Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Ecosystemen

Vegetatie van loof- en gemengde bossen, 1999-2014

In loofbossen en gemengde bossen komen steeds meer struiken en ondergroei en nemen verzuring en verdroging af. Ook nemen kenmerkende soorten enigszins toe.

Areaal loofbos

In Nederland was in 2013 ruim 220.000 ha loof- en gemengd bos aanwezig. Hiervan is ongeveer 22% gemengd loofbos-naaldbos. Het grootste deel van het areaal is te karakteriseren als droog loofbos. Het bosbeleid is er op gericht de onderhoudskosten te reduceren en tegelijkertijd bossen in Nederland een meer natuurlijk en recreatief aantrekkelijk karakter te geven. Maatregelen om het aandeel inheemse boomsoorten te vergroten worden gestimuleerd, evenals het vergroten van de variatie in leeftijdsklassen en soorten. Het bos als leverancier van hout is relatief minder belangrijk geworden. Grootschalige kaalkap is op veel plaatsen vervangen door dunning en dood hout mag veelal blijven liggen.

Veranderingen in de ondergroei

Vanaf 1999 worden veranderingen in de vegetatie van bossen en andere begroeiingstypen gevolgd met het Landelijk Meetnet Flora (LMF). Uit de vegetatieopnamen in loofbos blijkt dat het beheer en de milieuomstandigheden in loofbos hebben geleid tot het ontstaan van meer variatie en een toename van vooral struiken, waardoor het bos dicht groeit en het op de bosbodem donkerder wordt. Veel van deze ontwikkelingen vinden plaats in zowel droog loofbos, vochtig loofbos als in broekbos. In alle drie de bostypen is bijvoorbeeld het aantal soorten bomen toegenomen. Ook is in elk van deze drie bostypen de bedekking met struiken toegenomen en in droog en vochtig loofbos ook het aantal soorten struiken (zie tabblad Struiken). Verder is de bedekking met kapvlaktesoorten afgenomen en in broekbos ook de bedekking met pioniersoorten. In droog loofbos zijn daarnaast ook de kruiden in bedekking toegenomen en is het aandeel grassen afgenomen. Struiken die duidelijk toenemen zijn bramen, hulst en klimop. Grassen die afnemen zijn bochtige smele en gladde witbol in droog loofbos en ruw beemdgras in vochtig loofbos (zie tabblad Ondergroei).

Kenmerkende soorten

Het natuurlijker karakter van de bossen wordt ook weerspiegeld in een toename van de mate van kenmerkendheid van de soorten in zowel droog loofbos, vochtig loofbos als broekbos (tabblad Kenmerkende soorten). Het totale soortenaantal in droog loofbos is gestegen, maar in broekbos gedaald. In vochtig loofbos is daarin geen verandering. Wél is de bedekking met exoten daarin afgenomen. Over het voorkomen van Rode lijst soorten en typische soorten van de Habitatrichtlijn valt op grond van dit meetnet weinig te zeggen. Deze soorten worden nauwelijks in de meetpunten van het florameetnet in bossen aangetroffen.

Voedselrijkdom, zuurgraad en verdroging

Verschillende indicatoren voor milieuomstandigheden duiden er op dat er geen grote veranderingen hebben plaatsgevonden. Er lijkt sprake van een afname van de verzuring en een toename van de verdroging, maar de gemiddelde jaarlijkse veranderingen zijn kleiner dan 1%. De vermesting door stikstofverbindingen en fosfaat lijkt eveneens iets toe te nemen, maar de indicatiewaarden hiervoor zijn mede afhankelijk van de mate van verstruiking en daarom niet goed daarvan te onderscheiden. Tussen de drie bostypen zijn geen grote verschillen, maar verhoudingsgewijs neemt de verzuring het sterkst af in broekbos. Ook voor wat betreft vermesting lijkt broekbos het iets beter te doen dan droog en vochtig loofbos.

Referenties

  • Cáceres, M. de en P. Legendre (2009). Associations between species and groups of sites: indices and statistical inference. Ecology 90 (12): 3566-3574.
  • Dirkse, G.M. (2007). Meetnet Functievervulling bos 2001-2005. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Rapport DK nr. 2007/065, Ede.
  • Dufrêne, M., en P. Legendre (1997). Species assemblages and indicator species: The need for a flexible asymmetrical approach. Ecological Monographs 67: 345-366.
  • Schelhaas, M.J., A.P.P.M. Clerkx, W.P. Daamen, J. Oldenburger, G. Velema, P. Schnitger, H. Schoonderwoerd & H. Kramer (2014). Zesde Nederlandse Bosinventarisatie: methoden en basisresultaten. Alterra-rapport 2545. Alterra Wageningen UR, Wageningen.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Flora loof- en gemengde bossen

Omschrijving

Veranderingen in de flora van loof- en gemengde bossen

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Alle trends in deze indicator zijn gebaseerd op vegetatieopnamen van het Landelijk Florameetnet (LMF). De berekende trends zijn gebaseerd op totaal aantal aangetroffen soorten, aantal aangetroffen soorten binnen onderscheiden soortgroepen, de sombedekking van de planten binnen onderscheiden soortgroepen en gemiddelde indicatorwaarden van de soorten in een vegetatieopname.
Ook zijn trends in de bedekking bepaald van in totaal 40 afzonderlijke plantensoorten. Daarbij is gekozen voor soorten die in voldoende mate in de opnamen vertegenwoordigd zijn en die behoren tot a: soorten van habitattypen van de Habitatrichtlijn (6 soorten), b: ruigtesoorten (9 soorten), c: kenmerkende soorten voor broekbos, vochtig en droog loofbos (26 soorten) en d: exoten (4 soorten). Rode Lijst soorten kwamen onvoldoende in de opnamen voor om trends te kunnen bepalen. Kenmerkendheid voor de bostypen is daarbij m.i.v. 2013 bepaald m.b.v. de Indval-methode (Dufrêne & Legendre, 1997).

Basistabel

Zie Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Dufrêne, M., en P. Legendre (1997). Species assemblages and indicator species: The need for a flexible asymmetrical approach. Ecological Monographs 67: 345-366.

Opmerking

Gemengde bossen betekent hier bossen met loof- en naaldbomen.
Het areaal loofbos is berekend aan de hand van het totaal areaal bos uit de bodemstatistiek 2006 (CBS) en de verhoudingen uit de verschillende bostypen uit Dirkse, 2007.
Voor deze indicator zijn trends in bedekking van in totaal 59 plantensoorten bepaald. Het betreft 27 soorten in broekbos en 33 soorten in zowel vochtig als droog loofbos. Dit betreft de meest voorkomende soorten van natte en droge ruigtes, één Rode lijst soort en een groot aantal veel voorkomende kenmerkende soorten. Kenmerkendheid is daarbij m.i.v. 2013 bepaald m.b.v. de Indval-methode (Dufrêne & Legendre, 1997) voor de drie afzonderlijke bostypen.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Vegetatie van loof- en gemengde bossen, 1999-2014 (indicator 1546, versie 05 , 11 december 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.