Compendium voor de Leefomgeving
477 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Ecosystemen

Ontwikkelingen in de landbouw, 1900-2008

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

De afgelopen eeuw is een kleinschalige ambachtelijke landbouw grotendeels omgezet in een grootschalige industriële landbouw. Dit heeft grote veranderingen in het agrarische gebied veroorzaakt die op veel wilde planten- en diersoorten een negatieve invloed hebben gehad. Allerlei beschermingsmaatregelen hebben ten doel deze negatieve ontwikkelingen om te buigen.

Leefgebied voor plant en dier

Agrarisch gebied is met 60% van het landoppervlak van Nederland het grondgebruik met het grootste leefgebied voor planten en dieren. Veel soorten komen in dit gebied voor en een groot deel ervan is vrijwel geheel afhankelijk van het agrarische gebied. Juist bij deze laatste groep komen soorten voor die de afgelopen jaren in Nederland een dalende trend laten zien. Het succes van de soorten in het agrarische gebied hangt af van voldoende schuil- en nestgelegenheid en voldoende voedsel zowel in de zomer als in de winter. Ook moet de sterfte door predatie en andere oorzaken voldoende gecompenseerd worden door nieuwe aanwas.

Grote lijnen verandering in de landbouw

De belangrijkste veranderingen in de landbouw zijn met de volgende sleutelwoorden aan te geven.

Schaalvergroting: bedrijfsvergroting en sterke afname van het aantal arbeidskrachten; ruilverkaveling en landinrichting; verlies van houtwallen, bosjes en andere kleine landschapselementen.
Intensivering: grotere veedichtheid; intensieve vee-, pluimvee- en varkenshouderij; intensievere tuinbouw en toename kassenteelt; vervroeging maaidatum en verhoging aantal maaibeurten; omschakeling van hooien naar inkuilen; toenemend gebruik diergeneesmiddelen, zoals ontwormingsmiddelen, schadelijk voor mestkevers en -vliegen; verlaging van het waterpeil in verband met het gebruik van zware machines.
Specialisatie: vrijwel verdwijnen van het gemengde bedrijf en de opkomst van gespecialiseerde bedrijven.
Rationalisatie: het gebruik van doelmatige bedrijfsvoering met nieuwe hulpmiddelen waarmee een hogere opbrengst per hectare is verkregen; toenemende gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest; efficiëntere wijze van dorsen, transport en opslag van oogst; zaadschoning.
Mechanisatie: omschakeling van menskracht en paarden naar machines.
Globalisatie: aankoop van voedermiddelen in het buitenland.
Areaalverkleining: door bebouwing en wegen, deels gecompenseerd door inpolderingen. In mindere mate door de ontwikkeling van bos en natuur op landbouwgronden.


Gewaskeuze: wisseling van zomer- naar wintergraan; overgang van rogge en haver naar maïs; omzetten van permanent naar tijdelijk grasland; van grasland e.a. naar bollen- en boomteelt .

Maatregelen en subsidies

Er zijn in de loop van de jaren veel maatregelen genomen om de flora en fauna van het agrarische gebied te beschermen. Dit kan gaan om vrijwillige maatregelen, stimulerende maatregelen in de vorm van subsidies als om wettelijke gebod- en verbodbepalingen.
Enkele voorbeelden zijn nestbescherming, verbod op gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen, mestwetgeving, agrarische natuurbeheer, subsidies op onderhoud van kleine landschapselementen, braaklegregeling, invoering melkquota, instelling van weidevogel- en akkeronkruidreservaten en subsidies op perceelrandenbeheer.
Agrarisch natuurbeheer betekent meer onderhoud van houtwallen en andere kleine landschapselementen, minder gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest en het later maaien van grasland.
Was de aandacht bij ruilverkaveling vooral gericht op verbetering van de landbouw, bij de latere Landinrichtingswet uit 1979 is meer aandacht voor natuur en landschap gekomen.
Ook de omschakeling van gangbare landbouw naar biologische landbouw betekent een verbetering van de leefomstandigheden van de wilde flora en fauna. Het aandeel biologische landbouw (2,2%) is echter nog zeer gering.

Referenties

  • Beintema, A., O. Moedt en D. Ellinger (1995).Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt & Co., Haarlem.
  • Bieleman, J. (2008). Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500-2000.
  • Butler, S.J., J.A.Vickery en K.Norris (2007). Farmland biodiversity and the footprint of agriculture. Science Vol. 315 no. 5810: 381-384.
  • CBS (1997) Boeren in een veranderd milieu. Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen.
  • CBS (2001). Tweehonderd jaar statistiek in tijdreeksen 1800-1999. Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen.
  • LEI en CBS (2008). Land- en tuinbouwcijfers 2008. LEI Wageningen UR & Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • Dochy, O. en M.Hens (2005). Van de stakkers van de akkers naar de helden van de velden. Beschermingsmaatregelen voor akkervogels. Rapport IN.R.2005.01. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel i.s.m. Provincie bestuur West-Vlaanderen, Brugge.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ontwikkeling in de Landbouw

Omschrijving

Beschrijving van de belangrijkste ontwikkelingen in de landbouw in de afgelopen honderd jaar

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Inleidende tekst met enkele toelichtende tabellen

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

onregelmatig

Achtergrondliteratuur

zie referenties

Opmerking

Landbouwpaarden zijn paarden op landbouwbedrijven. in de periode voor 1980 betreft het vooral werkpaarden, in de periode erna vooral rijpaarden

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2009). Ontwikkelingen in de landbouw, 1900-2008 (indicator 1515, versie 02 , 14 mei 2009 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.