Compendium voor de Leefomgeving
602 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5), 2009-2010

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De gemeten regionale concentratie van de fijnere fractie van fijn stof bedroeg in 2010 gemiddeld 17 µg/m3. Op stedelijke locaties lagen de concentraties 1 tot 2 µg/m3 hoger.

Fijn stof en de fijnere fractie van fijn stof

In mei 2008 is de nieuwe richtlijn van de Europese Unie voor de luchtkwaliteit van kracht geworden. De nieuwe richtlijn is een samenvatting van de bestaande Europese luchtkwaliteitsregelgeving met onder andere grenswaarden voor fijn stof (PM10). Daarnaast legt de nieuwe richtlijn normen vast voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5). De laatste grootheid wordt in de regelgeving ook wel aangeduid met 'fijne zwevende deeltjes'.
 
De afkorting PM staat voor particulate matter en is de term voor deeltjes in de lucht. PM is een verzamelbegrip. Het bestaat uit een scala van stoffen die op verschillende wijze in de buitenlucht terechtkomen. Veel antropogene en natuurlijke bronnen stoten rechtstreeks PM uit: het primaire PM. Industriële processen en allerlei soorten van verbrandingsprocessen, waaronder in gemotoriseerde voertuigen, energiecentrales en bij houtverbranding, zijn belangrijke antropogene bronnen van PM. Ook worden deeltjes chemisch gevormd uit gassen zoals zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), ammoniak (NH3) en vluchtige organische verbindingen. Dit is het secundaire PM.
  
PM10 en PM2,5 zijn een redelijke benadering voor deeltjes met een diameter kleiner dan 10 respectievelijk 2,5 micrometer (µm). Voor een volledige definitie zie bij 'Technische toelichting'. PM2,5 is de fijnere fractie van PM10. PM10 bevat naast PM2,5 ook een grove fractie. Dit zijn de deeltjes met een diameter boven de 2,5 maar onder de 10 µm. Dit deel wordt ook wel aangeduid met de term PM10-2,5 of PM2,5-10. Deze grovere fractie bestaat hoofdzakelijk uit deeltjes die op een mechanische wijze in de lucht zijn gekomen. Voorbeelden hiervan zijn bodemstof en zeezout.

Concentraties

De beschikbaarheid van meetresultaten van PM2,5 in Nederland is nog beperkt; uitspraken over concentratieniveaus zijn daarom onzeker. Ook de schattingen van PM2,5-concentraties met modellen bevatten waarschijnlijk nog aanzienlijke onzekerheden. Op basis van de huidige inzichten liggen de gemiddelde achtergrondconcentraties van PM2,5 in Nederland tussen de 13 en 18 µg/m3. In het stedelijk gebied zijn de PM2,5-concentraties hoger, namelijk 14-22 µg/m3. Lokaal in straten en langs snelwegen zijn de concentraties verhoogd door de bijdrage van verkeer aan de PM2,5-concentraties. PM2,5-concentraties in straten zijn voor 2010 berekend op 15 tot maximaal 30 µg/m3. Gemeten PM2,5-concentraties in straten liggen tussen 17 tot 21 µg/m3. Het beperkte aantal metingen van PM2,5 langs straten en wegen in Nederland en nabijgelegen regio's in België en Duitsland geven een range van 18-28 µg/m3.

Bronnen

De grootste bronbijdrage aan de emissies van primair PM2,5 in Nederland komt van het verkeer gevolgd door de zeescheepvaart op het Nederlandse deel van het continentale plat. In de emissieregistratie is een inventarisatie beschikbaar van de emissies van primair PM2,5 in Nederland. De emissies van PM2,5 worden berekend op basis van de verhoudingen in emissies van primair PM2,5 en primair PM10 per sector en deelsectoren. Voor 2008 bedroeg de emissie van primair PM2,5 in Nederland ongeveer 19 miljoen kg.
 
PM2,5 bestaat (gemiddeld) voor 45% uit zogeheten secundair aerosol (ammoniumsulfaat, ammoniumnitraat). Ammoniumsulfaat en ammoniumnitraat zijn deeltjesvormige stoffen die worden gevormd uit de gassen zwaveldioxide, stikstofoxiden, die vrijkomen bij verbrandingsprocessen, en uit ammoniak, dat vooral vrijkomt uit dierlijke mest. Daarnaast is er een bijdrage van ongeveer 30% uit koolstofverbindingen. Koolstofverbindingen, waaronder roet, zijn deels van natuurlijke oorsprong en deels het gevolg van menselijk handelen, waaronder verkeer en industrie. Koolstofverbindingen worden als deeltjes uitgestoten bij verbrandingsprocessen en kunnen ook in de lucht worden gevormd uit vluchtige organische stoffen.

Normstelling

Nieuwe inzichten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geven aan dat PM2,5 schadelijker is voor de mens dan PM10. De oorzaak hiervan is onder andere dat PM2,5 dieper in de longen doordringt (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). Dit is dan ook een belangrijke reden dat er in de laatste Europese regelgeving voor de luchtkwaliteit normen voor PM2,5 zijn afgesproken. De al langer bestaande regelgeving voor PM10 is echter onverkort van kracht.
 
De nieuwe richtlijn luchtkwaliteit bevat grens- en richtwaarden voor PM2,5 De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie is 25 µg/m3. Hieraan moet vanaf 2015 worden voldaan; de grenswaarde is overal van toepassing. Er is een 'indicatieve grenswaarde' voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie van 20 µg/m3 vanaf 2020. In 2013 wordt deze waarde geëvalueerd met als doel na te gaan of hij kan worden omgezet in een grenswaarde die vanaf 2010 overal van toepassing is.
 
Nieuw is de aanpak om de blootstelling van mensen aan fijn stof grootschalig terug te dringen. Dit gebeurt bij PM2,5 door de gemiddelde stadsachtergrondconcentratie te beperken via een grenswaarde en een verminderingsdoelstelling voor de gemiddelde-blootstellingsindex (GBI). Deze GBI is de maat voor de gemiddelde stadsachtergrondconcentratie in een land. Het is het gemiddelde van de gemeten concentraties op stedelijke achtergrondlocaties in Nederland; hierbij wordt middeling over drie jaar toegepast.
 
De toegestane maximale blootstellingsconcentratie van 20 µg/m3 geldt vanaf 2015. De verminderingsdoelstelling in 2020 ten opzichte van 2010 is een richtwaarde. Deze bedraagt 15% bij een GBI van 13-18 µg/m3 in 2010. Bij een GBI van 8,5-13 µg/m3 geldt een doelstelling van 10% en bij een GBI boven 18 µg/m3 van 20%. In 2013 wordt deze doelstelling geëvalueerd met als doel na te gaan of hij kan worden omgezet in een grenswaarde. De GBI's voor 2010 en 2020 zijn gedefinieerd als het gemiddelde over drie jaar (2009-2011 respectievelijk 2018-2020).
 
In 2011 zal voor het eerst moeten worden gerapporteerd over de PM2,5-concentraties in het jaar 2010. Als vanaf 2011 aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan dan wordt naar verwachting ook aan de grenswaarde voor PM2,5 voldaan. De nieuwe grenswaarden voor PM2,5 zullen dus waarschijnlijk niet leiden tot nieuwe plaatsen waar grenswaarden voor de luchtkwaliteit worden overschreden. Nederland zal in dat geval op tijd aan alle grenswaarden en richtwaarden voor PM2,5 voldoen bij het huidige en voorgenomen fijnstofbeleid van Nederland en de overige EU-lidstaten (Mathijsen et al., 2009) Daarmee lijken de normen voor PM2,5 niet strenger dan die voor PM10.
 
De Wereldgezondhiedsorganisatie (WHO) beschouwt overigens de Europese grenswaarde van 25 µg/m³ als een interim doelstelling. Volgens de WHO moet op termijn worden gestreefd naar een grenswaarde van 10 µg/m³ voor het jaargemiddelde (WHO, 2006).

Metingen van de fijnere fractie van fijn stof

De nationale meetverplichting voor PM2,5 die volgt uit de nieuwe richtlijn, is nog niet vastgesteld. Het RIVM anticipeert op basis van het meest recente richtlijnvoorstel op de mogelijke vormgeving van PM2,5-metingen in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Zo worden in samenwerking met locale meetnetten afspraken gemaakt om PM2,5 zoveel mogelijk op de zelfde wijze te meten. Harmonisatie van de meetnetten leidt tot een verbetering in de onderlinge vergelijkbaarheid van de metingen. Automatische metingen van PM10 bleken in het verleden namelijk vaak moeilijk vergelijkbaar, omdat er in Nederland een aantal verschillende typen meetinstrumenten werden toegepast met elk een eigen verdampingskarakteristiek en bijkomende verschillen in correctiefactoren.
 
Metingen van PM2,5 worden in Nederland uitgevoerd volgens de referentiemethode om de onzekerheden zo klein mogelijk te houden. Onzekerheden in de emissies en de modellering kunnen extra onzekerheden introduceren in de ruimtelijke verdeling en in de bijdrage van verschillende bronnen aan de concentratie. Als de gegevensbasis van PM2,5 groter wordt door additioneel onderzoek, onder andere in het kader van het beleidsgeoriënteerd onderzoeksprogramma PM (BOP; zie MNP, 2007), kunnen de onzekerheden worden verkleind.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof in lucht

Omschrijving

Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof in Nederland op basis van meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Jaargemiddelde concentraties berekend uit dagwaarden. Voor de berekening van een geldig jaargemiddelde is het criterium gehanteerd dat er minimaal 75% van het maximaal mogelijke aantal dagwaarden in een jaar beschikbaar moet zijn.

Basistabel

Reken- en Informatiesysteem Lucht van het Centrum voor Milieumonitoring van het RIVM.

Geografisch verdeling

1. De kaart is gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen.
2. De trendfiguur 2009-2010 is gebaseerd op meetgegevens van zveven regionale stations, tien stadsstations en acht straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

Andere variabelen

Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit levert ook informatie over andere luchtverontreinigende stoffen als fijn stof, koolmonoxide, ozon, stikstofoxiden en zwaveldixoide.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland. Rapportage 2010 (Velders et al., 2010; zie bij 'Referenties').
Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2009 (Mooibroek et al., 2010; zie bij 'Referenties').

Opmerking

1) De volledige (en juiste) definitie van PM2,5 luidt: 'Deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 μm'. 2) De meetgegevens van de fijnere fractie van fijn stof zijn verkregen met metingen volgens de referentiemethode.

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, Wageningen UR (2011). Concentraties van de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5), 2009-2010 (indicator 0532, versie 03 , 24 mei 2011 ). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen.

CLO.nl is een samenwerkingsverband van PBL, CBS en Wageningen UR.