Ecosysteemkwaliteit (areaal), 2012-2023
Iets meer dan 25 procent van de oppervlakte landnatuur heeft een vrij hoge tot hoge natuurkwaliteit als je kijkt naar de aanwezigheid van de soorten broedvogels en dagvlinders die indicatief zijn voor de kwaliteit van een ecosysteem (kwalificerende soorten). De oppervlakte landnatuur waarvan de kwaliteit toeneemt, is groter dan de oppervlakte waarvan de kwaliteit afneemt. Dit komt vooral doordat de kwaliteit van het bos toeneemt: een groot deel van het natuurareaal bestaat uit bos.
Vooral in bos en open duin veel kwalificerende soorten
Een indicator voor de kwaliteit van natuur is de mate van voorkomen van ‘kwalificerende’ soorten. Kwalificerende soorten zijn planten- en diersoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald type natuur en die in de Index Natuur en Landschap (Index NL) worden gebruikt om te beoordelen of dat beheertype in een goede ecologische toestand verkeert. De aanname daarbij is dat hoe meer van deze kwalificerende soorten er voorkomen in een beheertype, hoe hoger de kwaliteit van het beheertype is. Veranderingen in het aantal van deze soorten laten zien of de natuurkwaliteit van het gebied toe- of afneemt. De 49 beheertypen worden voor deze indicator samengevoegd tot vijf ecosysteemtypen.
De natuurkwaliteit van ecosystemen is bepaald aan de hand van het aantal kwalificerende soorten dagvlinders en broedvogels. Van deze twee soortengroepen zijn voldoende betrouwbare verspreidingsgegevens beschikbaar. Uit de indicator blijkt dat in bijna 26% van het totale areaal aan landnatuur de kwaliteit vrij hoog of hoog is. Bos, gevolgd door open duin, heeft het grootste oppervlakte-aandeel met relatief veel kwalificerende soorten. Deze gebieden hebben dus nog het meest van hun kwaliteit in flora en fauna behouden. Het ecosysteem (half)natuurlijk grasland bestaat veelal uit grote oppervlakten met relatief weinig kwalificerende soorten en heeft dus een relatief lage ecosysteemkwaliteit.
Kwaliteit ecosysteem bos het meest vooruitgegaan
Om veranderingen in natuurkwaliteit te bekijken is de periode 2018-2023 vergeleken met de periode daarvoor (2012-2017). Over het algemeen is de kwaliteit stabiel voor het grootste deel van het areaal landnatuur (80%). Er is zelfs sprake van een netto-toename. Dit houdt in dat het oppervlak landnatuur met een toename in kwaliteit groter is dan het oppervlak met een afname. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het relatief grote oppervlakte-aandeel bos (ongeveer 350.000 ha, 55% van de oppervlakte landnatuur), waarvan de kwaliteit toeneemt. Hierdoor weegt de toename van de ecosysteemkwaliteit bos zwaarder mee in het totaal.
De natuurkwaliteit van bossen neemt toe, omdat bossen gemiddeld ouder worden, er meer variatie in bosstructuur en boomsoortensamenstelling ontstaat, en er tegenwoordig meer dood hout in het bos achterblijft. Hierdoor worden bossen een geschikt leefgebied voor meer soorten. De verbetering betreft echter niet alle bossen; met name de kwaliteit van de bossen op de hoge zandgronden blijft achter. Deze bossen zijn relatief gevoelig voor een hoge stikstofdepositie en verdroging.
Naast de bossen neemt ook de kwaliteit van open duin toe. In de duinen is plaatselijk successie opgetreden, onder andere door de afname van konijnen. Daarnaast zijn er in de afgelopen jaren ook herstelprojecten uitgevoerd, waardoor de soortenrijkdom in die gebieden toeneemt (Van Dijk & Lok, 2020).
Een andere indicator over de kwaliteit van natuur geeft de gemiddelde verandering in populatieomvang weer van vrijwel alle inheemse broedvogels, reptielen, amfibieën, vlinders en libellen, en de meeste soorten zoogdieren en zoetwatervissen. In totaal zijn dit 376 soorten. De populatieomvang wordt uitgedrukt in aantallen of in omvang van het verspreidingsgebied. Deze trends zijn gebaseerd op meerdere soortgroepen en worden jaarlijks geactualiseerd, waardoor ze geschikter zijn voor het waarnemen van temporele veranderingen in kwaliteit.
Oorzaken beperkt areaal met een vrij hoge en hoge ecosysteemkwaliteit
Ontginningen, landbouwintensiveringen en het verminderen van de dynamische invloed van onder andere de zee en rivieren hebben geleid tot minder verschillen in ruimte en tijd, en daarmee van de biodiversiteit van ecosystemen. Een hoge ecosysteemkwaliteit in bepaalde gebieden is vooral het gevolg van nog aanwezige variatie in water-, milieu- en ruimtelijke condities, bijvoorbeeld door het voorkomen van reliëf en dynamische landschapsvormende processen. Ook een grote mate van ruimtelijke samenhang en goede milieucondities, door een grote afstand tot verstorende invloeden, hebben een positieve invloed op de natuurkwaliteit. Daarbij zijn er regionale verschillen in milieudruk en is de natuur op arme zandgronden veel gevoeliger voor bijvoorbeeld vermesting en verzuring dan de natuur op kleigrond. Al deze factoren bepalen in belangrijke mate het voorkomen van kwalificerende soorten en dus verschillen in natuurkwaliteit (Hoek et al., 2020).
Natuurkwaliteit een maatlat voor succes beleid
Het Nederlandse natuurbeleid heeft in navolging van de doelen op mondiaal niveau (CBD) en de Europese biodiversiteitsstrategie als algemene doelstelling het stoppen van biodiversiteitsverlies. De recent aangenomen EU-natuurherstelverordening verplicht EU-landen om herstelmaatregelen te nemen binnen en buiten natuurgebieden. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact (EZ, 2013) de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur binnen het Natuurnetwerk te verbeteren door extra inspanningen te richten op voldoende regulier natuurbeheer en (tijdelijke) herstelmaatregelen om water- en milieucondities te verbeteren. De bovenstaande indicator geeft aan dat op het grootste deel van de oppervlakte de natuurkwaliteit stabiel is. De oppervlakte met toename is groter dan de oppervlakte met afname in kwaliteit.
Provincies en terreinbeheerders hebben de Index Natuur en Landschap ontwikkeld om beheertypen te omschrijven en om de kwaliteit van beheertypen te kunnen monitoren en beoordelen (Van Beek et al., 2018). De systematiek beschrijft (a)biotische parameters waarop de kwaliteit van beheertypen van gebieden kan worden vastgesteld. Deze indicator geeft inzicht in de kwaliteit van beheertypen die zijn samengevat tot ecosystemen en de verandering van de kwaliteit van de biotische parameter (de kwalificerende soorten). Daarmee geeft deze indicator inzicht in de voortgang van de algemene doelstelling en ambitie tot behoud en herstel van biodiversiteit. Rijk, provincies en terreinbeheerders hebben echter geen afspraken gemaakt over de te bereiken natuurkwaliteit in de gebieden.
Bronnen
- Beek, J.G. van, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen (2018), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS. Utrecht: BIJ12.
- BIJ12, Index NL.
- Dijk, Bert W. van & C. Martin Lok. "Vogels van Voornes Duin, Vroeger en Nu." In de Branding 28.2 (2020): 2-8.
- EZ (2013). Kamerbrief Natuurpact.
- Grabijn et al., 2025. Actualisatie ecosysteemkwaliteitsindicator landnatuur: beschrijving van de methode en resultaten. WOT-rapport
- Hoek, D.-J. van der et al. (2020), Bijdrage van herstelmaatregelen aan verbeteren biodiversiteit in het Natuurnetwerk. Achtergrondrapport lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: PBL.
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Ecosysteemkwaliteit (areaal)
- Omschrijving
Areaal met een bepaalde ecosysteemkwaliteit op basis van het aantal kwalificerende soorten ten opzichte van het maximaal aantal aangetroffen kwalificerende soorten ingedeeld in vier klassen. Hierbij is alleen gekeken naar het voorkomen van soorten en niet naar het aantal individuen van een soort.
- Verantwoordelijk instituut
WUR. Auteurs: Lian Grabijn, Irene Bouwma, Marlies Sanders
- Berekeningswijze
Momenteel wordt data verzameld voor de - door Rijk, provincies en TBO’s ontwikkelde - systematiek voor de beheertypen van Index NL volgens de "Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000 (WMBN)". De selectie van kwalificerende soorten per beheertype staat beschreven in Van Beek et al. 2018. Conform Van Beek et al. 2018 wordt hierbij ook gekeken naar de soorten van de Rode Lijst. Hoeveel soorten er in totaal maximaal meetellen, verschilt per beheertype. Er zijn echter nog onvoldoende gegevens voorhanden om de natuurkwaliteit volgens deze werkwijze landelijk te beoordelen en te presenteren.
De gegevens van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) zijn als basis gebruikt voor vlinders en het Meetnet Broedvogels en grootschalige (SNL-) broedvogelkarteringen voor broedvogels. Op basis van verspreidingsgegevens uit gestandaardiseerde monitoringsprotocollen van broedvogels en dagvlinders, is het aantal kwalificerende soorten (inclusief SNL Rode Lijst-soorten) berekend voor ieder beheertype dat voorkomt in 250*250 meter gridcellen voor 2 perioden: 2012-2017 en 2018-2023. In totaal gaat het om 82 broedvogel- en 38 dagvlindersoorten. De aanwezigheid van soorten in gridcellen die slecht of niet zijn onderzocht zijn ingeschat en er heeft een correctie voor de meetinspanning plaatsgevonden, omdat deze verschillen tussen de onderzochte perioden. De methode is beschreven in Grabijn et al. (2025).
Elke soort telt even zwaar in de beoordeling. Vervolgens is per periode per beheertype voor elke 250 meter bij 250 meter gridcel het aantal kwalificerende soorten per soortgroep en over de soortgroepen totaal opgeteld, inclusief maximaal 2 soorten van SNL-bijlage 1 Rode Lijst-soorten. Dit levert dus per gridcel per beheertype per periode een aantal kwalificerende soorten op.
Beoordeling kwaliteit
Kwaliteit is een subjectief begrip. De aanname in de WMBN is dat een heideveld bijvoorbeeld een 'hogere' kwaliteit heeft als er meer kwalificerende soorten aanwezig zijn. Van elk beheertype in een gridcel wordt het kwaliteitsniveau bepaald door het aantal aanwezige kwalificerende soorten van dat beheertype te delen door het in Nederland maximumaantal aangetroffen soorten in dat beheertype. De gridcellen met de meeste kwalificerende soorten vallen in de hoogste kwaliteitsklasse (75%-100% percentiel). In totaal zijn er vier kwaliteitsklassen gedefinieerd (laag: 0-25%; vrij laag: 25-50%; vrij hoog: 50-75%; hoog: 75-100%). Het areaal wordt per kwaliteitsklasse en per ecosysteem gesommeerd. De ecosystemen zijn moeras (N05; N06.01; N06.02); heide (N06.03-06; N07) open duin (N08), (half)natuurlijk grasland (N09-N13) en bos (N14-N17).
Bepalen verandering van aantal soorten in de tijd
De verandering van het aantal soorten in de tijd is geanalyseerd door te kijken naar de metingen in de periode 2018-2023 en te vergelijken met de periode 2012-2017 als referentieperiode. Het oppervlakte-aandeel waarvan de kwaliteit verandert, is bepaald door te kijken naar de toe- en afname in het aantal soorten broedvogels en dagvlinders per soortgroep apart en voor alle soortgroepen totaal tussen de perioden. De veranderingen zijn vervolgens geclassificeerd in een vijftal veranderklassen: sterke afname (verlies van meer dan 3 soorten), afname (verlies van 2 of 3 soorten), stabiel (verlies van 1 soort of toename van 1 soort), toename (toename van 2 of 3 soorten), sterke toename (toename van meer dan 3 soorten). Per beheertype is vervolgens bepaald in welke oppervlakte het aantal soorten toeneemt, stabiel blijft of afneemt. Naast de verandering per beheertype is dit ook bepaald voor de vijf ecosystemen: bos, moeras, (half)natuurlijk grasland, heide en open duin. Hiertoe is elk beheertype toegedeeld aan deze vijf ecosystemen en is de oppervlakte per kwaliteitsklasse of veranderklasse opgeteld.
- Basistabel
-
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
Om de 5-6 jaar
- Achtergrondliteratuur
- Grabijn et al., 2025. Actualisatie ecosysteemkwaliteitsindicator landnatuur: beschrijving van de methode en resultaten. WOT-rapport
- Opmerking
De methode is sterk gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van de indicator. Door een sterke toename van het aantal waarnemingen was het corrigeren van het waarnemerseffect complex. Daarom is er besloten de soortgroep vaatplanten en ook de eerste periode (2005-2011) buiten beschouwing te laten.
- Betrouwbaarheidscodering
C: Op basis van een groot aantal meetpunten en schattingen.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2025). Ecosysteemkwaliteit (areaal), 2012-2023 (indicator 1518, versie 04, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.