Fijnstof (PM10) in lucht, 1992-2025

De Europese jaargemiddelde grenswaarde voor fijnstof is sinds 1998 niet meer overschreden op de meetsations in Nederland. De Europese daggemiddelde grenswaarde is sinds 2011 niet meer overschreden op de meetstations in Nederland. Modelberekeningen geven daarentegen aan dat lokaal nog wel overschrijdingen kunnen voorkomen

Gemiddelde fijnstof concentratie daalt nog steeds

De gemiddelde concentratie fijnstof (PM10) in Nederland neemt al jaren af. Sinds 2000 is de gemiddelde concentratie voor stedelijke achtergrondstations afgenomen met 13 µg/m³. Voor regionale achtergrondstations en verkeersbelaste stations zijn de gemiddelde concentraties afgenomen met 14 µg/m³. Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom liggen, maar wel op afstand van directe uitstootbronnen. Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Verkeersbelaste meetstations zijn meetpunten direct langs snelwegen, drukke stedelijke wegen of verkeersknooppunten

Ondanks de afname zijn er echter wel forse verschillen van jaar op jaar door meteorologische fluctuaties. Deze trend zet zich ook in de meest recente jaren door, zoals de figuren in tabblad ‘Jaargemiddelde’ laten zien. 

Oorzaken daling concentratie fijnstof

De daling in de fijnstof concentraties door de jaren heen komt vooral door emissiebeperkende maatregelen bij verkeer, industrie en de energiesector. Zo is door strengere eisen aan motorvoertuigen (zoals het verplichtstellen van roetfilters) de uitstoot van fijnstof verminderd. Een deel van deze winst is echter verloren gegaan door toename van het aantal gereden kilometers, zwaardere voertuigen, hogere snelheden en een hogere belading (Hoogerbrugge et al., 2010; Matthijsen en Koelemeijer, 2010).

De coronamaatregelen zorgden in 2020 en 2021 voor minder emissies van fijnstof, en daardoor ook voor lagere jaargemiddelde PM10-concentraties dan in de jaren daarvoor (Hoogerbrugge et al., 2022). In 2022 was de fijnstofconcentratie hoger door een toename van de verkeersintensiteit. Het effect van de coronamaatregelen is in 2022 niet meer zichtbaar. In 2023 en 2024 nam de concentratie fijnstof weer af en in 2025 is de concentratie licht toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar.

Geen gemeten overschrijdingen van grenswaarden fijnstof in recente jaren

Vanaf 1998 is er op geen enkele meetlocatie nog een overschrijding van de jaargemiddelde EU-grenswaarde van 40 µg/m3. Dit is te zien in de figuur in tabblad 'Jaargemiddelde'. 

Er is ook een daggemiddelde EU-grenswaarde. Volgens die grenswaarde mogen in een kalenderjaar niet meer dan 35 dagen voorkomen met een daggemiddelde concentratie PM10 boven de 50 µg/m3. Een overschrijding van de daggemiddelde EU-grenswaarde treedt op meetlocaties sinds 2011 niet meer op, zoals de figuren in tabblad ‘Overschrijdingen daggemiddelde’ laten zien. 

Modelberekeningen nodig voor ruimtelijke verdeling concentraties fijnstof

Om inzicht te krijgen in de fijnstof concentraties in Nederland worden naast metingen ook modelberekeningen gebruikt. Zo kunnen concentraties berekend worden voor plekken waarvoor geen metingen beschikbaar zijn. Een voorbeeld is het model waarmee de grootschalige achtergrondconcentratie en de -stikstofdepositie worden berekend (Operationele Prioritaire Stoffen model | RIVM). De figuur in tabblad ‘Kaart 2025’ geeft voor 2025 de gemodelleerde ruimtelijke verdeling weer van grootschalige jaargemiddelde PM10 -concentraties.

Ruimtelijke verdeling PM10 in Nederland

De figuur in tabblad ‘Kaart 2025’ toont het ruimtelijke patroon van de jaargemiddelde concentraties PM10 . In het noorden van Nederland, in het Zuid-Limburg en in Zeeland zijn de waarden lager dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en het grotere aandeel van secundair fijnstof in de lucht zorgen voor hogere concentraties fijnstof in het zuiden en het oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak, vluchtige organische stoffen en stikstofoxiden.

Grootschalige Concentratiekaart Nederland en overschrijding afgeleide norm

De figuur in tabblad ‘Kaart 2025’ is de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) voor PM10 en is gemaakt op basis van berekeningen in combinatie met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (Mijnen-Visser et al., 2025). De modelberekeningen laten zien dat de fijnstof concentraties in het overgrote deel van Nederland onder de jaargemiddelde EU-grenswaarde van 40 µg/men de afgeleide norm van 31,2 µg/m³ blijven (dit is de vertaling van de EU-norm voor daggemiddelden naar het jaargemiddeld niveau. Zie ook de ‘Technische toelichting’). In de regio IJmond en Maasvlakte komen er wel overschrijdingen van deze afgeleide norm voor. Ook komt er in de regio IJmond een overschrijding voor van de jaargemiddelde EU-grenswaarde.

Lokale verhogingen bij drukke straten en veehouderijen niet in GCN-kaart 

De lokale verhogingen langs drukke straten en nabij veehouderijen zijn niet in deze kaart opgenomen. In het kader van de Monitoring Luchtkwaliteit (MLK; zie ‘Nationaal beleid’) is de bijdrage van het wegverkeer en veehouderijen boven op de achtergrondconcentratie berekend. 2024 is het meest recente jaar waarvoor gedetailleerde landsdekkende berekeningen zijn gemaakt. Volgens de berekeningen langs drukke straten zijn in 2024 de jaargemiddelde concentraties in elke Nederlandse provincie onder de huidige jaargemiddelde PM10 -grenswaarde gebleven. Volgens de berekeningen nabij veehouderijen is in 2024 op acht locaties in vijf gemeenten de jaargemiddelde PM10 -grenswaarde overschreden (Berkhout et al., 2025). De kaart met lokale verhogingen staat op de Atlas Leefomgeving. Naarmate het detailniveau van de kaart toeneemt, worden de onzekerheden in kaarten ook steeds groter. Dat betekent dat bij meer detailniveau (bijvoorbeeld bij schaal kleiner dan 1x1 km) de gebruiker van de kaart afhankelijker is van de informatie en de nauwkeurigheid van data op dat hoge detailniveau. Voor gebruikers van de kaart is het belangrijk om hiermee rekening te houden.

Strengere EU-grenswaarde voor PM10 vanaf 2030

Vanaf 2030 gaan strengere Europese grenswaarden gelden voor luchtkwaliteit. In het najaar van 2024 zijn de EU-landen en het Europees Parlement het daarover eens geworden. Voor fijnstof wordt vanaf 2030 de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 aangescherpt naar 20 µg/m3. De figuren in tabblad ‘Jaargemiddelde’ laten zien dat in 2025 op de meetlocaties de gemiddelde concentratie lager was dan 20 µg/m3

Wat is fijnstof?

Fijnstof is een verzamelbegrip en duidt op zwevende deeltjes in de lucht. In de regel gaat het om deeltjes met een diameter kleiner dan 10 micrometer; PM10. Voor een volledige definitie: zie ‘Technische toelichting’. Afhankelijk van de bron verdeelt men fijnstof in een primaire en een secundaire fractie:

  • De primaire fractie bestaat uit deeltjes die direct in de lucht komen door uitstoot van onder meer transport, industrie, houtstook, landbouw en natuurlijke bronnen zoals zeezout.
  • Secundair fijnstof bestaat uit deeltjes die in de atmosfeer ontstaan door chemische reacties tussen de gassen ammoniak (NH3), stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), vluchtige organische stoffen (VOS) en/of al aanwezige deeltjes (Maas en Grennfelt, 2016). Tijdens overschrijdingen van de dagwaarde van fijnstof kan het aandeel van secundair fijnstof oplopen tot 80% van de totale PM10-concentratie (Joaquin, 2015). Vooral ammoniak uit de landbouw en stikstofoxiden uit verkeer en industrie dragen bij aan deze fractie.

Voor meer informatie over de gezondheidseffecten van fijnstof, zie het pdf-bestand Gezondheidswinst door schonere lucht van de Gezondheidsraad.

Nationaal beleid

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 wordt met de Monitoring Luchtkwaliteit (MLK) jaarlijks getoetst of Nederland voldoet aan de wettelijke normen. Zie ook het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) op het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO)

Daarnaast heeft het Rijk in januari 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) afgesloten met een groot aantal gemeenten en provincies. Het doel van het SLA is om in 2030 minimaal 50% minder gezondheidsschade te behalen ten opzichte van 2016, voor zover die wordt veroorzaakt door binnenlandse bronnen. Alle provincies nemen deel aan het akkoord en het aantal aangesloten gemeenten groeit nog steeds. Zie ook SLA op het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO).

Vanaf het moment dat de herziene EU-luchtrichtlijn (EU, 2024) in werking trad, hebben de lidstaten twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving (EU, 2024). Volgens de herziene richtlijn moeten de lidstaten uiterlijk in 2030 voldoen aan de strengere grenswaarde voor PM10 van 20 µg/m³.

Samen meten aan luchtkwaliteit

Naast het bestaande meetnet van het RIVM en partners, zijn in Nederland meer ontwikkelingen om PM10 en luchtkwaliteit te meten. Zo zijn er meerdere burgerinitiatieven om fijnstof te meten. Burgers meten fijnstof veelal met speciale sensoren. Op het kennisportaal 'Samen meten' staat een overzicht van deze burgerinitiatieven. Ook staat daar informatie over de sensortechnologie.

Bronnen

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Fijnstof (PM10) in lucht, 1992-2025, combinatie van de jaargemiddelde concentratie fijnstof en het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie van fijnstof in lucht boven de 50 µg/m³.

Omschrijving

De jaargemiddelde concentratie fijnstof en het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie van fijnstof boven de 50 µg/m³ op basis van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (RIVM), GGD Amsterdam en de DCMR (www.luchtmeetnet.nlhttps://data.rivm.nl/data/luchtmeetnet/) en Grootschalige concentratiekaarten Nederland en Monitoring Luchtkwaliteit (MLK).

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Jaargemiddelde concentraties berekend uit gemeten dagwaarden. Voor de berekening van een geldig jaargemiddelde is het criterium gehanteerd dat er minimaal 75% van het maximaal mogelijke aantal dagwaarden in een jaar beschikbaar moet zijn. Voor de gespecificeerde jaren (2011-2025) moet een station minstens op 75% van de jaren een geldig jaargemiddelde hebben (dat voortkomt uit de eerste selectie). Dit zijn de criteria die gebruikt worden voor het maken van trendfiguren. Alleen binnen de jaarreeks 2011-2025 wordt gefilterd op twee criteria. Voor alle andere jaren worden alle stations meegenomen die 75% in een jaar gemeten hebben. 

De berekening van het aantal dagen met een daggemiddelde boven 50 µg/m³ volgt uit de tabel met daggemiddelden in een jaar. Daarnaast zijn het aantal overschrijdingsdagen en het jaargemiddelde gerelateerd. Aan de hand van langjarige metingen van fijnstof is er een onderlinge relatie vastgesteld tussen de jaargemiddelde concentratie en de EU-norm voor het aantal dagen waarop de daggemiddelde groter is dan 50 µg/m³. Uit deze relatie blijkt dat de grenswaarde van 35 dagen correspondeert met een jaargemiddelde concentratie van 31,2 µg/m³.

Basistabel

Gegevens Luchtkwaliteit (GELUK) van het Centrum Milieukwaliteit (MIL) van het RIVM. Met daarin ook gegevens van de GGD Amsterdam en de DCMR.

Geografische verdeling

1) De kaart is gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen. 
2) De trendfiguren 1992-2025 zijn gebaseerd op meetgegevens van RIVM, DCMR en GGD Amsterdam. Zie punt 4) in opmerkingen voor meer informatie. 

3) De trendfiguur 1972-2025 is gebaseerd op meetgegevens van stadsstations van DCMR Milieudienst Rijnmond (‘Stof; TSP’) en een stadsstation van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (‘Fijnstof; PM10’). Het gaat om stations die (vrijwel) de gehele periode operationeel zijn geweest. Tussen individuele resultaten van TSP-metingen en de huidige PM10-metingen wordt vaak een indicatieve omrekening toegepast volgens [PM10] = (0,7-0,9) x [TSP].

Andere variabelen

-

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

 Zie: Bronnen

Opmerking

1) De volledige (en juiste) definitie van PM10 luidt: ‘Deeltjes die een op grootte selecterende inlaat, als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10, passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 μm. 
2) Het aantal dagen met een daggemiddelde boven 50 µg/m³ is berekend op basis van een stationsset, waarvan de stations gedurende de gehele beschouwde periode in bedrijf zijn geweest. Ook andere berekeningswijzen zijn mogelijk; de resultaten kunnen dan anders uitpakken (Wesseling & Beijk, 2008). De verschillen bedragen echter niet meer dan 2 µg/m³.
3) TSP (Engels: Total Suspended Particles; Nederlands: Totaal stof). In principe al het stof in de lucht. Het is een methodebepaalde grootheid, dat betekent dat wat er met de totaalstofmeting werd gemeten, afhangt van de apparatuur en de omstandigheden. TSP is een begrip van vroeger. In tegenstelling tot wat het begrip doet vermoeden, is ‘totaal stof’ niet het totaal aan in de lucht voorkomend stof. In de praktijk bleek het bereik van de deeltjes die werden bemonsterd, af te hangen van de windrichting en de windsnelheid tijdens de monsterneming. Dit betekende dat in feite een selectie op grootte plaatsvond die in de tijd kon veranderen en waarvan de grens niet bekend was. Afhankelijk van de omstandigheden kon de bovengrens ergens in het gebied van 20 tot 50 µm liggen.

4) Het aantal meetstations in stedelijke gebieden was tot 2002 beperkt. De gemiddelden van deze beperkt beschikbare meetwaarden zijn in de figuren van tabbladen ‘Jaargemiddelde’ en Overschrijdingen’ als blauwe stippellijn weergegeven. Vanaf 2002 is het aantal meetstations in stedelijke gebieden in Nederland sterk uitgebreid en dit geeft een robuuster beeld van de PM10 concentraties (zie de doorgetrokken blauwe lijn in de trendfiguren).

5) Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom staan, maar wel op afstand van belangrijke bronnen van luchtemissies.

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). 

Trend 1992-2025 (regionale stations): C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). 

Overschrijdingen: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Trends 1972-2025: D (schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen ter zake).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Fijnstof (PM10) in lucht, 1992-2025 (indicator 0243, versie 20, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.