Compendium voor de Leefomgeving
494 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Verdroging

Trend vogels, reptielen en dagvlinders heide, 1990-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Veel typische diersoorten van de heide zijn afgenomen sinds 1990. Vooral broedvogels en dagvlinders op de heide gaan sinds 1990 achteruit, maar de meeste soorten reptielen houden zich staande of nemen toe, waardoor de laatste tien jaar de trend voor gehele groep is gestabiliseerd.

Trend fauna hei

De indicator Trend vogels, reptielen en dagvlinders heide geeft de gemiddelde trend weer van 34 soorten zoogdieren, broedvogels en dagvlinders voorkomend op de hei. Sinds 1990 laat deze indicator een matige afname zien, waarbij de trend de laatste tien jaar gestabiliseerd is. Als er naar individuele soorten wordt gekeken, blijkt dat er over de gehele tijdsspanne 13 soorten achteruitgaan en 7 vooruit.

Ontwikkeling broedvogels, reptielen en dagvlinders

In de periode vanaf 1990 namen veel broedvogels van de open heide af, waarbij korhoen nagenoeg, en duinpieper en klapekster geheel zijn verdwenen. Sommige soorten zijn echter toegenomen, waaronder de nachtzwaluw. Adder en zandhagedis gaan sinds 1994 vooruit. Alleen de levendbarende hagedis gaat sinds 1994 achteruit. Nog sterker dan kenmerkende broedvogels zijn de dagvlinders op de heide achteruitgegaan. Enkele soorten zijn inmiddels verdwenen of bijna verdwenen, waaronder de duinparelmoervlinder en de kleine heivlinder.

Oorzaken ontwikkelingen

De afname op de heide komt doordat soorten gebonden aan jonge successiestadia of heel open gebied, zoals tapuit, hier last hebben van het dichtgroeien van de heide met grassen en struiken. Dit proces wordt versneld door een te hoge stikstofdepositie, zie daarvoor ook de indicator

Hierdoor verdwijnt ook dynamiek in het systeem, zoals het dichtgroeien van stuifzanden. Ook verdroging speelt hier als een versterkende negatieve factor.

Karakteristieke soorten verliezen daardoor leefgebied. Toenames van sommige soorten binnen alle drie de verschillende soortgroepen worden waarschijnlijk gestuurd door herstelmaatregelen en klimaatsverandering.

Referenties

  • Boele A., van Bruggen J., Hustings F., Koffijberg K., Vergeer J.W. & van der Meij T. (2015). Broedvogels in Nederland in 2013. Sovon-rapport 2015/04. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • Dijk, A.J. van, M.J.T. van der Weide, S. Deuzeman, L. Dijksen, D. Zoetebier en C. Plate (2002). Kolonievogels en zeldzame broedvogels in Nederland in 2000 en 2001. SOVON-monitoringrapport 2002/03. SOVON Vogelonderzoek Nederland. Beek-Ubbergen.
  • Swaay, C.A.M. van, K. Veling, J. Kok, A.J. van Strien (2015). 25 Jaar vlinders tellen. Rapport VS2015.002, De Vlinderstichting, Wageningen.
  • Zuiderwijk, A. (red.) (2003). Het meetnet reptielen in 2002. Nieuwsbrief Meetnet Reptielen nr. 26. RAVON Werkgroep Monitoring. Amsterdam.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Karakteristieke diersoorten van de heide

Omschrijving

Ontwikkeling populatie van vogels, reptielen en dagvlinders

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortselectie en data
In de deze indicator zijn 34 inheemse soorten voorkomend op de hei opgenomen, betreffende broedvogels (16 soorten), reptielen (4 soorten) en vlinders (14 soorten), allen gebaseerd op ontwikkelingen in populatie-aantallen. De selectie van 13 karakteristieke broedvogelsoorten voor deze indicator heeft plaatsgevonden op basis van een SoortSpecialisatie Index (SSI; Julliard et al. 2004, Sovon). Op basis van BroedvogelMonitoringProject-data uit de periode 1984-1990 zijn per soort gemiddelde dichtheden per habitats berekend, waarna per soort de SSI is bepaald. Een soort met een SSI > 1,25 wordt beschouwd als een specialist. Vervolgens is elke soort op basis van de hoogste dichtheid aan één van de vijf onderscheiden landschappen toegekend (bos, hei, duin, moeras, agrarisch). Een drietal insectenetende vogelsoorten zijn op basis van expert judgement aan de set specialisten toegevoegd, omdat deze een goede indicatie geven over de kwaliteit van het betreffende landschap (tapuit, fitis en graspieper). De selectie van karakteristieke soorten vlinders en zoogdieren is gebaseerd op expert judgement verzorgd door de Vlinderstichting en de Zoogdierenvereniging. Deze gegevens zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring voor zoogdieren (Zoogdier-vereniging), broedvogels (Sovon), reptielen (RAVON) en vlinders (Vlinderstichting).

Trendberekening
Met bovenbeschreven data zijn voor elke soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met GLM-Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM)). De indicator is berekend door de jaarlijkse indexcijfers over de populatie-aantallen meetkundig te middelen over alle 30 betrokken soorten (met indexwaarde 1990 = 100 voor de vogelsoorten, 1992 = 100 voor de meeste dagvlindersoorten (met twee uitzonderingen tot 1997 als eerste jaar) en 1994 = 100 voor de reptielen). Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.).

Vergelijking methode trendberekening met LPI internationaal
De gebruikte methode is grotendeels ontleend aan die van de internationale Living Planet Index van WWF (WWF, 2014). Dat houdt in dat de jaarlijkse indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig worden gemiddeld en dat dezelfde regel wordt gehanteerd om de invloed van sterk fluctuerende soorten te reduceren. Dat laatste houdt in dat indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet meedoen in de LPI (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. (2) Om de LPI minder te laten fluctueren van jaar op jaar wordt een smoothing algoritme toegepast. Bij de internationale LPI gebeurt dat met een GAM per afzonderlijke soort. Bij de Nederlandse LPI gebeurt dat pas bij het meetkundig middelen van alle soorten. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort opgenomen; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

In de hoofdtekst is een doorlink naar de basistabel te vinden met de indexen van de afzonderlijke soorten.

Geografisch verdeling

Heide

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Boele A., van Bruggen J., Hustings F., Koffijberg K., Vergeer J.W. & van der Meij T. (2015). Broedvogels in Nederland in 2013. Sovon-rapport 2015/04. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Julliard R., J. Clavel, V. Devictor, F. Jiguet & D. Couvet (2006). Spatial segregation of specialists and generalists in bird communities. Ecology Letters 9: 1237-1244. Swaay, C.A.M. van, K. Veling, J. Kok, A.J. van Strien (2015). 25 Jaar vlinders tellen. Rapport VS2015.002, De Vlinderstichting, Wageningen. Van Strien, A.J., C.A.M. van Swaay & T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50, 1450-1458. Zuiderwijk, A. (red.) (2003). Het meetnet reptielen in 2002. Nieuwsbrief Meetnet Reptielen nr. 26. RAVON Werkgroep Monitoring. Amsterdam.

Opmerking

In loop van verschillende versies is de selectie van soorten gewijzigd. De soortenlijst heide is recentelijk afgestemd op de Living Planet Index met name in relatie tot de overkoepelende indicator open natuurgebieden en LPI landfauna.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Trend vogels, reptielen en dagvlinders heide, 1990-2014 (indicator 1134, versie 13 , 29 oktober 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.