelde is sinds 1978 sterk toegenomen. Die toename kon worden vastgesteld na een grondige inventarisatie van alle soorten in de Oosterschelde (Elgershuizen et al., 1979). De toename is hieronder en in de figuur uitgesplitst naar drie groepen: Atlantische soorten, zuidelijke soorten en niet-Europese soorten.

Atlantische soorten

Van de drie groepen is het aantal Europese Atlantische soorten het sterkst toegenomen in de Oosterschelde. Dit zijn soorten met een verspreidingsgebied waarbij Nederland min of meer centraal ligt. Deze nieuwe soorten profiteren van het stabiele zoutgehalte in de Oosterschelde na de aanleg van de Oosterschelde kering. Meerdere van deze soorten hebben waarschijnlijk op eigenkracht via larven de Oosterschelde bereikt, maar het is zeer aannemelijk dat een groot aantal is ingevoerd met transporten van weekdieren zoals (jonge) mossels en oesters ten behoeve van menselijke consumptie.

Zuidelijke soorten

Voor zuidelijke soorten geldt dat het verspreidingsgebied rond 1978 geheel of voor het grootste deel ten zuiden van Nederland lag. Voor de nieuwkomers gaat het om soorten waarvan het verspreidingsgebied naar het noorden is opgeschoven. Aangenomen mag worden dat het opschuiven van de verspreiding richting het noorden en daarmee de toename van het aantal zuidelijke soorten vooral komt door toename van zachte winters. De verhoging van de zomertemperaturen in de Oosterschelde heeft waarschijnlijk geen invloed op de toename van zuidelijke soorten. De Oosterschelde is namelijk een baai waar tijdens de zomer de temperaturen relatief hoog kunnen oplopen ten opzichte van de open zee. Deze hoge maximumtemperaturen kunnen zelfs voor veel zuidelijke soorten nadelig zijn.

Noordelijke soorten

Er zijn in de Oosterschelde maar enkele soorten waarvoor geldt dat het verspreidingsgebied (vrijwel) geheel boven Nederland ligt. Er zijn geen nieuwkomers met een noordelijke verspreiding.

Niet-Europese soorten

Naast soorten uit Europa worden er steeds vaker nieuwe soorten in de Oosterschelde aangetroffen, die van buiten Europa komen. In alle gevallen heeft de mens bewust of onbewust bijgedragen aan de verplaatsing van deze soorten. Deze soorten worden exoten genoemd. Voor veel soorten geldt dat ze de Europese kustwateren hebben bereikt via larven die met balastwater in schepen zijn meegekomen. Vanuit de kustwateren hebben deze exoten zich ook in de Oosterschelde gevestigd. Daarnaast zijn er ook exotische soorten die bewust of onbewust zijn uitgezet in de Oosterschelde, waarbij deze zijn meegekomen met weekdieren voor menselijke consumptie.

Impact

Atlantische en zuidelijke nieuwkomers vormen vrijwel nooit een probleem binnen het ecosysteem van de Oosterschelde. Door natuurlijke vijanden worden populaties in toom gehouden. Voor Atlantische soorten geldt dat ze zich vaak ook niet blijvend vestigen. Strenge winters en hoge watertemperaturen spelen daarbij een rol.
Voor de exotische soorten ligt dit vaak anders. Meerdere exoten soorten vormen een bedreiging voor de oorspronkelijke flora en fauna (zoals Japanse oester, de druipzakpijp en de Amerikaanse zwaardschede) en spelen inmiddels een overheersende rol in het ecosysteem.

Referenties

  • Elgershuizen, J.H.B.W., C. Bakker en P.H. Nienhuis (1979). Inventarisatie van aquatische planten en dieren in de Oosterschelde. Rapporten en verslagen 1979-3 Delta Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, Yerseke.. 105 pp.
  • Gmelig Meyling, A.W. en R.H. Bruyne (2001). Een duik in mariene gegevens. Lange termijnveranderingen van populaties van enkele mariene organismen (roggen, weekdieren, kreeftachtigen e.a.) als gevolg van menselijk handelen. Stichting ANEMOON. Heemstede.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Nieuwe soorten in de Oosterschelde

Omschrijving

Aantal nieuwe soorten in de Oosterschelde vanaf het jaar 1978. Basis/uitgangspunt is de lijst met soorten van de Oosterschelde die in 1979 is verschenen (Elgershuizen et al., 1979)

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

De gegevens zijn afkomstig van de Stichting ANEMOON die de gegevens verzameld heeft aan de hand van eigen meetnetten, literatuur en deskundigen.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata. Onder dit tabblad is ook een lijst met soorten opgenomen, waarop de figuur is gebaseerd.

Geografisch verdeling

Oosterschelde

Verschijningsfrequentie

Tweejaarlijks

Achtergrondliteratuur

Gmelig Meyling, A.W. en R.H. Bruyne (2001). Een duik in mariene gegevens. Lange termijnveranderingen van populaties van enkele mariene organismen (roggen, weekdieren, kreeftachtigen e.a.) als gevolg van menselijk handelen. Stichting ANEMOON. Heemstede.
Elgershuizen, J.H.B.W., C. Bakker en P.H. Nienhuis (1979). Inventarisatie van aquatische planten en dieren in de Oosterschelde. Rapporten en verslagen 1979-3 Delta Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, Yerseke.. 105 pp.

Opmerking

Aanleiding voor update in november 2015 (zonder toevoeging van een nieuw datajaar) is een niet-correcte legenda in de voorgaande versie. Tegelijk is ook de tekst verbeterd.

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Aantal nieuwe soorten in de Oosterschelde, 1978-2012 (indicator 1065, versie 09 , 24 november 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.