Watervogels IJsselmeergebied, 1980-2024

De ecologische omstandigheden voor vogels in het Natte hart van Nederland (IJsselmeer, Markermeer en de randmeren) zijn de afgelopen decennia flink veranderd. Deze verandering wordt weerspiegeld in de aantallen van niet-broedende watervogels in het gebied. De populaties viseters en schelpdiereters zijn sterk afgenomen met gemiddeld respectievelijk ongeveer 70% en 60%. Planteneters daarentegen zijn gemiddeld toegenomen met meer dan een verdubbeling sinds 1980. 

Ontwikkelingen per voedseltype (planten, vis, schelpdieren)

In de jaren zeventig bevatte het water grote hoeveelheden nutriënten, en daardoor hoge dichtheden aan algen. Het water was troebel, waardoor er weinig licht doordrong tot de bodem, wat de groei van waterplanten beperkte. Sinds eind jaren 80 is de eutrofiering actief naar beneden gebracht, waarbij vooral de hoeveelheid fosfaat sterk werd verminderd. Het water werd daardoor helderder, waardoor waterplanten sterk toenamen: eind jaren 80 begon dat met fonteinkruiden, in de jaren 90 gevolgd door kranswieren. De aantallen van de belangrijkste plantenetende watervogels (knobbelzwaan, kleine zwaan, krakeend, pijlstaart, meerkoet, tafeleend, wilde eend en wintertaling) volgden deze veranderingen op de voet. 

Terwijl de waterkwaliteit verbeterde, ging de stand van de spiering in het gebied in de jaren 90 sterk achteruit. Dat vindt zijn weerslag in de afnemende gemiddelde aantallen van de belangrijkste viseters (aalscholver, fuut, grote zaagbek, nonnetje). De aalscholver eet ook grotere vissen dan spiering, maar laat desondanks ook lagere aantallen zien dan in het eerste decennium van deze eeuw. Nonnetjes en grote zaagbekken nemen mogelijk ook af als gevolg warmere winters in het noorden waardoor er minder noodzaak is om in de winter naar Nederland te trekken. Naast een afname in spiering speelt mogelijk ook de verbetering van de waterkwaliteit een rol. Hierdoor is het water helderder geworden, waardoor vissen hun predatoren beter kunnen zien en in dieper water foerageren. 

 schelpdiereters in het IJsselmeergebied (brilduiker, kuifeend, topper) leefden vooral van driehoeksmosselen, waarvan de aantallen in de jaren 90 afnamen. De oorzaak daarvan ligt onder andere in de afname van de eutrofiering: daardoor nam de soortensamenstelling en de voedingswaarde van algen af, en in het verlengde daarvan de voedingswaarde van de schelpdieren die van de algen leven. De afname van de exotische driehoeksmossel werd sinds 2005 deels gecompenseerd door de opkomst van een andere exotische soort, de quaggamossel, maar dit heeft niet tot herstel van de schelpdiereters geleid, mogelijk vanwege de geringere voedingswaarde.

Ontwikkelingen per deelwatersysteem (IJsselmeer, Markermeer, randmeren)

De drie deelwateren (IJsselmeer, Markermeer (& IJmeer) en randmeren) kennen aanzienlijke ecologische verschillen en de ontwikkeling van de vogelaantallen lopen daardoor vaak niet parallel.

De toename van planteneters kwam in het Markermeer later op gang dan in de andere twee deelgebieden (tweede tabblad), doordat het Markermeer pas in de periode 2005-2016 een flinke toename van waterplanten kende. Hoewel het Markermeer van de drie deelwateren nog steeds het meest te kampen heeft met een hoge troebelheid, vindt ook hier een verbetering plaats van de waterkwaliteit. Ook Marker Wadden heeft positieve effecten op het watersysteem, en biedt daarnaast leefgebied voor met name grote aantallen plantenetende watervogels. In de randmeren zijn de gemiddelde aantallen planteneters omstreeks 2007 gestabiliseerd en gaan de laatste jaren zelfs achteruit. Die afname komt vooral op het conto van de kleine zwaan, wilde eend en wintertaling. Bij de kleine zwaan speelt een verschuiving van het overwinteringsgebied naar oostelijk Europa, mogelijk onder invloed van klimaatverandering. 

De afname van de viseters in het Markermeer is sinds halverwege het eerste decennium van deze eeuw gestabiliseerd op een stabiel laag niveau (derde tabblad). In de randmeren is vanaf omstreeks 2000 sprake van een gemiddelde afname, wat veroorzaakt wordt door afnemende aantallen aalscholvers en nonnetjes. Met de aanleg van Marker Wadden en Trintelzand zijn de aantallen visdieven die gebruik maken van het Marker- en IJsselmeer toegenomen. Bekend is ook dat bij zwarte stern (nazomer) en dwergmeeuw (najaar/winter) een sterke afname heeft plaatsgevonden. De visdief, zwarte stern, en dwergmeeuw zijn niet opgenomen in de indicator.

De drie belangrijkste schelpdiereters (brilduiker, kuifeend en topper) bleven gemiddeld genomen stabiel in de randmeren, maar namen af in het IJsselmeer en het Markermeer & IJmeer. De populaties in het Markermeer & IJmeer zijn het sterkst afgenomen met een terugval van meer dan 80%. In het IJsselmeer gaat het om een afname van gemiddeld 55%. Naast een afname in beschikbaarheid van geschikte schelpdieren kunnen ook andere factoren een rol spelen zoals verschuivingen binnen het verspreidingsareaal onder invloed van klimaatverandering, maar ook een intensiever gebruik van het gebied waaronder toegenomen recreatie en andere vaarbewegingen. 

Relevante informatie

  • De Leeuw, J.J. (2020). Spieringstand IJsselmeer en Markermeer 2020. CVO-rapport 20.030.
  • Hornman, M., M. Kavelaars, K. Koffijberg, E. van Winden, P. van Els, A. de Jong, R. Kleefstra, J. Schoppers, R. Slaterus, C. van Turnhout & L. Soldaat (2022). Watervogels in Nederland in 2019/2020. Sovon rapport 2022/06, RWS-rapport BM 22.03. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • KIMA 2022. Syntheserapport KIMA. De eerste van vijf jaar onderzoek op Marker Wadden.
  • Noordhuis, R. S. Groot, M.D. Pires & M. Maarse (2014). Wetenschappelijk eindadvies ANT-IJsselmeergebied. Vijf jaar studie naar kansen voor het ecosysteem van het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer met het oog op de Natura-2000 doelen. Deltares.
  • Van Rijn, S.H.M. & M.R. van Eerden (2021). Actualisatie Doeluitwerking Vogelrichtlijnsoorten IJsselmeergebied 2020. Deltamilieu Projecten Rapportnr. 2021-08.
  • Sovon

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Watervogels IJsselmeergebied

Omschrijving

Populatieontwikkeling van drie voedselgroepen van vogels in IJsselmeer, Markermeer en randmeren

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

De indicator bestaat uit de gemiddelde trend van een aantal niet-broedende aan water gebonden vogels in het IJsselmeergebied, die hier regelmatig met 100 of meer exemplaren voorkomen.

Data

De hoofdindicator bestaat uit de 21 vogelsoorten een instandhoudingsdoelstelling bestaat als niet broedvogel. De aantalsgegevens zijn ontleend aan het meetprogramma voor watervogels in het Netwerk Ecologische Monitoring

Indexberekening per soort

De trend van watervogelsoorten is berekend met een combinatie van de programma’s U-index en TrendSpotter (Visser, 2004; Soldaat et al., 2007; Underhill & Prŷs-Jones, 1994). De aantallen per maand zijn bepaald met behulp van U-index en vervolgens gesommeerd tot jaarcijfers. Door deze jaartotalen is een trend berekend met het programma TrendSpotter. Vanwege het integrale karakter van de watervogeltellingen zijn er geen betrouwbaarheidsintervallen van de jaarindexen bepaald. 

Indicator

Om de indicator te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld (van Strien et al., 2016). 

Van enkele soorten zijn in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Vervolgens zijn de meetkundig gemiddelden van de indexen met TrendSpotter geanalyseerd. Ook is daarmee de trendklasse van de indicator bepaald. In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Basistabel

-

Geografische verdeling

Natte hart: IJsselmeer, Markermeer en randmeren.

Verschijningsfrequentie

jaarlijks

Achtergrondliteratuur

De Leeuw, J.J. (2020). Spieringstand IJsselmeer en Markermeer 2020. CVO-rapport 20.030.

Hornman, M., M. Kavelaars, K. Koffijberg, F. Hustings, E. van Winden, P. van Els, R. Kleefstra, Sovon Ganzen en zwanenwerkgroep & L. Soldaat (2021). Watervogels in Nederland in 2018/2019. Sovon-rapport 2021/01, RWS-rapport BM21.08. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

KIMA 2022. Syntheserapport KIMA. De eerste van vijf jaar onderzoek op Marker Wadden.

Noordhuis, R. S. Groot, M.D. Pires & M. Maarse (2014). Wetenschappelijk eindadvies ANT-IJsselmeergebied. Vijf jaar studie naar kansen voor het ecosysteem van het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer met het oog op de Natura-2000 doelen. Deltares.

Strien, A.J. van, A.W. Gmelig Meyling, J.E. Herder, H. Hollander, V.J. Kalkman, M.J.M. Poot, S. Turnhout, B. van der Hoorn, W.T.F.H. van Strien-van Liempt, C.A.M. van Swaay, C.A.M. van Turnhout, R.J.T. Verweij en N.J. Oerlemans (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.

Underhill L.G. en R.P. Prŷs-Jones (1994). Index numbers for waterbird populations. (I) review and methodology. J Appl Ecol 31: 463–480.

Van Rijn, S.H.M. & M.R. van Eerden (2021). Actualisatie Doeluitwerking Vogelrichtlijnsoorten IJsselmeergebied 2020. Deltamilieu Projecten Rapportnr. 2021-08.

Visser, H. (2004). Estimation and detection of flexible trends. Atmos Environ 38: 4135–4145.

Opmerking

Alleen de soorten die regelmatig met meer dan 100 exemplaren voorkomen in het gebied zijn meegenomen. Deze soorten worden genoemd in de tekst.

Betrouwbaarheidscodering
Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Actuele versie
versie‎
05
Bekijk meer Bekijk minder
versie‎
04
versie‎
03
versie‎
02
versie‎
01

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Watervogels IJsselmeergebied, 1980-2024 (indicator 1442, versie 05, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.