Ontwikkelingen in de maatschappij

Gemiddeld kindertal per vrouw, 2000-2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

In 2011 bedroeg het gemiddeld kindertal per vrouw in Nederland 1,76. Regionaal zijn er aanzienlijke verschillen in kindertal. Onder niet-westerse vrouwen van de tweede generatie is het geboortecijfer tussen 2000 en 2011 flink gedaald. Tienermoeders in Nederland hebben relatief vaak een Caribische achtergrond.

Opnieuw uitstel van het krijgen van kinderen, maar nu vanwege de crisis

In 2011 zijn er 180 duizend kinderen geboren, dat is aanzienlijk lager dan in het jaar 2000, waarin er 207 duizend kinderen werden geboren. Het ziet ernaar uit dat die daling ook in 2012 nog doorzet. Deze daling hangt ook samen met het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijdsfase: het aantal vrouwen van 25 tot 40 jaar, daalde tussen 2000 en 2011 van 1,78 naar 1,54 miljoen. Per vrouw werden er dus wel iets meer kinderen geboren: het gemiddeld kindertal per vrouw steeg van 1,72 naar 1,76.
De gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van het eerste kind is sinds de jaren 70 ook aanzienlijk gestegen, van ongeveer 24 naar ruim 29 jaar. Dit 'uitstelgedrag' leidde er toe dat zowel het jaarlijkse aantal geborenen daalde en ook het totale kindertal. Aan dat toenemende uitstelgedrag lijkt nu een einde te zijn gekomen, want de leeftijd van de moeder bij geboorte van het eerste kind stijgt de laatste jaren nauwelijks meer. Het stijgende kindertal wijst op een nieuwe fase van inhaal van eerder uitgestelde kinderen. Daarnaast is er een verband tussen de conjunctuur en het krijgen van kinderen (De Beer, 2012). In tijden van (economische) crisis neemt de onzekerheid toe en dat vertaalt zich in uitstel van de kinderwens. Uiteraard is dat op zijn vroegst pas negen maanden later waar te nemen in de geboortecijfers. Waarschijnlijk hangt de huidige daling van het aantal kinderen - zowel het absolute aantal geborenen als het gemiddeld kindertal - ook samen met de crisis die in 2008 inzette.

Aanzienlijke regionale variatie

Er blijkt grote regionale variatie te bestaan in het gemiddeld kindertal per vrouw. Deels heeft dat te maken met verschillen in de leeftijdsopbouw in de verschillende regio's. In regio's met relatief veel jonge gezinnen (provincie Flevoland) worden meer kinderen geboren dan in sterk vergrijsde regio's (provincie Limburg).
Het gemiddeld kindertal lag de laatste tien jaren hoger dan daarvoor. Vooral de rurale delen van de provincies Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland, maar ook bijvoorbeeld de Kop van Noord-Holland, en vooral Flevoland kennen juist veel hogere cijfers. In het noorden van het land is het kindertal relatief sterk gestegen. De sterker verstedelijkte gebieden (zoals bijvoorbeeld de gemeente Groningen en directe omgeving, Arnhem/Nijmegen, Utrecht, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam) hebben relatief lage vruchtbaarheidscijfers.
De verschillen in het kindertal binnen de afgelopen tien jaar zijn minimaal. Flevoland lijkt over zijn hoogtepunt heen te zijn. Urk, Staphorst en Graafstroom kennen de grootste gezinnen met gemiddeld 2,8 kinderen per huishouden. Vaals, Wageningen en Maastricht hebben de kleinste met gemiddeld 1,2 kinderen per huishouden.

Kindertal niet-westers allochtone vrouwen daalt snel

Hoewel de geboorteaantallen maar weinig zijn veranderd, hebben zich wel grote veranderingen voorgedaan in het vruchtbaarheidspatroon van de niet-westers allochtone vrouwen. De niet-westers allochtone vrouwen hadden tot voor kort duidelijk meer kinderen dan de autochtone vrouwen. Vooral bij vrouwen op jongere leeftijden is er een sterke daling geweest in het kindertal, met name onder de niet-westerse vrouwen van de tweede generatie. In het algemeen lijken hun geboortecijfers nu meer op die van autochtone vrouwen dan op die van hun moeders.
Onder de grootste niet-westerse herkomstgroepen zijn vooral de geboortecijfers van Marokkaanse en Turkse vrouwen fors gedaald. Ook bij hen was dit vooral het geval bij vrouwen tussen de 20 en 25 jaar van de tweede generatie. Zo daalde tussen 2000 en 2010 het aantal geboorten per duizend vrouwen tussen de 20 en 25 jaar onder de Marokkanen van 124 naar 57, en onder de Turken van 129 naar 46. Bij autochtone vrouwen was er juist een lichte stijging van 25 naar 28.

Relatief veel tienermoeders met een Caribische achtergrond

Tienermoeders zijn in Nederland relatief zeldzaam. In 2010 kregen 4 van de duizend meisjes jonger dan 20 jaar een kind. In de VS is het geboortecijfer van tieners ongeveer acht keer zo hoog als in ons land. Binnen Europa telt alleen Zwitserland naar verhouding minder tienermoeders. Er zijn wel grote verschillen tussen de verschillende herkomstgroepen in ons land. Vooral meisjes met een Caribische achtergrond worden relatief vaak tienermoeder. In 2010 kregen 28 per duizend Antilliaanse meisjes van 15 tot 20 jaar een kind. Dit cijfer is ongeveer tien keer zo hoog als dat voor autochtone meisjes.

Referenties

Relevante informatie

  • Bevolkingsgroei, 2015-2020
  • Meer gegevens over de demografische samenstelling, en prognoses van de ontwikkeling van de bevolking is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Gemiddeld kindertal per vrouw, 2000-2011

Omschrijving

Het gemiddeld kindertal per vrouw is het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw krijgt als de waargenomen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers van één jaar gedurende haar gehele leven zouden gelden.
Met geborenen worden de levendgeborenen bedoeld: kind dat na geboorte enig teken van leven heeft vertoond, ongeacht de zwangerschapsduur. Levendgeborenen worden geteld naar de woongemeente en niet naar de geboortegemeente.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Som van leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers. Het leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfer wordt berekend door het aantal levendgeboren kinderen dat uit vrouwen in een bepaalde leeftijdsgroep in een vast kalenderjaar wordt geboren, te delen door het gemiddeld aantal vrouwen in die leeftijdsgroep in dat jaar.Leeftijd van de moeder wordt berekend als geboortejaar van het kind minus geboortejaar van de moeder.

Basistabel

Geboorte, vruchtbaarheid en leeftijd moeder:
Geboorte: kerncijfers vruchtbaarheid, leeftijd moeder (31 december), regio

Geografisch verdeling

Nederland, landsdelen, provincies, corop, stadsgewesten, grootstedelijke agglomeraties en gemeenten.

Andere variabelen

Leeftijd moeder: leeftijd van de moeder op 31 december sinds de geboorte van haar kind. Te berekenen als geboortejaar van het kind minus geboortejaar van de moeder.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Zie voor de methodenbeschrijving de onderzoeksbeschrijving van de bevolkingsstatistiek.

Betrouwbaarheidscodering

A (Integrale enquête)

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Gemiddeld kindertal per vrouw, 2000-2011 (indicator 2110, versie 03 , 4 december 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.