Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Toestand ruimtelijke en milieucondities landnatuur provincies, 2015

Alle provincies hebben nog aanzienlijke oppervlaktes landnatuur met ongunstige milieu-en ruimtelijke condities. Ongunstige condities belemmeren duurzaam voorkomen van soorten en ecosystemen. Stikstofdepositie vormt het grootste probleem; circa driekwart van de oppervlakte landnatuur heeft een te hoge stikstofdepositie. Vooral provincies op zandgronden zoals Utrecht, Gelderland, Noord Brabant en Overijssel kampen met dit probleem.

Alle provincies hebben nog aanzienlijke oppervlaktes landnatuur met ongunstige milieu- en ruimtelijke condities

De kwaliteit van natuur (toestand van soorten en ecosystemen) staat onder druk bij een te hoge beschikbaarheid aan stikstof (vermesting), een te lage zuurgraad (verzuring), een te lage grondwaterstand (aspect van verdroging) of tekorten aan aaneengesloten leefgebied (versnippering).
Deze indicator geeft het aandeel landnatuur (terrestrische natuurtypen) weer waarvoor de stikstofdepositie, de zuurgraad, de (voorjaars)grondwaterstanden de hoeveelheid samenhangend leefgebied goed, matig of slecht zijn. De basis van deze analyse vormt de beheertypenkaart en de randvoorwaarden voor condities voor het betreffende beheertype beschreven in de 'Werkwijze monitoring en beoordeling' (WMBN). De figuren laten zien dat in grote delen van de terrestrische beheertypen in Nederland de milieu- en ruimtelijke condities nog matig of slecht zijn en dus ongunstig zijn voor een duurzaam voorkomen van soorten en ecosystemen.

Stikstofdepositie nog te hoog

Teveel stikstof in de bodem is een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van karakteristieke soorten. De hoeveelheid stikstof in de bodem neemt onder andere toe door stikstofdepositie uit de lucht.
Circa driekwart van de landnatuur heeft een te hoge stikstofdepositie. De meeste problemen spelen in de provincies die op de zandgronden liggen. Hier is de natuur erg gevoelig voor stikstofdepositie en is de depositie uit intensieve veehouderij hoog (Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel, Limburg). Gebieden met voor stikstof gevoelige natuur waar de kritische depositie waarde niet wordt overschreden, komen vooral voor langs de kust in de duinen (Noord-Holland, Zuid-Holland, Fryslân, Zeeland), op zeeklei (Flevoland, Zeeland) en in de provincies Limburg en Drenthe. Veel van de natuur in het noorden (Groningen, Friesland) en westen (Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland) van het land is de milieudruk door stikstofdepositie relatief laag en de natuur wat minder gevoelig. Het gaat daarbij veelal om van nature voedselrijke wateren en moerassen op (zee/rivier)klei gebieden.
Zie hier voor informatie over de trends in de stikstofbeschikbaarheid van landnatuur op basis van vegetatie:

In veel gebieden is verdroging een probleem

Op veel plaatsen is de grondwaterstand verlaagd ten behoeve van landbouw en bewoning of door waterwinning. Daardoor is ook in natuurgebieden de grondwaterstand gedaald. Er zijn planten- en diersoorten die afhankelijk zijn van een hoge grondwaterstand, met name in het voorjaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor de soorten in natte heide, natte graslanden en vochtige bossen.
Ongeveer 40 procent van het landelijk verdrogingsgevoelige areaal natuur is verdroogd (in termen van te lage grondwaterstand). Verdroogde beheertypen liggen vooral op de zandgronden. Het zijn met name beheertypen natte heide, natte gras- en hooilanden en vochtige bossen die gevoelig zijn voor verdroging en vaak ook daadwerkelijk verdroogd zijn. Hierdoor hebben Drenthe, Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel een relatief groot natuurareaal dat verdroogd is. De provincies Flevoland, Fryslân, Groningen, Overijssel en Zeeland hebben ten opzichte van de totale hoeveelheid natuur in die provincies een groot aandeel met verdroogde gebieden, maar het areaal verdrogingsgevoelige natuur in deze provincies is relatief klein.
Zie hier voor informatie over de trends in de voorjaarsgrondwaterstand van landnatuur op basis van vegetatie:

De zuurgraad is in de meeste natuurgebieden goed

Als gevolg van depositie van verzurende stoffen uit de lucht treedt verzuring van de bodem op in natuurgebieden waardoor planten- en diersoorten uit dat gebied achteruit gaan of verdwijnen. De zuurgraad wordt ook beïnvloed door veranderingen in de waterhuishouding, bijvoorbeeld als de toevoer van baserijke kwel wegvalt of door ophoping van organische stof in de humuslaag.

Voor ongeveer een-vijfde deel van het areaal natuur die gevoelig is voor verzuring in Nederland is de zuurgraad van de bodem ongunstig. Voor alle provincies blijkt dat de zuurgraad in een beperkt areaal natuurgebied ongunstig is. Locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen. In grote delen van de duinen en de heide zijn de milieucondities in termen van zuurgraad goed. Provincies met het grootste aandeel niet gevoelige beheertypen liggen vooral op oude zeekleigebieden van Groningen, Fryslân, Zeeland en Zuid-Holland.
Zie hier voor informatie over de trends in de zuurgraad van landnatuur op basis van vegetatie:

Ruimtelijke condities van natuurgebieden onvoldoende voor veel soorten

Om planten- en diersoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven, zijn vanuit ruimtelijk oogpunt twee zaken essentieel: het behoud van leefgebieden en de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden. De ruimtelijke condities zijn niet goed wanneer het leefgebied te klein is of te veel versnipperd, met andere woorden, wanneer de leefgebieden onvoldoende ruimtelijke samenhang hebben. Veel soorten staan op de Rode Lijst vanwege de te beperkte ruimtelijke samenhang van de leefgebieden waarvan zij afhankelijk zijn.

Ongeveer de helft van de landnatuur heeft matige tot slechte ruimtelijke condities, door versnippering of een tekort aan leefgebied. Een deel van de provincies heeft relatief veel kleine versnipperde natuurgebieden om de soorten die daar voorkomen duurzaam ruimte te bieden (Noord-Brabant, Limburg, Overijssel, Zeeland, Zuid-Holland). Andere provincies bevatten meer grote gebieden of hebben gebieden die voldoende onderling verbonden zijn. Het gaat hier om de Veluwe (Gelderland), de Utrechtse heuvelrug (Utrecht) en de duingebieden (Noord-Holland, Zuid-Holland) en de Oostvaardersplassen (Flevoland).

Informatie over toestand ruimtelijke en milieucondities verschaft inzicht in belemmeringen voor duurzaam behoud van biodiversiteit

Knelpunten in de realisatie van duurzaam behoud van biodiversiteit zijn sterk gekoppeld aan verdroging, vermesting, verzuring, versnippering en tekort aan geschikt leefgebied. Informatie vanuit deze indicator over de mate waarin huidige ruimtelijke en milieucondities wel/niet in orde zijn is bruikbaar om inzicht te krijgen in belemmeringen voor een duurzaam behoud van biodiversiteit.

Vooruitlopend op een eerste meting van milieucondities door de provincies, is de geschiktheid van de huidige milieucondities voor landnatuur beoordeeld volgens de uitgangspunten van de WMBN. Hiervoor zijn landelijke gegevens gebruikt van atmosferische stikstofdepositie, zuurgraad en grondwaterstanden, de vegetatiesamenstelling en de grootte van natuurgebieden. Voor uitspraken over de geschiktheid van de milieucondities (goed, matig, of slecht) is een vergelijking van de huidige situatie gemaakt met de eisen die de vegetaties van beheertypen aan deze condities stellen. Beheertypen die ongevoelig zijn voor de genoemde drukfactoren zijn ingedeeld in de categorie 'goed'.

Verbetering van ruimtelijke en milieucondities is noodzakelijk voor behoud biodiversiteit

Behoud en herstel van biodiversiteit is een belangrijke (inter)nationale doelstelling. Veel soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn verkeren nog in een ongunstige staat van instandhouding (zie Staat van instandhouding soorten en habitattypen Habitatrichtlijn en trends vogels Vogelrichtlijn, 2013 -2018). De gemiddelde kwaliteit van een aantal ecosystemen gaat nog achteruit (zie Trends in kwaliteit van natuur, 1990 - 2017). Geschikte milieu- en ruimtelijke condities, ofwel goede omstandigheden qua voedselrijkdom, zuurgraad, (grond)water en ruimtelijke samenhang in leefgebieden vormen daarvoor een basisvoorwaarde. Vegetatieontwikkelingen in de provincies indiceren in de periode gemiddeld genomen een voortgaande vermesting, verzuring en verdroging. Rijk en provincies zetten daarom in op herstel van biodiversiteit door met name verbetering van ruimte-, water- en milieucondities.
Zie ook:

Referenties

  • Beek, J.G van, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen (2014), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS, Utrecht: BIJ12.
  • PBL (2017), Lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Pouwels, R., G.W.W. Wamelink, M.H.C. van Adrichem, R. Jochem, R.M.A. Wegman & B. de Knegt. 2016. Metanatuurplanner 2016 (toepassing voor Evaluatie Natuurpact). Tussenrapportage WOT-04-011-036.70. WOt-interne notitie 153.
  • Van Delft, S.P.J., T. Hoogland, G.J. Roerink & W.M.L. Meijninger (2017), Verdrogingsinformatie voor de Nederlandse natuur. Een vergelijking tussen de actuele en gewenste grondwatersituatie, Wageningen: Wageningen Environmental Research.
  • Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Toestand ruimte-, water- en milieucondities landnatuur provincies, 2015

Omschrijving

Huidige kwaliteit milieucondities: bodem-pH, voorjaarsgrondwaterstand, stikstofdepositie en ruimtelijke samenhang voor beheertypen (1990-2015).

Verantwoordelijk instituut

WUR (Bart de Knegt, Wieger Wamelink, Marlies Sanders, Rogier Pouwels), PBL (Pim Vugteveen, Dirk-Jan van der Hoek)

Berekeningswijze

In de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS is aangegeven welke beheertypen gevoelig zijn voor stikstofdepositie, bodem-pH en de Gemiddelde Voorjaarsgrondwaterstand (GVG). De milieukwaliteit van een beheertype wordt beschreven in drie categorieën; goed matig en slecht gedefinieerd op specifieke randvoorwaarden voor deze condities voor het betreffende beheertype. Welke categorie een locatie krijgt, hangt af van het verschil tussen de gemeten danwel geschatte waarde (voor stikstofdepositie, pH, en GVG) en de randvoorwaarde voor deze condities van het beheertype op die locatie.

Daarnaast zijn voor een aantal beheertypen zonder randvoorwaarden in de Werkwijze wel randvoorwaarden bekend Wamelink et al. (2007). Ook deze laatste zijn in de analyse meegenomen zodat een vrijwel landsdekkend beeld gegeven kan worden.

De gemeten of geschatte waarden (voor pH, GVG en stikstofdepositie) zijn als volgt bepaald:

- Voor de milieuconditie stikstof is de hoogte van de stikstofdepositie gebruikt. Deze wordt gezien als een indicatie voor de stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Van de stikstofdepositie is een landsdekkende kaart beschikbaar (RIVM 2015, feitelijke situatie 201

- De bodem-pH is geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 1990 tot 2015, dit omdat een meetnet van directe pH-metingen ontbreekt. De geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. Zo is met geostatistische technieken een vlakdekkende pH kaart gegenereerd. Neerschaling van de beheertypenkaart is gedaan omdat het voor een goede analyse soms nodig was typen natuur te verfijnen. Dit geldt voor delen van grootschalige beheertypen (N01.xx) zoals duin- en kwelderlandschap als ook de beheertypen open duin en moeras. Bij de neerschaling is gebruik gemaakt van onder andere bodem- en vegetatiekaarten en habitattypenkaarten

- De GVG is geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 2004 tot 2015. Deze geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. Ten tweede is deze kaart op basis van vegetatieopnamen gecombineerd met een grondwaterstandenkaart die is opgesteld op basis van peilbuisgegevens (Van Delft et al. 2017) en is het gemiddelde van beide geschatte grondwaterstanden berekend.

- De ruimtelijke condities zijn uitgedrukt als het gemiddeld aantal doelsoorten per locatie in het NNN waarvoor de ruimtecondities goed zijn. Per locatie is daartoe aangegeven hoeveel doelsoorten geschikt leefgebied hebben, gelet op noodzakelijk areaal (uitgaande van optimale milieucondities) (Pouwels et al., 2016). Geschikt leefgebied is gedefinieerd als een voldoende omvangrijk samenhangend oppervlak voor een sleutelpopulatie. Als drempel wordt een percentage van 50% genomen. Wanneer meer dan de helft van de soorten ergens een sleutelgebied realiseren, als het aanwezige beheertype geschikt is als leefgebied, wordt aangenomen dat de lokale kwaliteit goed is en dat zowel de ruimtelijke als milieu- en watercondities op de betreffende locatie voldoende zijn voor duurzaam voortbestaan van het ecosysteem.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Hoek, D.-J. van der, Paul Giesen, Rogier Pouwels, Henk Meeuwsen, Wieger Wamelink, Arjen van Hinsberg (2017), Toepassing MNP voor Evaluatie Natuurpact. Beschrijving realisatie van invoerbestanden voor huidige en toekomstige situatie, Den Haag: P
Wamelink, G.W.W., P.W. Goedhart, J.Y. Frissel, R.M.A. Wegman, P.A. Slim & H.F. van Dobben. 2007. Response curves for plant species and vegetation types. Report 1489, Alterra, Wageningen, the Netherlands.
Pouwels, R., G.W.W. Wamelink, M.H.C. van Adrichem, R. Jochem, R.M.A. Wegman & B. de Knegt. 2016. Metanatuurplanner 2016 (toepassing voor Evaluatie Natuurpact). Tussenrapportage WOT-04-011-036.70. WOt-interne notitie 153.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Toestand ruimtelijke en milieucondities landnatuur provincies, 2015 (indicator 1607, versie 01 , 7 december 2017 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.