Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Flora en Fauna

Vegetatie van houtwallen en slootkanten, 1999-2018

Zowel in houtwallen als in slootkanten neemt de bedekking van ruigtesoorten aanzienlijk toe. Toch is het aantal plantensoorten daarin niet afgenomen.

Ruigtesoorten

In de laatste twintig jaar is de bedekking van ruigtesoorten in houtwallen en slootkanten aanzienlijk gestegen, van circa 25% tot 33% (tabblad Ruigtesoorten). Ruigtesoorten zijn hoogopschietende kruiden en grasachtigen die profiteren van voedselrijke omstandigheden, zoals braam en grote brandnetel (tabblad Soorten). Houtwallen en slootkanten vormen in het agrarische landschap belangrijke plekken waar nog ruimte is voor de wilde flora; op de akkers en cultuurgraslanden zijn tegenwoordig nog maar weinig wilde plantensoorten te vinden. De ruimte voor de wilde flora in houtwallen en slootkanten staat door verruiging echter onder druk, omdat ruigtesoorten andere soorten wegconcurreren. Toch is de soortenrijkdom van houtwallen en slootkanten in de onderzoeksperiode niet aantoonbaar teruggelopen (tabblad Soortenrijkdom). Wel gaat in slootkanten een aantal soorten achteruit, zoals pinksterbloem en kruipende boterbloem (tabblad Soorten).

Bomen en struiken

In slootkanten en houtwallen is de bedekking van bomen en struiken toegenomen (tabblad Bomen en struiken); in houtwallen is de bedekking van bomen en struiken per definitie altijd al hoog. In houtwallen is er een verschuiving in de samenstelling van de vegetatie, waarbij eenstijlige meidoorn afneemt en Amerikaanse vogelkers juist toeneemt (tabblad Soorten).

Oorzaken

De toename in de bedekking van ruigtesoorten is sterker dan in andere begroeiingstypen is waargenomen met het Landelijk meetnet Flora, zoals in loofbos, halfnatuurlijk grasland en moeras. De sterke toename van ruigtesoorten komt vermoedelijk door de toename in de stikstofdepositie rond landbouwpercelen. Maar ook veranderingen in het beheer van houtwallen en slootkanten kunnen hebben bijgedragen aan de veranderingen in de vegetatie.

Houtwallen, polderkaden en heggen

Houtwallen zijn lijnvormige, vaak op een aarden wal gelegen beplantingen met struiken en bomen. Houtwallen komen veel voor op de hogere zandgronden. Ook de in het veengebied aangelegde polderkaden die met bomen en struiken zijn beplant, rekenen we tot de houtwallen, evenals meidoornhagen en dergelijke in het uiterwaardengebied. Voor het boerenbedrijf waren houtwallen vroeger van belang als eigendomsscheiding, als vee- & wildkering en voor de levering van boerengeriefhout. Tegenwoordig is het agrarische belang ervan beperkt. Veel houtwallen zijn daardoor uit het landschap verdwenen, vooral in die gebieden waar ruilverkaveling heeft plaatsgevonden. Het ecologisch belang van houtwallen is nog wel aanzienlijk omdat ze fungeren als verbindingszone tussen natuurgebieden en omdat de vruchtdragende soorten (meidoorns, bessen, rozenbottels etc.) een voedselbron zijn voor vogels. Houtwallen, kaden en heggen hebben bovendien cultuurhistorische, landschappelijke en recreatieve waarden. Voorbeelden van landschappen in Nederland met een hoge dichtheid aan houtwallen zijn de Achterhoek, Noord-Oost Twente en het gebied van de Drentsche Aa.

Sloten en slootkanten

Sloten zijn kenmerkend voor het Hollandse polderlandschap. De belangrijkste functie ervan is de afwatering van het omliggende land, maar ook dienen ze als perceelscheiding, watertoevoer, waterberging en veedrenking. De sloot zelf bevat vegetaties van ondiep open water met drijvende en wortelende waterplanten, maar ook soorten van moerassen. Op de oevers van de sloten heeft de vegetatie meer het karakter van vochtig grasland en moeras. Als een sloot te veel dichtgroeit, komt de functie van afwatering in gevaar. Voor de meeste sloten geldt daarom de verplichting dat ze periodiek moeten worden geschoond; dat wil zeggen dat de aanwezige vegetatie wordt verwijderd om het dichtgroeien van de sloot te voorkomen. Ook de opslag van bomen en struiken in de slootkanten wordt dan doorgaans verwijderd.

Referenties

  • Blomqvist, M.M., W.L.M. Tamis & G.R. de Snoo (2009). No improvement of plant biodiversity in ditch banks after a decade of agri-environment schemes. Basic and Applied Ecology 10: 368-378.
  • Duuren., L. van, T. van der Meij, M. Rijken, M. van Veen & A. van Strien (2008). Botanische veranderingen in Nederlandse natuurgebieden. De Levende Natuur 109:9-12.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Vegetatie houtwallen en slootkanten

Omschrijving

Veranderingen in de vegetatie van houtwallen en slootkanten

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Vanaf 1999 worden de ontwikkelingen in de vegetatie van een aantal begroeiingstypen onderzocht met behulp van het Landelijk Meetnet Flora. Daarin worden op circa tienduizend vaste meetlocaties om de vier jaar vegetatie-opnamen gemaakt door professionele veldmedewerkers. Door de opnamen in de tijd te vergelijken kunnen trends worden bepaald in de bedekking van soortgroepen en van afzonderlijke soorten.

De bedekking van ruigtesoorten is bepaald door de bedekking van een aantal snelgroeiende en voedselrijkdom- minnende plantensoorten te sommeren. Deze groep bestaat uit akkerdistel, bijvoet, bitterzoet, boerenwormkruid, echte valeriaan, fluitenkruid, gewone berenklauw, gewone braam, gewone engelwortel, gewone smeerwortel, grote brandnetel, grote kattenstaart, haagwinde, harig wilgenroosje, Jakobskruiskruid, kleefkruid, koninginnenkruid, liesgras, moerasmelkdistel, moerasspirea, pitrus, ridderzuring, riet, rietgras, speerdistel, wilgenroosje en zevenblad.

Trends in bedekking zijn berekend met een statistisch model met meetronde en meetlocatie-effecten. De berekening is uitgevoerd met een Bayesiaanse methode in R.

Basistabel

Zie Download data

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2019). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2018. CBS, Den Haag.

Opmerking

De vorige versies van deze indicator gaven een schatting per jaar weer waarbij de waarde in tussenliggende jaren per opname statistisch werd bijgeschat. Nu er inmiddels vijf meetronden van vier jaar zijn, wordt de toestand per meetronde berekend in plaats van per jaar, waardoor nauwelijks meer hoeft te worden bijgeschat.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Vegetatie van houtwallen en slootkanten, 1999-2018 (indicator 1549, versie 04 , 29 november 2019 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.