Compendium voor de Leefomgeving
473 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Natuurbeleid en natuurbescherming

Zoogdieren van de Habitatrichtlijn, 1992-2015

Er staan veel zoogdiersoorten op de Habitatrichtlijn. De meeste van die soorten gaan recent vooruit.

Habitatrichtlijn

De Habitatrichtlijn van de Europese Unie is bedoeld om de biodiversiteit in stand te houden door de wilde flora en fauna en hun habitats te beschermen. Daartoe moeten de lidstaten speciale beschermingsgebieden (Habitatrichtlijngebieden) inrichten en bepaalde planten- en diersoorten en habitats beschermen. De lidstaten rapporteren elke zes jaar hoe de soorten en habitats er voor staan door na te gaan in hoeverre deze een gunstige staat van instandhouding hebben bereikt. De Europees beschermde soorten staan in bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn (zie de link naar de Europese Habitatrichtlijn). Het gaat in Nederland om elf land- en zoetwaterzoogdieren, alle inheemse soorten vleermuizen en enkele zeezoogdieren.

Hazelmuis

De hazelmuis is een bijlage IV-soort. Hazelmuizen komen in ons land alleen nog voor op de vochtige löss-leembodems in structuurrijke bossen van Zuid-Limburg, met name in de bramenrijke struweelbegroeiingen van de boszomen. Het verspreidingsgebied van de hazelmuis is in de vorige eeuw sterk gekrompen, doordat geschikte braamrijke zoomvegetaties verdwenen. De overgebleven restanten zijn sterk versnipperd.
Hazelmuizen bouwen in het najaar karakteristieke nesten in struweelranden. In het resterende verspreidingsgebied is er na een aanvankelijke daling van het aantal nesten sprake van een sterke toename vanaf 1998. Deze toename komt waarschijnlijk door de getroffen maatregelen, zoals kleinschalig bosrandenbeheer, die zijn uitgevoerd in het kader van het provinciale soortenbeleid. De hazelmuis handhaaft zich vooralsnog goed in de bekende leefgebieden. Vestiging in nieuwe gebieden heeft echter nog niet of nauwelijks plaatsgevonden en de staat van instandhouding is nog zeer ongunstig.

Noordse woelmuis

De Noordse woelmuis staat in bijlage II en IV en wordt in de Habitatrichtlijn aangeduid als prioritaire soort. De soort leeft in moerassige gebieden en drassige graslanden. Hij is tegenwoordig verspreid over vijf regio's: het Deltagebied, Texel, Friesland, Noord-Holland midden en het Zuid-Hollandse plassengebied. De Noordse woelmuis is sterk achteruitgegaan doordat zijn leefgebied verdween door intensive landbouw, verdroging en het verdwijnen van moerasgebiedjes en doordat andere woelmuissoorten zijn leefgebied koloniseren en hem wegconcurreren. In alle regio's is de verspreiding van de soort gekrompen en de resterende populaties zijn vaak geïsoleerd van elkaar. Sinds 1995 is er echter geen verdere krimp aantoonbaar in het aantal kilometerhokken waarin de soort voorkomt. De staat van instandhouding is zeer ongunstig.

Bever

De bever staat in bijlage II en IV. Bevers kwamen tot aan het begin van de 19e eeuw algemeen in Europa voor. Ook in ons land waren zij kenmerkende oeverbewonende zoogdieren. Zij werden sterk bejaagd voor pels en vlees. In 1826 werd de laatste bekende bever in ons land langs de IJssel gedood. Omstreeks 1900 was de bever bijna geheel uit Europa verdwenen. Enkele kleine populaties bleven over, onder andere langs de Elbe in Duitsland en de Rhône in Frankrijk.
Nadien is de bever door beschermende maatregelen en herintroducties in veel landen weer teruggekeerd. In 1988 zijn in de Biesbosch bevers uitgezet, later gevolgd door uitzettingen in de Gelderse Poort, langs de Nederrijn, in Limburg en Drenthe en Groningen. Sinds 1988 vertoont de beverpopulatie in Nederland een gestage groei. In de laatste jaren groeit het aantal zelfs sterk. De staat van instandhouding is nog matig ongunstig.

Otter

De otter staat in bijlage II en IV. Omstreeks 1900 kwamen otters nog in het hele land voor. Door bejaging, verkleining van de leefgebieden en strenge winters nam het aantal otters decennialang sterk af. In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam wellicht de genadeslag. Hoge concentraties PCB's hoopten zich op in de lichamen van de otters via de vis die zij aten waardoor hun voortplanting mogelijk verminderde. Ook was er sprake van een hoge sterfte door visfuiken en het verkeer. In 1989 werd voor het laatst een dode otter in Friesland gevonden en tot 1992 werden er sporen waargenomen.
Nadat de otter uit ons land was verdwenen, is gewerkt aan de terugkeer door de ongunstige invloedfactoren te verbeteren. Omdat er geen zicht was op een natuurlijke terugkeer is een herintroductieprogramma opgesteld. In de periode 2002-2009 zijn in de laagveengebieden van Zuidoost-Friesland en Noordwest-Overijssel 31 otters uitgezet. De uitgezette dieren waren aanvankelijk afkomstig van wildvang uit Oost-Europa en daarna afkomstig uit dierparken. Sindsdien groeit de populatie, zoals ook te zien is aan de meldingen van ottersporen uit steeds meer kilometerhokken (zie figuur). Wel is er risico van inteelt en vallen er veel verkeersslachtoffers. De staat van instandhouding is zeer ongunstig.

Hamster

De hamster staat in bijlage IV. Eind jaren negentig van de vorige eeuw leek het verdwijnen van de hamster uit Nederland onontkoombaar. Sinds 2002 worden hamsters uitgezet in het wild. Deze herintroductie heeft geleid tot behoud van de hamster in Nederland.

Overige landzoogdieren

Boommarter en bunzing staan in bijlage V. Van deze twee soorten zijn nog geen betrouwbare trendschattingen voorhanden. De Euraziatische lynx (bijlage II), wilde kat (bijlage IV) en wolf (bijlage II, IV en V) worden incidenteel gesignaleerd. De wisent (II en IV) is in 2007 als grote grazer op enkele omheinde locaties in Nederland geherintroduceerd.

Vleermuizen

Alle soorten vleermuizen staan op de Habitatrichtlijn. Zie verder:

Zeezoogdieren

Bruinvis (bijlage II en IV), gewone zeehond (bijlage II, V) en grijze zeehond (bijlage II, V) hebben alle drie een matige staat van instandhouding. De aantallen nemen echter toe. Zie verder:


De overige zeezoogdieren op de Habitatrichtlijn zijn gewone dolfijn (bijlage IV), tuimelaar (bijlage II, IV), witflankdolfijn (bijlage IV) en witsnuitdolfijn (bijlage IV). De aantalsontwikkelingen hiervan in de Nederlandse Noordzee zijn nagenoeg onbekend.

Referenties

  • Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters en J. Buys (red) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Nauralis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
  • Janssen, J.A.M. en J.H.J. Schaminée (2008). Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
  • Niewold, F. (2012). Ontwikkelingen van de beverpopulaties tot maart 2009. Niewold Wildlife Infocentre, Duiven.
  • Kuiters, A., D. Lammertsma, H. Jansman en H. Koelewijn (2012). Status van de Nederlandse otterpopulatie na herintroductie. Kansen voor duurzame instandhouding en risico's van uitsterven. Alterra-rapport 2262, WUR.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Zoogdieren van de Habitatrichtlijn, 1992-2015

Omschrijving

Trend van de zoogdieren van de Habitatrichtlijn

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Gegevens over de hazelmuis zijn ontleend aan het meetprogramma voor hazelmuizen van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Daarin wordt het aantal nesten geteld. Op basis daarvan zijn jaarlijkse indexcijfers bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM)).
Noordse woelmuisdata komen uit het NEM-braakballen meetprogramma. Daarmee zijn indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) berekend met occupancy modellen (Van Strien et al., 2015). De trends in verspreiding worden gezien als een benadering van de trend in populatie-aantallen.
Aanvankelijk werden de aantallen bevers en otters integraal geteld, maar dat is niet meer haalbaar nu ze over een groot gebied voorkomen. Daarom wordt het aantal 1 km x 1 km hokken per jaar bijgehouden waarin sporen van de soorten zijn aangetroffen. Met behulp van TRIM zijn hiermee indexcijfers bepaald. Dit verspreidingsonderzoek valt inmiddels onder het NEM.

Hamsters worden geteld door Alterra/Radboud Universiteit Nijmegen, gecombineerd met de jaarlijkse monitoring van de Provincie Limburg. Zie verder Hamster, 1999-2017

Over de jaren heen is een smoothing algoritme toegepast om flexibele trends te bepalen voor elke individuele soort (Soldaat et al., subm.).

Basistabel

Niet van toepassing

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2016). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2015. Centraal Bureau voor de Statistiek, 's-Gravenhage.
Strien, A., D. Bekker, M. La Haye en T. van der Meij (2015). Trends in small mammals derived from owl pellet data using occupancy modelling. Mammalian Biology 80: 340-346.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schattingen van de trend in populatie-aantal (hazelmuis, hamster) zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
C. Schattingen van de trend in verspreiding ( noordse woelmuis) zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een toegesneden statistische methode zijn geanalyseerd.
D. Schattingen van de trend het in aantal hokken waaruit de soort is gemeld, gebaseerd op een waarnemingen van de soorten (bever en otter) zonder statistische correctie voor het verschil in meetinspanningen tussen jaren.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Zoogdieren van de Habitatrichtlijn, 1992-2015 (indicator 1555, versie 02 , 26 oktober 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.