Landbouw en milieu

Productiewaarde land- en tuinbouw, 1995-2011

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

De totale productiewaarde van de land- en tuinbouw lag in 2011 met 25,4 miljard euro 35% hoger dan in 1995. Na de terugval in 2009 als gevolg van de recessie, leverde 2011 de hoogste productiewaarde op sinds 1995.

Stijging productiewaarde vooral door tuinbouw

In 2011 wordt 47% van de totale productiewaarde geleverd door het telen van gewassen, 39% door de veehouderij en 11% door agrarische dienstverlening, voornamelijk loonwerk. De productiewaarde van de veehouderij laat in de periode 1995-2011 flinke schommelingen zien rond het gemiddelde van 8,8 miljard euro met in 2011 de hoogste productiewaarde van 10 miljard euro. Dit is vooral het gevolg van de sterk gestegen melkprijzen in de laatste twee jaar. Bij de teelt van gewassen is er een stijgende trend, waarbij de productiewaarde sinds 1995 met 41% is toegenomen. De stijging komt voornamelijk voor rekening van het kweken van bloemen en planten. In de periode 1995-2011 is de landbouwproductie vooral gestimuleerd door de toegenomen buitenlandse vraag naar Nederlandse groenten, bloemen en planten. In 2011 werd ongeveer 44% van de Nederlandse landbouwproductie ge├źxporteerd. De uitvoerwaarde (FOB) van de Nederlandse landbouwproducten lag hiermee 53% hoger dan in 1995.

Netto toegevoegde waarde daalt

De netto toegevoegde waarde van de gehele land- en tuinbouw, ook wel agrarisch inkomen genoemd, laat een grotendeels dalende lijn zien. Sinds 1995 zijn de kosten van grondstoffen en diensten gestegen, maar bleef de prijsstijging voor landbouwproducten daarbij achter. Daardoor daalde enerzijds het agrarisch inkomen en nam anderzijds het belang van de land- en tuinbouw in de Nederlandse economie af. In 1995 was het aandeel van de land- en tuinbouw in het bruto binnenlands product (bbp) nog 3,2%. In 2011 is dat afgenomen tot 1,5% van het bbp. Het gemiddelde inkomen per agrarisch bedrijf heeft, door schaalvergroting en betere landbouwmethoden, na 1995 een stijgende trend. Die trend werd onderbroken door een scherpe terugval als gevolg van de recessie. In twee jaar tijd viel de netto toegevoegde waarde per bedrijf weer terug tot het niveau van 1995. Vanaf 2010 is het gemiddelde inkomen per agrarisch bedrijf weer terug op een niveau van voor de recessie.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Productiewaarde land- en tuinbouw, 1995-2011

Omschrijving

Ontwikkeling van de productiewaarde en de netto toegevoegde waarde van de landbouw in Nederland, aangevuld met de ontwikkeling van de netto toegevoegde waarde per bedrijf.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Een van de belangrijkste kenmerken van de Landbouwrekeningen is gelegen in het feit dat de output van de meeste producten wordt berekend aan de hand van de formule "hoeveelheid x prijs". Deze aanpak vloeit grotendeels voort uit de moeilijkheid landbouwrekeningen op te stellen aan de hand van representatieve steekproeven van bedrijfsboekhoudingen.
De productie van plantaardige producten kan in het algemeen worden gewaardeerd op basis van de middelen of bestedingen. De eerste methode gaat uit van een schatting van geproduceerde (geoogste) hoeveelheden b.v. aan de hand van het beteelde areaal of de oogstraming. De bestedingenmethode daarentegen is gebaseerd op som van de aankopen door de bedrijfstakken die landbouwproducten gebruiken, het saldo van in- en uitvoer, binnen de bedrijfstak landbouw geproduceerde en verbruikte hoeveelheden, de veranderingen in de voorraden in de productiefase en het gebruik voor eigen rekening (grotendeels verbruik binnen de eenheid). De tweede methode is uitermate geschikt wanneer de kopers van deze landbouwproducten gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd en de andere vier elementen van de bestedingen beperkt van omvang zijn (bv. producten die pas kunnen worden gebruikt na een eerste verwerking, zoals suikerbieten en tabak). Voor de controle van de samenhang en de betrouwbaarheid van de gegevens moet evenwel een fysieke balans worden opgesteld.
De belangrijkste bronnen voor de waardering van de dierlijke output zijn slachtstatistieken, gegevens over de in- en uitvoer van levende dieren en statistieken van de veestapel. De output van dierlijke producten (vooral melk) wordt door het specifieke gebruik gewoonlijk geschat aan de hand van de verkoop aan de verwerkende bedrijfstakken (zuivelfabrieken, verpakkingsbedrijven).
De meeste goederen voor intermediair verbruik kunnen in wezen alleen in de landbouw worden gebruikt (zaai- en plantgoed, meststoffen, bestrijdingsmiddelen enz.). Daarom worden deze aankopen door de landbouw gebaseerd op gegevens over de verkopen van de bedrijfstakken die deze goederen aanbieden (met inachtneming van de buitenlandse handel).
Toepassing van deze regel brengt echter risico's met zich mee. De verkopen van deze producenten hoeven immers niet volledig overeen te stemmen met de aankopen van de landbouw. Meststoffen, bestrijdingsmiddelen enz. kunnen ook voor andere doeleinden worden gekocht (voorraden bij de handel, verbruik van andere eenheden zoals openbare parken en huishoudens). In het systeem van de aanbod- en gebruiktabellen van de nationale rekeningen wordt het intermediair verbruik van de landbouw voor deze onvolkomenheid aangepast.
De toegevoegde waarde is gelijk aan het verschil tussen de productie en het intermediair verbruik.
Uitvoer FOB (Free On Board) geeft aan dat in de prijs van de producten de kosten van het transport tot aan het aan boord gaan van het schip in de haven van inscheping zijn inbegrepen.

Basistabel

Toegevoegde waarde in de landbouw en het agrarisch inkomen:
Land- en tuinbouwcijfers (database), LEI (tabel 81-a).
Land- en tuinbouwcijfers 2012 (pdf), LEI en CBS (tabel 81-a).

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Uitsplitsing totale productie naar de verschillende gewas- en diergroepen, verbruik van grondstoffen en diensten, bruto en netto toegevoegde waarde, agrarisch inkomen, subsidies en belastingen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

European Commission, 2000. Manual on the economic accounts for agriculture and forestry EAA/EAF 97. EU, Luxemburg.

Opmerking

De landbouwrekeningen (LR) worden gebruikt voor het toezicht op en de beoordeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en meer in het algemeen ook voor allerlei analyses van de economische situatie van de landbouw. De LR vallen onder een EG-verordening. De vaststelling van een rechtsgrond voor de LR kan worden gezien als de follow-up van de verordening (EG) van het Europees Systeem van Rekeningen 1995
De LR zijn satellietrekeningen van de Nationale rekeningen. Daarnaast vormen de LR mede de basis voor analyses over de inkomenssituatie in de land- en tuinbouw. De resultaten van deze analyses zijn bijvoorbeeld terug te vinden in publicaties van het CBS zoals de publicatie 'Land- en tuinbouwcijfers' en van het Landbouw Economisch Instituut zoals 'Actuele ontwikkeling van bedrijfsresultaten en inkomens' en het 'Landbouw-economisch bericht' dat in opdracht van het Ministerie van EL&I tot stand komt. Ook worden de Nationale rekeningen en dus impliciet de LR gebruikt voor input-output-analyse op het gebied van de landbouw- en voedingsector door o.a. het RIVM.

Betrouwbaarheidscodering

C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen, de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Productiewaarde land- en tuinbouw, 1995-2011 (indicator 2125, versie 03 , 19 september 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.