Compendium voor de Leefomgeving
465 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trend fauna zoet water en moeras, 1990-2014

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De diersoorten die voorkomen in het zoete water en moeras zijn toegenomen sinds 1990, waarbij de trend de laatste tien jaar is gestabiliseerd.

LPI zoet water en moeras

De indicator Trend zoet water en moeras betreft 146 soorten dieren van de soortgroepen vissen, broedvogels, amfibieën, libellen, zoogdieren en een vlinder specifiek voorkomend in moerassen. Sinds 1990 laat deze indicator een toename zien van 31%. Er zijn 77 soorten vooruitgegaan en 32 achteruit. De laatste tien jaar is de trend gestabiliseerd. Gerealiseerd moet worden dat de toename sinds 1990 moet worden beschouwd als een herstel na een veel grotere afname tussen 1900 en 1990. In vergelijking met de ontwikkelingen op het land is de ontwikkeling in het zoete water de afgelopen decennia een stuk positiever.

Trends per soortgroep zoet water en moeras

Om verder te achterhalen hoe de biodiversiteit van het zoete water verandert en wat daarvan de mogelijke oorzaken zijn, zijn er vier aparte sub-indicatoren op basis van soortgroep onderscheiden:


De zoetwatervissen waren sinds 1990 stabiel. Echter, wanneer een opsplitsing gemaakt wordt in soorten die aan schoon water gebonden zijn en soorten die een mate van vervuiling kunnen verdragen, blijkt dat de soorten van schoon water vooruit zijn gegaan en de tolerantere soorten achteruit; de laatste tien jaar is de trend van beide groepen gestabiliseerd. De broedvogels van moerassen namen gestaag toe. Ook de amfibieën namen sinds 1990 toe, maar nemen sinds 2008 af. Deze recente afname is vrijwel geheel toe te schrijven aan de vuursalamander, die bijna is verdwenen. Op de rugstreeppad na, die de laatste tien jaar ook wat achteruit is gegaan, bleven de andere amfibieën stabiel of namen ze toe. De libellen zijn vooruitgegaan en bleven sinds 2003 stabiel. De overige kenmerkende soorten die ook onderdeel zijn van de overkoepelende indicator voor zoet water als Otter, 2002-2018/2019, meervleermuis en watervleermuis gingen vooruit. De trend van de Grote vuurvlinder en veroudering moeras, 1996-2012 schommelde.

Oorzaken

Het herstel dat is opgetreden na een lange periode van afname komt vooral door een verbeterde waterkwaliteit dankzij nationaal en internationaal milieubeleid, al is die kwaliteit nog niet voldoende. Naast de verbeterde waterkwaliteit neemt na een lange periode van kanalisaties het aantal natuurvriendelijke oevers toe, wat voor vissen paai-, schuil- en opgroeigebieden oplevert en ook gunstig is voor libellen. Vissoorten moeten daarnaast het schonere water wel kunnen bereiken en dat kan alleen als er geen barrières tussen en binnen waterlopen bestaan. Daartoe worden steeds meer vispassages aangelegd die vissen als de winde helpen om van het ene naar het andere gebied te trekken. Ook bepaalde vogelsoorten (zoals krooneend en purperreiger) en libellen hebben geprofiteerd van de verbeterde waterkwaliteit en deze heeft ook bijgedragen aan het succes van de herintroductie van de otter. Zonder die verbetering was men overigens niet tot uitzetten overgegaan.


Daarnaast worden moerassen, die versnipperd zijn en dichtgegroeid, nu beschermd en hersteld, waarmee het areaal moeras toeneemt. Met name veel moerasvogels profiteren daarvan. Daarnaast laten soorten die in Afrika overwinteren zoals purperreiger, sprinkhaanzanger, rietzanger, snor en kleine karekiet een positieve trend omdat de regenval in Afrika de laatste jaren weer gunstig was.


De grote vuurvlinder, een karakteristieke soort van laagveenmoerassen, heeft het moeilijk. De vlinders leven in een afwisseling van open rietlanden met waterzuringplanten voor de voortplanting en bloemrijke ruigtes voor het drinken van nectar. Deze vlinder is voor zijn voortplanting gebonden aan een heel specifiek vegetatietype dat alleen ontstaat waar open water begint te verlanden tot moerasbos. Het aantal vlinders is klein en fluctueert sterk, waarmee het risico van uitsterven groot is geworden. Vooral de overleving van eitjes en rupsjes is belangrijk voor het voortbestaan van de soort. Gunstig maaibeheer en waterpeilbeheer kunnen de overleving van eitjes en rupsen beïnvloeden.

Referenties

  • WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Aantalsontwikkeling van alle soorten dieren in zoet water van zes soortgroepen

Omschrijving

Ontwikkeling populatie-aantallen en verspreiding van alle dierensoorten in zoet water en moeras als groep (LPI zoet water)

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortselectie en data
In de deze indicator zijn 146 inheemse soorten voorkomend in zoet water en moeras opgenomen van zoogdieren (4 soorten), broedvogels (31 soorten), vissen (37 soorten), amfibieën (16 soorten), libellen (57 soorten) en vlinders (1 soort), zowel gebaseerd op ontwikkelingen in populatie-aantallen (zoogdieren, vogels en vlinders) als op basis van veranderingen in verspreiding (vissen, amfibieën en libellen). Gegevens over populatie-aantallen zijn ontleend aan de landelijke meetnetten in het Netwerk Ecologische Monitoring voor zoogdieren (Zoogdiervereniging), broedvogels (Sovon), vissen en amfibieën (RAVON) en libellen en vlinders (Vlinderstichting). Cijfers van otter en waterspitsmuis zijn gebaseerd op opportunistische data, waarbij trends in verspreiding als benadering geldt voor de trend in populatie-aantal (bij muizen bijvoorbeeld via braakballenmonitoring van predatoren).

Trendberekening
Voor de soorten die in het Netwerk Ecologische Monitoring worden gevolgd zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met GLM-Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM). Voor de overige soorten zijn trends bepaald met hulp van occupancy modellen op basis van zogenaamde opportunistische data, waarbij op basis van aan- en afwezigheid trends in verspreiding worden bepaald die ook een goede afspiegeling zijn van de trends in aantallen (van Strien et al. 2013, Termaat et al. 2015). De indicator is berekend door de jaarlijkse indexcijfers over de populatie-aantallen meetkundig te middelen over alle 146 betrokken soorten. Door beperkingen in de beschikbaarheid van goede gegevens verschilt het startjaar tussen de verschillende soortgroepen met indexwaarde 1990 = 100 voor vogels, vissen, amfibieën en een deel van de zoogdieren, indexwaarde 1991 = 100 voor libellen met uitzonderingen op soortniveau. In het laatste jaar ontbreken de gegevens voor de amfibieënsoorten, in de laatste twee jaar die van de waterspitsmuis en de laatste vier jaar van de otter. Hiermee zijn de cijfers van met name het eerste jaar en het laatste jaar van deze graadmeter minder betrouwbaar.

Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen en daaruit zijn trendklassen afgeleid. De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al. in voorb.).

Vergelijking methode trendberekening met LPI internationaal
De gebruikte methode is grotendeels ontleend aan die van de internationale Living Planet Index van WWF (WWF, 2014). Dat houdt in dat de jaarlijkse indexcijfers van de afzonderlijke soorten meetkundig worden gemiddeld en dat dezelfde regel wordt gehanteerd om de invloed van sterk fluctuerende soorten te reduceren. Dat laatste houdt in dat indexcijfers die meer dan een factor 10 verschillen van die in het voorgaande jaar niet meedoen in de LPI (pers. comm. Loh & McRae, 2014). Er zijn echter ook enkele statistische verschillen tussen de Nederlandse en de internationale LPI: (1) De statistische methode om indexcijfers per soort te bepalen is anders. Bij de Nederlandse LPI wordt een GLM toegepast, bij de WWF-LPI een GAM. (2) Om de LPI minder te laten fluctueren van jaar op jaar wordt een smoothing algoritme toegepast. Bij de internationale LPI gebeurt dat met een GAM per afzonderlijke soort. Bij de Nederlandse LPI gebeurt dat pas bij het meetkundig middelen van alle soorten. (3) De betrouwbaarheidsintervallen van de indicator verschillen. Bij de Nederlandse LPI wordt ook de onzekerheid van de indexen per soort opgenomen; bij de WWF-LPI is dat niet het geval.

Basistabel

In de hoofdtekst is een link naar de basistabel te vinden met voor iedere soort de indexen op jaarbasis.

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Termaat, T., R.H.A. van Grunsven, C.L. Plate & A.J. van Strien (2015). Strong recovery of dragonflies in recent decades in The Netherlands. Freshwater Science 34(3):1094-1104.
Van Strien, A.J., C.A.M. van Swaay & T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50, 1450-1458.
WWF (2014). Living Planet Report (2014), Species and spaces, people and places. WWF, Gland, Zwitserland.
WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Opmerking

Deze indicator en bijbehorende soortenlijst is afgestemd in relatie tot de overkoepelende indicator Living Planet Index fauna Nederland en twee andere subindicatoren per leefomgeving (marien en land).

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2015). Trend fauna zoet water en moeras, 1990-2014 (indicator 1577, versie 01 , 29 oktober 2015 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.