Modelberekeningen condities voor doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn van landnatuur

Modelberekeningen laten zien dat de condities voor het potentiële doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn van landnatuur in de periode 2015-2024 voorzichtig zijn verbeterd. Op basis van de voorgenomen natuurmaatregelen en de verwachte verandering van de stikstofdepositie schatten we een verdere verbetering van de omgevingscondities in met positieve effecten op het aantal soorten dat potentieel landelijk duurzaam kan voortbestaan.

Tabel: Condities voor VHR-doelbereik volgens een aantal analyses met het Model for Nature Policy (MNP) voor verschillende jaren
Condities voor VHR-doelbereik (%) JaarAnalyse met publicatie jaarBasisbestanden met situatiejaar
VOOR herziening kritische depositie-waardenNA herziening kritische depositie-waarden   
52,745,72015 - 2018Lerende Evaluatie Natuurpact 2017Beheertypen 2015
Stikstofdepositie 2014
pH 2015
GVG 2015
53,4 2019Natuurverkenning 2020Beheertypen 2018
Stikstofdepositie 2018
pH 2018
GVG 2018
55,5 2020Extra analyse 2022Beheertypen 2021
Stikstofdepositie 2019
pH 2018
GVG 2018
56,2 2021Monitoring en evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering 2024Beheertypen 2022
Stikstofdepositie 2019
pH 2018
GVG 2018
57,5 2022Analyse 2024Beheertypen 2023
Stikstofdepositie 2022
pH 2018
GVG 2018
57,5502024Analyse 2025Beheertypen 2024
Stikstofdepositie 2024
pH 2018
GVG 2018
71,963,72030Planpotentieel 2024Volledige uitvoering Natuurpact, Uitvoeringsprogramma Natuur en de regeling Versneld natuurherstel

Indicatie voor VHR-doelbereik op basis van condities voor milieu en ruimte

De eerste kolom in de tabel laat zien dat de condities voor doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) van landnatuur in de periode 2015-2024 voorzichtig verbeteren. Dit op basis van een aantal analyses waarbij het ecologische rekenmodel Model for Nature Policy (MNP) is gebruikt om op basis van beperkt beschikbare informatie iets te zeggen over veranderingen in condities. Analyses met het MNP geven geen feitelijke veranderingen in de natuur buiten weer (geen monitoring), maar geven slechts een inschatting of VHR-soorten naar verwachting landelijk gezien duurzaam kunnen voorkomen op basis van de (eveneens ingeschatte) ruimte- en milieucondities. Deze inschatting wordt uitgedrukt als de indicator ‘Condities voor VHR-doelbereik van landnatuur’. Deze indicator geeft een indicatie van de potentie voor het percentage (typische) VHR-soorten waarvoor de condities in een bepaald jaar geschikt zijn om duurzaam te kunnen voortbestaan. Als de condities geschikt zijn voor een soort, wil dat niet zeggen dat de soort daar ook daadwerkelijk voorkomt. De term landnatuur geeft aan dat het om de natuur binnen de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland, exclusief wateren, natuur in de stad en gebieden met regulier agrarisch gebruik.

Alleen de stikstofdepositiegegevens en beheertypeninformatie (zie tabel), waar de schatting van 50 procent voor het jaar 2024 mede op is gebaseerd, zijn actueel. Informatie over bodem- en grondwatercondities is gedateerd en verbetering van de monitoring is hiervoor noodzakelijk. Dit vergroot de onzekerheid over de condities voor VHR-doelbereik. Dat er 50 procent en geen 100 procent VHR-doelbereik wordt ingeschat, komt doordat de condities voor veel soorten nog onvoldoende zijn vooral als gevolg van een tekort aan leefgebied en ongeschiktheid van het leefgebied door versnippering, verdroging en vermesting. De steekproefsgewijze monitoring van zuurgraad van de bodem (pH) en gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) laat zien dat de werkelijke veranderingen kunnen leiden tot verslechtering en sterk kunnen variëren in de tijd (zie ook CLO-indicatoren 1593 en 1594). Dit leidt ook tot onzekerheid in de modelberekeningen (zie figuur).

Verlaging van condities voor VHR doelbereik door herziening kritische depositiewaarden

Met de nieuwe kennis over stikstofgevoeligheden van habitattypen, die leidde tot herziening van de kritische depositiewaarden (KDW), nemen de berekende condities voor VHR-doelbereik voor het jaar 2024 af van 57,5 naar 50 procent (respectievelijk eerste en tweede kolom tabel). Deze nieuwe schatting laat zien dat de eerdere berekeningen een te rooskleurig beeld lieten zien. De nieuwe berekende cijfers vallen wel in de eerder aangegeven onzekerheidsband (zie figuur). De herziene randvoorwaarden van de habitattypen en leefgebieden zijn over het algemeen kritischer (Wamelink et al., 2023). De KDW geeft aan hoeveel stikstof de natuur aankan zonder dat het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Vooral ecosystemen die voedselarme condities vereisen, zijn gevoelig voor milieudruk door stikstofdepositie (zie ook CLO-indicator 0626).

Voorgenomen natuur- en stikstofbronmaatregelen hebben in potentie positieve effecten op het duurzaam voorkomen van soorten

Op basis van de voorgenomen natuurmaatregelen en de verwachte verandering van de stikstofdepositie verwachten we in 2030 een verbetering van de omgevingscondities met positieve effecten op het aantal soorten dat potentieel landelijk duurzaam kan voortbestaan (Van Bussel & Van Hinsberg 2024). Door de inzet van middelen uit de eerste en gedeeltelijk tweede tranche van het Uitvoeringsprogramma Natuur en de regeling Versneld natuurherstel verwachten we een toename van circa 7 procentpunten van het aantal soorten dat potentieel duurzaam kan voortbestaan. Deze verbetering komt boven op de verwachte verbetering bij volledige uitvoering van het Natuurpact (PBL & WUR 2017) (zie figuur). Het planpotentieel betekent dat het gaat om het te verwachten effect in 2030 als het concreet uitgewerkte voorgenomen beleid volledig, zonder vertraging en ecologisch optimaal wordt uitgevoerd. De toename van circa 7 procentpunten komt overeen met de eerder geschatte mogelijke verbetering uit de Quickscan intensivering natuurherstelmaatregelen (Van Hinsberg & Van Egmond 2020). Waarschijnlijk draagt ook de toename van het natuurareaal bij aan een verder gaande verbetering van natuur. De historische trend in verbetering van de ruimtelijke condities voor natuur zet door (CLO, 1523).

Lokale verbetering van omgevingscondities, maar voor een fors areaal nog niet optimaal

Naast de berekening van de condities voor VHR-doelbereik op landelijk schaalniveau is het met het model mogelijk om in te schatten wat de verbeteringen in condities op lokaal schaalniveau zijn en daarmee wat het voor het lokaal voorkomen van soorten kan betekenen (ecosysteemkwaliteit). De modelberekeningen voor de huidige situatie laten zien dat maar een klein percentage van het Nederlandse areaal met landnatuur een hoge (ecosysteem)kwaliteit heeft (Van Bussel & Van Hinsberg 2024). In dit areaal met hoge kwaliteit zijn de omgevingscondities en de grootte van het leefgebied zodanig dat 90 tot 100 procent van de soorten van het daar aanwezige type natuur potentieel in stabiele populaties kan voorkomen. Door het uitvoeren van natuur- en stikstofbronmaatregelen wordt het areaal met een hoge ecosysteemkwaliteit groter. Echter het areaal met een hoge ecosysteemkwaliteit blijft beperkt. Wel zien we een forse toename in het areaal waarin 75 tot 90 procent van de soorten van een natuur(beheer)type kan voorkomen (van circa 1 procent tot circa 15-17 procent van het natuurareaal). We concluderen dat op een aanzienlijk oppervlak de maatregelen resulteren in een verbetering van de omgevingscondities, maar een fors areaal heeft na de uitvoering van de maatregelen nog steeds te maken met een of meerdere suboptimale condities.

Uitvoering en effecten van natuurmaatregelen kunnen tegenvallen ...

Modellen gaan uit van optimale uitvoering van maatregelen. In de praktijk kunnen effecten op de toestand van de natuur lager uitvallen. Experts die voor deze studie zijn bevraagd, constateren dat er verschillende risico’s zijn die de uitvoering van de maatregelen minder effectief maken voor natuurverbetering. Ook andere studies hebben dit gevonden (zie bijvoorbeeld PBL & WUR 2023). Volgens de experts is een substantiële bijstelling van het verwachte effect van de plannen nodig vanwege de geringe realisatiesnelheid en het beperkte draagvlak voor de maatregelen. Zij verwachten dat het draagvlak voor maatregelen ín natuurgebieden groter is dan daarbuiten. Dit kan leiden tot extra vertraging in de uitvoering van maatregelen buiten natuurgebieden. De Voortgangsrapportage Natuur (IPO & LNV 2024) bevestigt deze vertraging. Als consequentie kunnen de effecten van de maatregelen achterblijven met name uit de tweede tranche van het Uitvoeringsprogramma Natuur. Ook bestaat er reden tot zorg over de ecologische effectiviteit van maatregelen. Zo lijkt volgens Van der Hoek et al. (2020) de effectiviteit van natuurherstelmaatregelen uit het Natuurpact in de drogere landnatuur achter te blijven, zeker in vergelijking tot de verbetering van nattere natuur. De geraadpleegde experts schatten in dat de verwachte effecten van de plannen voor de hogere zandgronden het meest naar beneden moeten worden bijgesteld.

… en werkelijke veranderingen in de toestand van de natuur zullen daardoor kleiner zijn dan de modeluitkomsten

De modelinschatting van de potentiële effecten van de maatregelen op het potentiële duurzaam voorkomen van soorten en op omgevingscondities is gedaan onder de aanname dat natuurmaatregelen daadwerkelijk, tijdig en ecologisch optimaal worden uitgevoerd. De toename van circa 7 procentpunten in het aantal soorten dat potentieel duurzaam kan voortbestaan is daarom een overschatting van de daadwerkelijke veranderingen in de toestand van de natuur. Dit geldt ook voor de inschatting over het areaal met een hoge ecosysteemkwaliteit. Daarbij komt dat het gebruikte model (MNP) een vereenvoudiging is van de werkelijkheid, wat tot extra onzekerheid leidt in de uitkomsten. Ten slotte overschat het model de effecten voor habitattypen die centraal staan in de stikstofaanpak. Dit omdat het model de gevolgen voor soorten (dagvlinders, vaatplanten en broedvogels) berekent en niet voor de habitattypen. Deze soorten hebben een betere uitgangssituatie dan de habitattypen (Woestenburg et al. 2020). Daar staat tegenover dat in de huidige berekening nog niet alle natuur- en stikstofmaatregelen zijn opgenomen, omdat de plannen en maatregelen maar deels concreet genoeg waren uitgewerkt. Uit monitoring en analyses achteraf zal daarom moeten blijken of de verbetering in condities voor soorten daadwerkelijk optreedt. Ook is nog onzeker of dit resulteert in een positieve trend van de instandhouding van soorten en habitattypen.

Condities voor VHR-doelbereik en gunstige staat van instandhouding

De indicator geeft een inschatting van het percentage Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijnsoorten, inclusief een deel van de typische soorten van de habitattypen, dat gegeven de condities potentieel duurzaam kan voorbestaan. De indicator is niet gelijk aan de staat van instandhouding zoals gerapporteerd dient te worden aan de Europese Commissie (artikel 17 HR-rapportage). De referenties en maatlatten van voorkomen uit  het model wijken namelijk af van de referenties en de maatlatten die worden toegepast voor de beoordeling van de staat van instandhouding. De modeluitkomsten geven wel een indicatie van de verandering in een aantal belangrijke condities die relevant zijn voor de staat van instandhouding van veel soorten en habitats, maar ze zijn niet uitputtend en nauwkeurig genoeg voor uitspraken op het niveau van afzonderlijke soorten of gebieden.

De indicator is ontwikkeld om de verwachte effecten van maatregelen en toekomstig beleid te analyseren. Verder geeft de indicator slechts een inschatting omdat het gebaseerd is op eveneens ingeschatte ruimte- en milieucondities. Het gaat hier dus om de benodigde condities; de effecten op de soorten zelf treden vaak pas enkele tot vele jaren later op.

Daarnaast beperkt het model zich tot landnatuur voor de soortgroepen broedvogels, dagvlinders en vaatplanten en tot de belangrijkste drukfactoren die momenteel, in Nederland als geheel, de verspreiding en populatiegrootte van VHR-soorten bepalen (zie technische toelichting). Sommige factoren die meer lokaal bepalend zijn voor de aanwezigheid van soorten, zoals beheer, jacht (of andere beïnvloeding/verstoring) en barrières (wegen, hekken, enzovoort), worden in het model niet beschouwd.

Wanneer de modeluitkomsten worden vergeleken met de recente officiële monitoringsrapportages dan blijkt de op het modelgebaseerde indicator vergelijkbaar met de uitspraken op basis van metingen voor wat betreft de orde van grootte van het doelbereik en de verwachte ontwikkelingen in het doelbereik (Pouwels & Henkens 2020; Hinsberg et al., 2023). Voor meer informatie over de gerapporteerde staat van instandhouding van soorten en habitattypen, zie CLO-indicator 1604.

Bronnen

  • Biersteker, L. & H.D. Roelofsen (2024), Toepassing Model for Nature Policy voor de Monitoring en Evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, Wageningen: Wageningen Environmental Research.
  • Bussel, L.G.J. van & A. van Hinsberg (2024), Verwachte effecten van voorgenomen natuur- en stikstofbronmaat-regelen op de toestand van de natuur. Monitoring en evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Hinsberg, A. van, P. van Egmond, M. Hellegers, D.-J. van der Hoek & H. Bredenoord (2020), Quick scan intensivering natuurmaatregelen. Een eerste inschatting van potentiële effecten. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Hinsberg, A. van, R. Pouwels, M. Hellegers en R.J.H.G. Henkens (2023), Review van de MetaNatuurPlanner, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Hoek, D.-J. van der, B. de Knegt & P. Giesen (2020), Bijdrage van herstelmaatregelen aan verbeteren biodiversiteit in het Natuurnetwerk. Achtergrondrapport lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • IPO & LNV (2024), Tiende Voortgangsrapportage Natuur, Den Haag.
  • PBL & WUR (2017), Lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • PBL & WUR (2023), Lessen uit 10 jaar Natuurpact- Derde lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Pouwels, R., & R.J.H.G. Henkens (2020), Naar een hoger doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn in Nederland; Een analyse van de resterende opgave na 2027 voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van alle habitattypen en VHR-soorten (Rapport 2989). Wageningen: Environmental Research.
  • Wamelink, W., H. van Dobben, F. van der Zee, A. van Hinsberg, R. Bobbink (2023), Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000: Herziening 2023. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3272.
  • Woestenburg, M., M.C.A. van Aar (reds), A.S. Adams, R.J. Bijlsma, G.I. Bos, A.P.P.M. Clerkx, J.A.M. Janssen, A. van Kleunen, W.J. Remmelts, N.M. van Rooijen, J.H.J. Schaminée, A.M. Schmidt, C.A.M. van Swaay & S. Wijnhoven (2020), Vogel- en Habitatrichtlijnrapportage 2019. WOt-brochure.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Modelberekeningen geven op basis van de condities een inschatting van het doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn van landnatuur voor verleden en toekomst.

Omschrijving

Indicatie voor het percentage (typische) VHR soorten van landnatuur waarvoor de condities in een bepaald jaar geschikt zijn om landelijk duurzaam te kunnen voortbestaan.

Verantwoordelijk instituut

PBL (Arjen van Hinsberg, Dirk-Jan van der Hoek)

Berekeningswijze

De inschattingen zijn op basis van een aantal recente toepassingen waarbij het model de Metanatuurplanner / Model for Nature Policy (MNP) is gebruikt om op basis van beperkt beschikbare informatie iets te zeggen over veranderingen. Berekeningen met het MNP zijn geen monitoringsgegevens die iets zeggen over veranderingen in de natuur buiten, maar geven slechts een inschatting op basis van de eveneens ingeschatte ruimte- en milieucondities of VHR-soorten naar verwachting landelijk duurzaam kunnen voorkomen. Deze inschatting wordt uitgedrukt als de indicator condities voor VHR-doelbereik van landnatuur. Concreet geeft het een indicatie voor het percentage (typische) VHR soorten waarvoor de condities in een bepaald jaar geschikt zijn om duurzaam te kunnen voortbestaan. Dit percentage is een inschatting voor de gunstige staat van instandhouding van de beschermde landnatuur in Nederland van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR-doelen).  Het gebruikte model is beperkt tot landnatuur binnen het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden en de soortgroepen dagvlinders, vaatplanten en broedvogels. De 146 dier- en plantsoorten (92 vaatplanten, 23 dagvlinders en 31 broedvogels) in het model omvatten niet alle soorten die onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. De gebruikte soortgroepen zijn wel de grootste soortgroepen in het Nederlandse natuurbeleid. Ook zijn deze verschillende soortgroepen afhankelijk van processen op de schaalniveaus landschap, vegetatiestructuur en standplaats en geven zodoende een betere afspiegeling van biodiversiteit dan wanneer één soortgroep zou worden meegenomen. Daarnaast leggen provincies om de natuurkwaliteit te bepalen ook de nadruk op planten, vlinders en broedvogels.

De indicator wordt gebruikt om een landelijk beeld te schetsen in hoeverre beleidsmaatregelen de condities kunnen verbeteren bij optimale uitvoering van beleid, en hoe groot het gat naar 100% condities op orde dan nog is. De indicator wordt niet gebruikt bij vergunningverlening of om de lokale staat van de natuur aan af te meten. Verder geldt dat de indicator niet gaat over de staat van instandhouding zoals gerapporteerd dient te worden aan de Europese Commissie (artikel 17 HR-rapportage).

Let op: voor het jaar 2015-2018 en 2024 staan twee uitkomsten voor de condities voor VHR-doelbereik (zie tabel). Deze gaan uit van respectievelijk de oorspronkelijke en de herziene randvoorwaarden van de habitattypen (Wamelink et al., 2023).

Achtergrond informatie bij de tabel:

  • Beheertypen zijn gebaseerd op provinciale natuurbeheerplannen (NBP, BIJ12). Het NBP van 2024 geeft de situatie in 2023 weer.
  • Stikstofdepositie is gebaseerd op de Grootschalige Depositiekaarten Nederland (GDN, RIVM). GDN van 2015 geeft de situatie voor 2014 weer. Voor de stikstofdepositie van 2024 is anders dan eerdere jaren uitgegaan van gemodelleerde langjarige gemiddelde weersomstandigheden i.p.v. gemiddelden voor een specifiek jaar. Dit is gedaan omdat de cijfers dan methodisch beter te vergelijken zijn met de toekomstschattingen uit MESN.
  • De zuurgraad van de bodem (pH) van 2015 is gebaseerd op vegetatieopnames 1990-2015 (Pouwels et al., 2017).
  • De pH 2018 is gebaseerd op vegetatieopnames 2009-2018 (Wamelink et al., 2019).
  • De gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) van 2015 is een combinatie van een grondwaterstandenkaart o.b.v. peilbuisgegevens (Van Delft et al., 2017) en GVG inschattingen o.b.v. vegetatieopnames 2004-2015 (Pouwels et al., 2017).

De GVG van 2018 is o.b.v. GVG-inschattingen o.b.v. vegetatieopnames 2009-2018 (conform Wamelink 2019 voor pH en CLO indicator 1594) met aanvullingen o.b.v. NHI-berekeningen voor gebieden buiten natuurgebieden.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografische verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

onregelmatig

Achtergrondliteratuur

Biersteker, L. & H.D. Roelofsen (2024), Toepassing Model for Nature Policy voor de Monitoring en Evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, Wageningen: Wageningen Environmental Research. 

Breman B.C., W. Nieuwenhuizen, G.H.P. Dirkx, R. Pouwels, B. de Knegt, E. de Wit, H.D. Roelofsen, A. van Hinsberg, P.M. van Egmond, G.J. Maas (2022). Natuurverkenning 2050 – Scenario Natuurinclusief. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 136. 155 blz.; 29 fig.; 17 tab.; 109 ref; 7 bijlagen 

Bussel, L.G.J. van & A. van Hinsberg (2024), Verwachte effecten van voorgenomen natuur- en stikstofbronmaat-regelen op de toestand van de natuur. Monitoring en evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. 

Delft, S.P.J. van, T. Hoogland, G.J. Roerink & W.M.L. Meijninger (2017), Verdrogingsinformatie voor de Nederlandse natuur. Een vergelijking tussen de actuele en gewenste grondwatersituatie, Wageningen: Wageningen Environmental Research.

Hoek, D.-J. van der, M. Smit, S. van Broekhoeven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitsdoelen. Achtergrondrapport lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Pouwels, R., G.W.W. Wamelink, M.H.C. van Adrichem, R. Jochem, R.M.A. Wegman en B. de Knegt (2017). MetaNatuurplanner v4.0 - Status A; toepassing voor Evaluatie Natuurpact. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 110. 92 blz.; 11 fig.; 12 tab.; 70 ref; 12 Bijlagen.

Pouwels, R., A. van Hinsberg, V. Mensing, S. van Tol & J.Y. Frissel (2020). Achtergrondrapport referentiescenario’s natuurverkenning 2050. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 190. 120 blz.; 27 fig.; 12 tab.; 88 ref; 9 Bijlagen.

Wamelink, G. W., Walvoort, D. J., Sanders, M. E., Meeuwsen, H. A., Wegman, R. M., Pouwels, R., & Knotters, M. (2019), ‘Prediction of soil pH patterns in nature areas on a national scale’, Applied Vegetation Science, 22(2), 189-199.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Zie betrouwbaarheidsintervallen in figuur.

Referentie van deze webpagina

CLO (2025). Modelberekeningen condities voor doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn van landnatuur (indicator 1606, versie 04, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.