Milieukwaliteit en natuur

Trend van amfibieën, 1997-2021

De groep van de kikkers, padden en salamanders nam in de periode 1997-2009 gestaag toe. Vanaf 2010 wordt de trend van de soortgroep echter sterk negatief beïnvloed door de extreme achteruitgang van slechts één soort: de vuursalamander.

Amfibieën tonen herstel na verliezen vorige eeuw

Veel soorten amfibieën zijn in de vorige eeuw achteruitgegaan. Belangrijke oorzaken zijn het verlies aan landbiotoop en voortplantingswateren, verzuring en vermesting van poelen en vennen, versnippering en verdroging. Door verbetering van de waterkwaliteit, aanleg van poelen herstel van aangrenzend leefgebied en het uitzetten van soorten in gebieden waar deze verdwenen waren - maatregelen die in het kader van soortbeschermingsplannen zijn genomen - zijn veel soorten de afgelopen 25 jaar weer toegenomen. Onder meer boomkikker, geelbuikvuurpad en knoflookpad (de soorten die zijn uitgezet) hebben sterk van al deze maatregelen geprofiteerd. Naast deze drie soorten zijn nog zes soorten toegenomen. Van vijf andere soorten zijn de trends stabiel gebleven. De kamsalamander heeft iets ingeleverd. Alleen de vuursalamander is de laatste jaren extreem sterk afgenomen.

Sterke achteruitgang vuursalamander

De soortgroep als geheel is sinds 2010 achteruit gegaan (figuur eerste tabblad), maar dat komt louter door de afname van de vuursalamander. Als de vuursalamander niet wordt meegenomen in de berekeningen, gaat de soortgroep namelijk vooruit (figuur op het tweede tabblad). Sinds 2010 zijn de aantallen van de vuursalamander scherp gedaald als gevolg van een zeer besmettelijke, uitheemse schimmelziekte (Spitzen-van der Sluijs et al., 2013) en inmiddels is deze Zuid-Limburgse soort bijna uit Nederland verdwenen. Bij de afname van de kamsalamander lijkt dezelfde schimmelziekte een rol te spelen. De mate waarin de soortgroep (exclusief vuursalamander) vooruit is gegaan wordt vertekend door de toename van de soorten die zijn uitgezet: boomkikker, knoflookpad en geelbuikvuurpad (al neemt deze laatste soort in recente jaren juist weer af).

Rode Lijst Indicator

De helft, 8 van 16, van alle soorten amfibieën op de Rode Lijst, heeft een bedreigde status. Dat aantal is na 1995 iets toegenomen (van 7 naar 8). Door de achteruitgang van de vuursalamander is ook de mate van bedreiging van de groep (RLI-kleur) verslechterd (derde tabblad).

Habitatrichtlijn

Elf van de 16 inheemse soorten amfibieën worden op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn vermeld.

Referenties

  • Spitzen-van der Sluijs, A., F. Spikmans, W. Bosman, M. de Zeeuw, T. van der Meij, E. Goverse, M. Kik, F. Pasmans en A. Martel (2013). Rapid enigmatic decline drives the fire salamander (Salamandra salamandra) to the edge of extinction in the Netherlands. Amphibia-Reptilia 34 (2013): 233-239.
  • Wereld Natuur Fonds (2015). Living Planet Report. Natuur in Nederland. WNF, Zeist.
  • Van Delft, J.J.C.W., Creemers, R.C.M. & A.M. Spitzen-van der Sluijs, 2007. Basisrapport Rode Lijst Amfibieën en Reptielen volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Stichting RAVON, Nijmegen.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van amfibieën

Omschrijving

Ontwikkeling populatie van amfibieën als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortensets, databronnen en indexcijferberekening

Waarnemingen van alle 16 inheemse soorten amfibieën zijn in de indicator opgenomen.

Aantalsgegevens zijn ontleend aan het meetprogramma voor amfibieën van het Netwerk Ecologische Monitoring. Daarmee zijn voor een vijftal soorten jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM)).

Verspreidingsgegevens zijn eveneens ontleend aan het meetprogramma voor amfibieën; daarnaast zijn gegevens uit de Nationale Database Flora & Fauna gebruikt. Hiermee zijn voor elf soorten jaarlijkse indexcijfers in verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met occupancy-modellen. De trends in verspreiding worden gezien als een benadering van de trend in populatie-aantallen.

Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)

De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.

1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier -in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 - vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen.

2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten.

3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.

4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.

5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.

Uit de trendschattingen en betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid.

7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat.

Rode Lijst Indicator

De Rode Lijst Indicator, 1995-2021 is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014). Hoe hoger de indexwaarde, hoe langer (RLI-lengte) of hoe roder (RLI-kleur) de Rode Lijst is. Bij een langere Rode Lijst worden meer soorten bedreigd in hun voortbestaan, een 'rodere' Rode Lijst duidt erop dat de mate waarin soorten bedreigd worden gemiddeld is toegenomen.

Basistabel

De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan op het tabblad 'Indexen per soort' onder 'Download data'.

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2022). Meetprogramma's voor flora en fauna - kwaliteitsrapportage NEM over 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Martel, A., M. Blooi, C. Adriaensen, P. van Rooij, W. Beukema, M. C. Fisher, et al (2014). Recent introduction of a chytrid fungus endangers Western Palearctic salamanders. Science 346 (6209): 630-631.

Meij, T. van der, A. van Strien, G. Smit en E. Goverse (2009). Trendberekening bij het Meetnet Amfibieën. Ravon 31 10 (4), Nijmegen.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.

Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

Wereld Natuur Fonds (2015). Living Planet Report. Natuur in Nederland. WNF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2022). Trend van amfibieën, 1997-2021 (indicator 1077, versie 18 , 15 september 2022 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.