Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieukwaliteit en natuur

Kwaliteit en trend stikstofbeschikbaarheid ecosystemen, 2016

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De huidige milieudruk door stikstofdepositie is in veel ecosystemen nog te hoog. Met name in de ecosysteemtypen bos, open duin en heide zijn de condities door stikstofdepositie over vrijwel het gehele areaal matig of slecht. Trendgegevens laten zien dat de stikstofbeschikbaarheid van de bodem in open duin en halfnatuurlijk grasland is toegenomen.

Kwetsbare plantensoorten verdwijnen

Teveel stikstof in de bodem is een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van zeldzame soorten in ecosystemen. De hoeveelheid stikstof in de bodem neemt onder andere toe door stikstofdepositie uit de lucht. Ammoniak maakt twee derde deel uit van de stikstof die op de bodem valt, en is hoofdzakelijk afkomstig uit de landbouw. De overige depositie is afkomstig van stikstofoxiden uit onder andere verkeer en industrie. Kwetsbare plantensoorten verdwijnen wanneer de stikstofdepositie het kritisch depositieniveau overschrijdt. Hoe hoger de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe groter de effecten. Vooral voedselarme ecosystemen zijn gevoelig voor milieudruk vanuit stikstofemissies.

Overschrijding kritische stikstofdepositie leidt op zandgronden tot meeste knelpunten

Circa driekwart van het totale areaal landnatuur kent een te hoge stikstofdepositie. Met name in meer stikstofgevoelige ecosysteemtypen als bos, open duin en heide zijn de condities door stikstofdepositie over vrijwel het gehele areaal matig of slecht. In vrijwel het gehele areaal heide worden de kritische depositiewaarden overschreden. Nagenoeg de gehele oppervlakte valt hierdoor in de kwaliteitscategorieën matig of slecht. Voor bos en open duin is de situatie iets beter, hoewel ook hier het grootste deel van de oppervlakte binnen de categorieën matig en slecht valt. Vermesting speelt met name op de voedselarme zandgronden in gebieden waar de ecosystemen erg gevoelig zijn voor stikstofdepositie en de depositie uit intensieve veehouderij hoog is. Veel van de ecosystemen in het noorden en westen van het land zijn niet zo gevoelig voor stikstofdepositie. Het gaat daarbij veelal om van nature voedselrijke wateren en moerassen in (zee/rivier)kleigebieden.

Resultaten van beleid tegen vermesting

Het beleid streeft naar verbetering van bodem-, water- en luchtcondities om biodiversiteit te herstellen en te behouden. De forse afname in stikstofdepositie sinds begin jaren negentig heeft zich niet vertaald in een toename van het natuurareaal met goede condities. Sinds 2000 dalen de concentraties van ammoniak in de lucht niet meer. In de periode 2005-2014 zijn deze zelfs licht gestegen (Stolk et al. 2017). Deze trend wordt ook gevonden in het sinds 2005 operationele Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden en is een indicatie dat de ammoniakbelasting op ecosystemen (Natura 2000-gebieden) niet meer afneemt terwijl dat wel nodig is voor een duurzame instandhouding van deze ecosystemen. De stikstofbeschikbaarheid, afgemeten aan de vegetatiesamenstelling, is sinds 2000 voor de meeste ecosystemen gemiddeld ook niet significant afgenomen. In ecosystemen zoals open duin en half-natuurlijk grasland neemt de stikstofbeschikbaarheid zelfs toe. Alleen in het voor stikstofdepositie minder-gevoelige ecosysteemtype moeras neemt de beschikbaarheid in geringe mate af.

Het is mogelijk dat verbeteringen in de vegetatiesamenstelling uitblijven en soms zelfs verslechteren, doordat de milieudruk nog te hoog is en de laatste jaren niet meer daalt. Complicerend daarbij is dat de vegetatie later reageert op veranderingen in emissies dan bijvoorbeeld luchtconcentratie of bodemchemie.

Voorkomen planten indicatief voor heersende milieucondities

Door rechtstreekse metingen aan bodem en water kan worden vastgesteld in welke mate veranderingen in de milieucondities optreden en of huidige condities geschikt zijn voor een duurzaam voorkomen van de ecosystemen. Meetgegevens zijn echter beperkt beschikbaar. Indirect kunnen de milieucondities ook geschat worden aan de hand van (veranderingen in) de aanwezigheid van plantensoorten. Planten stellen namelijk specifieke milieueisen aan hun voorkomen. De aangetroffen vegetatiesamenstelling in een gebied is daarmee indicatief voor de heersende milieucondities op standplaatsniveau.

Provincies en terreinbeheerders hebben in de 'Werkwijze monitoring en beoordeling' (WMBN) vastgelegd hoe de milieucondities kunnen worden bepaald. Vooruitlopend op een eerste meting door de provincies brengen deze en de twee onderstaande indicatoren de huidige milieucondities in beeld.

Beleid richt zich op verbeteren milieucondities

In internationaal verband heeft Nederland zich gecommitteerd aan de doelen van de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn ((Natura 2000) en de EU-biodiversiteitstrategie. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door realisatie van het Natuurnetwerk en door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen ter verbetering van water- en milieucondities.

Om de effecten van vermesting en verzuring te voorkomen, richt het Nederlandse milieubeleid zich op vermindering van de emissie van vermestende en verzurende stoffen in Nederland en de omringende landen. Door nationaal, maar ook internationaal milieubeleid is de lucht de laatste decennia schoner geworden, waardoor minder zuur en stikstof terecht komt op natuur (Buijsman et al., 2010). Toch is het bereikte resultaat nog onvoldoende om goede condities voor ecosystemen en soorten te scheppen.

Herstelmaatregelen om verzuring en vermesting tegen te gaan

Via de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt met een combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid gestreefd naar een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast worden er middelen verstrekt voor herstelmaatregelen in bestaande natuurgebieden om vermesting en verzuring tegen te gaan. Veel van deze maatregelen zijn ook gericht op bestrijding van verdroging. De beschikbaarheid van voedingsstoffen is immers niet alleen afhankelijk van de huidige depositie van vermestende stoffen maar ook van de verdroging en van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Kwaliteit en trend stikstofbeschikbaarheid ecosystemen

Omschrijving

Overschrijding van de kritische stikstofdepositiewaarden door de depositie in 2015 en trendlijn van N-totaal per ecosysteem.

Verantwoordelijk instituut

Marlies Sanders, Wieger Wamelink (Wageningen Environmental Research), Tom van der Meij (CBS) & Pim Vugteveen (PBL)

Berekeningswijze

Trends milieuconditiesMet het landelijk Meetnet Flora (LMF) worden de milieuontwikkelingen in de vegetatie gevolgd. Dit meetnet omvat ruim 8600 vaste meetpunten in de terrestrische natuur en nog enkele duizenden in natuurlijke landschapselementen in het agrarisch gebied. Op deze meetpunten worden alle plantensoorten en de aantallen of bedekking per soort genoteerd. Deze plantensoorten verschillen in de eisen die ze stellen aan hun milieu. Aan de hand van toe- of afname van deze soorten en hun samenstelling kan worden vastgesteld of het gebied onderhevig is aan veranderingen in milieuomstandigheden zoals stikstofbeschikbaarheid (voedselrijkdom).Met behulp van milieu-indicatiewaarden per plantensoort is voor de stikstofbeschikbaarheid een trend per ecosysteem berekend aan de hand van gemiddelde milieu-indicatievoorwaarden van de aanwezige plantensoorten in de vegetatieopnamen. De gebruikte indicatiewaarden zijn afkomstig uit Wamelink et al., 2005, 2007 en 2012. Voor stikstof(beschikbaarheid) zijn de N-totaal indicatiewaarden per soort gebruikt. Voor de set getallen (1999-2016) wordt met een lineair model (lm-functie in het programma R) getoetst op een site*jaar effect. Dit resulteert in (lineaire) trends in een bepaalde periode (meestal vanaf 1999 en soms vanaf 2000) en de significantie van deze trends. De jaarcijfers worden apart van de trends berekend door voor de set aan meetpunten per jaar de berekende afwijkingen te middelen en de resultante daarvan op te tellen bij de gemiddelde waarde van het betreffende meetgegeven in alle meetpunten over de gehele periode. Alle ecosystemen worden gemonitord vanaf 1999 behalve de duinen (vanaf 2000). Het referentiejaar 2000 is bij het indexeren op 0 gezet.
Geschiktheid milieuconditiesIn de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS is aangegeven welke beheertypen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De ecosysteemtypen zijn een samenvoeging van beheertypen die in halfnatuurlijk grasland, heide, bos, moeras en open duin voorkomen. De milieukwaliteit voor stikstofdepositie wordt beschreven in drie categorieën; goed, matig en slecht. Deze situatie hangt af van de afstand tussen de hoogte van de stikstofdepositie en de randvoorwaarden die elk beheertype stelt. De grenzen tussen de categorieën zijn gebaseerd op de kritische depositiewaarden van de plantenassociaties die behoren tot de beheertypen. Kwetsbare plantensoorten verdwijnen wanneer de hoeveelheid stikstof die op de bodem valt de kritische depositiewaarde overschrijdt. Hoe hoger de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe groter de effecten. De milieukwaliteit qua stikstofdepositie wordt in de werkwijze als goed aangemerkt als deze lager is dan de kritische depositiewaarde van de meest gevoelige associatie. De grens tussen 'matig' en 'slecht' is gebaseerd op de kritische depositiewaarde van de minst gevoelige associatie (associatie met de hoogste kritische depositiewaarde). Niet gevoelige beheertypen zijn hier als 'goed' gekwalificeerd.De beheertypen zijn gelokaliseerd met de beheertypenkaart van IPO. Delen van grootschalige beheertypen die gevoelig zijn voor teveel stikstofdepositie (waarvoor geen randvoorwaarden beschreven zijn), zijn nader gelokaliseerd op basis van onder andere bodem- en vegetatiekaarten Voor elke locatie met een gevoelig beheertype is de depositie vergeleken met de grenswaarden uit de werkwijze.Voor de milieuconditie stikstof is de hoogte van de stikstofdepositie gebruikt. Deze wordt gezien als een indicatie voor de stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Van de stikstofdepositie is een landsdekkende kaart beschikbaar (RIVM 2015, feitelijke situatie 2014)

Basistabel

Neergeschaalde beheertypenkaart (Pouwels et al.,in prep)
GDN 2015, RIVM

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Om de 2-3 jaar

Achtergrondliteratuur

Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017). Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
Pouwels, R., G.W.W. Wamelink, M.H.C. van Adrichem, R. Jochem, R.M.A. Wegman & B. de Knegt. 2016. Metanatuurplanner 2016 (toepassing voor Evaluatie Natuurpact). Tussenrapportage WOT-04-011-036.70. WOt-interne notitie 153.

Opmerking

Provincies en terreinbeheerders hebben in de 'Werkwijze monitoring en beoordeling' (WMBN) vastgelegd hoe de milieucondities kunnen worden bepaald. Vooruitlopend op een eerste meting door de provincies, brengt deze indicator de huidige milieucondities wat betreft stikstofdepositie in beeld.

Betrouwbaarheidscodering

C: Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Kwaliteit en trend stikstofbeschikbaarheid ecosystemen, 2016 (indicator 1592, versie 01 , 28 september 2017 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.