Fijnere fractie van fijnstof (PM2,5) in lucht, 2008-2024

In 2024 werd de huidige Europese grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5 concentratie (25 µg/m3) nergens in Nederland overschreden. De (strengere) advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (5 µg/m3) werd wel in het hele land overschreden. 

Gemeten PM2,5 en trend

De gemeten regionale achtergrondconcentraties van PM2,5 lagen in 2024 gemiddeld rond de 7,9 µg/m³. Op stedelijke achtergrondlocaties waren de concentraties gemiddeld rond de 8.2 µg/m³ en op verkeersbelaste locaties rond de 8,9 µg/m³. Sinds 2010 nemen de jaargemiddelde concentraties van PM2,5 af, met af en toe een hogere concentratie in een bepaald jaar ten opzichte van het jaar ervoor (zie Figuur ‘Jaargemiddelde’). Dit kan optreden onder invloed van weersomstandigheden. Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom staan, maar wel op afstand van belangrijke uitstootbronnen.

Emissiebeperkende maatregelen en de implementatie van nieuwere en schonere technieken door industrie, vervoer en scheepvaart kunnen de daling in de PM2,5-concentraties verklaren. 

Fijnstof

Fijnstof is een verzamelbegrip en duidt op zwevende deeltjes in de lucht (in de regel zijn het deeltjes met een diameter kleiner dan 10 micrometer; PM10, zie CLO indicator Fijnstof (PM10) in lucht). PM2,5 is een kleinere fractie van fijnstof en bestaat uit deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer. Nog kleinere deeltjes fijnstof, kleiner dan 100 nanometer, worden ultrafijnstof genoemd. Hier is ook een CLO-indicator voor beschikbaar: Ultrafijnstof in de lucht

Voor een volledige technische definitie zie ‘opmerkingen’ in ‘Technische toelichting’.

Chemische samenstelling PM2,5

PM2,5 bestaat uit verschillende stoffen. In 2007/2008 is op het regionale achtergrondstation Cabauw de chemische samenstelling van PM2,5 gemeten (Schaap, 2010). Inzicht in de chemische samenstelling van fijnstof geeft veel informatie over de oorsprong van emissiebronnen. Vanaf 2012 wordt op het meetstation Cabauw jaarlijks de samenstelling van fijnstof gemeten aan de hand van een vergelijkbare meetmethode als in de studie uit 2007/2008. De figuur ‘Chemische samenstelling’ laat de resultaten van de verschillende meetcampagnes zien. De chemische samenstelling is indicatief omdat deze enkel op meetstation Cabauw bepaald wordt en de bemonstering per type samenstelling om de vier dagen plaatsvindt.

Zoals in de figuur weergegeven, bestaat PM2,5 uit een scala van stoffen uit verschillende bronnen. Afhankelijk van de bron verdeelt men fijnstof in een primaire en een secundaire fractie:

  • De primaire fractie bestaat uit deeltjes die direct in de lucht komen door uitstoot van onder meer verkeer, houtstook, scheepvaart en industrie.
  • De secundaire fractie bestaat uit deeltjes die in de atmosfeer ontstaan door chemische reacties tussen gassen (NH3, NOx, SO2, vluchtige organische stoffen (VOS)) en/of al aanwezige deeltjes. Landbouwemissies in binnen- en buitenland spelen hierbij een belangrijke rol.

De grootste bijdrage aan PM2,5 komt van nitraat en organisch koolstof (OC) o.a. van houtstook.

Voor meer informatie over het bepalen van de indicatieve chemische samenstelling van PM2,5, zie de ‘Technische toelichting’ onderaan deze pagina. 

EU-grenswaarden en omgevingswaarden met resultaatverplichting

De WHO stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper door in de longen dan PM10-deeltjes, die vooral in de slijmvliezen van de bovenste luchtwegen terechtkomen (WHO, 2006). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom grenswaarden voor PM2,5 opgenomen (EU, 2024). Voor PM2,5 geldt momenteel een Europese grenswaarde van 25 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie. Vanaf 2030 wordt deze verlaagd naar 10 µg/m³. Deze nieuwe strengere grenswaarde komt voort uit de herziening van de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit (2024/2881). Ook de lagere Europese grenswaarde die vanaf 2030 geldt ligt nog boven de door de WHO geadviseerde jaargemiddelde waarde van 5 µg/m³ (WHO, 2021).

Naast de jaargemiddelde grenswaarde krijgt PM2,5 onder de herziene richtlijn vanaf 2030 ook een grenswaarde op basis van het daggemiddelde . Deze bedraagt 25 µg/m³, waarbij deze waarde per kalenderjaar maximaal 18 keer mag worden overschreden.

Een EU-richtlijn legt een bepaald doel vast dat lidstaten moeten bereiken. Lidstaten mogen zelf de wetgeving vaststellen om die doelstelling te behalen. In Nederland is dit vastgelegd in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). In het BKL zijn ook de EU-grenswaarden opgenomen. Deze worden in het BKL aangeduid als omgevingswaarden met resultaatverplichting.

Gemiddelde-blootstellingsindex (GBI)

Naast grenswaarden op de dag- en jaargemiddelde concentratie van PM2.5 is er ook beleid gericht op het structureel terugdringen van de blootstelling aan fijnstof. Oftewel: het verminderen van de hoeveelheid fijnstof die mensen inademen. Een gemiddelde- blootstellingsindex (GBI; in het Engels: Average Exposure Indicator, AEI) wordt hiervoor gebruikt. Deze index is het gemiddelde over drie jaar van de gemeten concentraties op stedelijke achtergrondlocaties. Voor 2010 en 2020 zijn de GBI’s gedefinieerd als het gemiddelde over respectievelijk 2009–2011 en 2018–2020. Voor de GBI geldt een door Europa vastgestelde grenswaarde. Deze grenswaarde is bedoeld om de jaargemiddelde stedelijke achtergrondconcentraties (de zogenaamde blootstellingsconcentatieverplichting) en daarmee de blootstelling aan PM2,5 te verlagen. De grenswaarde bedraagt 20 µg/m³ voor PM2,5. Er wordt voldaan aan deze grenswaarde, zie tabel 1 voor de GBI-waarden van Nederland.

De GBI voor Nederland over 2009–2011 bedroeg 17,0 µg/m³. Voor 2020 was hieraan, naast de Europa vastgestelde grenswaarde, een reductiedoelstelling van 15% gekoppeld, oftewel een daling van 2,6 µg/m³ (Mooibroek et al., 2013). De GBI voor 2018-2020 bedroeg 10 µg/m³, een reductie van 7 µg/m³ ten opzichte van 2009-2011. De reductiedoelstelling is daarmee gehaald. Ook na 2020 bleef de GBI dalen. Over de periode 2022–2024 werd een daling van 8,7 µg/m³ vastgesteld ten opzichte van 2009–2011 (zie tabel 1).

Ook in de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit (2024/2881) is een nieuwe verminderingsdoelstelling op basis van de GBI opgenomen. Deze is afhankelijk van het concentratieniveau van tien jaar geleden. Als het concentratieniveau toen al laag was, moet een lidstaat relatief minder reduceren. De reductieverplichtingen zijn als volgt:

  • Concentratie hoger dan 8,5 en lager dan 10 µg/m³ in 2020: reductie van 10% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.
  • Concentratie hoger of gelijk aan 10 en lager dan 12 µg/m³: reductie van 15% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.
  • Concentratie gelijk aan of hoger dan 12 µg/m³: reductie van 25% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.

Het streefdoel voor de gemiddelde blootstellingsconcentratie van PM2,5 is 5 µg/m³. Lidstaten hebben tot 11 december 2026 de tijd om de herziene luchtkwaliteitsrichtlijn op te nemen in hun nationale wetgeving en de doelen vast te stellen.

Tabel 1: Glijdend driejaarsgemiddelde voor PM2,5-concentratie op stedelijke achtergrondlocaties.

 

Periode

 

GBI

 

µg/m3

 

 

2009-2011

17,0

2010-2012

15,7

2011-2013

14,6

2012-2014

13,6

2013-2015

13,2

2014-2016

12,3

2015-2017

11,5

2016-2018

11,2

2017-2019

2018-2020

2019-2021

2020-2022

10,8

10,0

9,3

8,9

2021-2023

8,7

2022-2024

8.3

 

doelstelling:

 

2018-2020

14,4

Ruimtelijke verdeling PM2,5 

De afbeelding ‘Kaart 2024’ geeft voor dat jaar de ruimtelijke verdeling van grootschalige, jaargemiddelde PM2,5 concentraties weer zonder lokale verhogingen langs drukke verkeerswegen en straten (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland, GCN). Deze ruimtelijke verdeling is vergelijkbaar met die van PM10. In de buurt van industrie en gebieden met intensieve veehouderij zijn de lokale bijdragen aan PM2,5 echter aanzienlijk kleiner dan die aan PM10, omdat de uitgestoten deeltjes vaak tussen de 2,5 en 10 micrometer groot zijn. Deze deeltjes vallen daardoor wel onder PM10 (deeltjes van 10 micrometer of kleiner) en niet onder PM2,5 (deeltjes van 2,5 micrometer en kleiner). 

Samen meten aan luchtkwaliteit

Naast het bestaande meetnet van het RIVM en partners zijn in Nederland meer ontwikkelingen om PM2,5 en luchtkwaliteit te meten. Een overzicht van deze meetprojecten met sensortechnologie en mede door burgers is te vinden op het kennisportaal 'Samen meten'.

Bronnen

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Concentraties van de fijnere fractie van fijnstof in lucht

Omschrijving

Concentraties van de fijnere fractie van fijnstof in Nederland op basis van meetgegevens van het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR.

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Jaargemiddelde concentraties berekend uit gemeten dagwaarden. Voor de berekening van een geldig jaargemiddelde is het criterium gehanteerd dat er minimaal 75% van het maximaal mogelijke aantal dagwaarden in een jaar beschikbaar moet zijn. Voor de gespecificeerde jaren (2010-2024) moet een station minstens op 75% van de jaren een geldig jaargemiddelde hebben (dat voortkomt uit de eerste selectie). Dit zijn de criteria die gebruikt worden voor het maken van trendfiguren. Alleen binnen de jaarreeks 2010-2024 wordt gefilterd op twee criteria. Voor alle andere jaren worden alle stations meegenomen die 75% in een jaar gemeten hebben.

Basistabel

Gegevens Luchtkwaliteit (GELUK) van het Centrum Milieukwaliteit (MIL) van het RIVM. Met daarin gegevens van de GGD Amsterdam en de DCMR.

Geografische verdeling

1. De kaart is gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen. 

2. De trendfiguren 2008-2024 zijn gebaseerd op meetgegevens van één tot zeven regionale achtergrondstations, negen tot zestien stedelijke achtergrondstations en drie tot dertien verkeersbelaste stations van het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR (aantal stations kan per jaar verschillend zijn). 

3. De chemische samenstelling wordt bepaald op het regionale achtergrondstation Cabauw.

Andere variabelen

Het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR leveren ook informatie over andere luchtverontreinigende stoffen zoals fijnstof, koolmonoxide, ozon, stikstofoxiden en zwaveldioxide.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

1) Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland. Rapportage 2024 (Mijnen-Visser, et al. zie bij ‘Bronnen’). 

2) Chemische samenstelling PM2,5: Mooibroek D, van der Swaluw E, Hoogerbrugge R (2013c) A reanalysis of the BOP dataset : Source apportionment and mineral dust 680356001 (rivm.nl). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.

Opmerking

1) De volledige (en juiste) definitie van PM2,5 luidt: ‘Deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 μm’. 

2) Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom staan, wel op afstand van belangrijke uitstootbronnen.

3) De meetgegevens van de fijnere fractie van fijnstof zijn verkregen met metingen volgens of vergelijkbaar met de referentiemethode. 

4) De chemische samenstelling is indicatief omdat deze enkel op meetstation Cabauw bepaald wordt en de bemonstering per type samenstelling om de vier dagen plaats vindt.

5) In de zomerperiode van het jaar 2015 was een beperkt aantal metingen beschikbaar op regionale achtergrond en verkeersbelaste meetstations door technische problemen met de meetinstrumenten. Dit is in Figuur ‘Jaargemiddelde’ weergegeven met een stippellijn.

6) De balk zware metalen (ZM) geeft in het figuur de som weer van As (Arseen), Ca (Calcium), Cd (Cadmium), K (Kalium), Mg (Magnesium), Ni (Nikkel), Pb (Lood) en Zn (Zink). Deze zware metalen zijn, in vergelijking met de andere specifiek genoemde metalen, beperkt aanwezig en worden om grafische redenen dus als groep weergegeven. Onder ‘overig’ worden de restante componenten meegenomen die niet specifiek in het figuur genoemd worden. 

7) AEI = Average Exposure Index

8) In de tweede alinea van de paragraaf Gemiddelde-blootstellingsindex (GBI) stond bij publicatie een fout: De GBI voor 2018-2020 bedroeg 10 µg/m³, een reductie van 3 µg/m³ ten opzichte van 2009-2011. Dit is op 16 januari 2026 gecorrigeerd naar: De GBI voor 2018-2020 bedroeg 10 µg/m³, een reductie van 7 µg/m³ ten opzichte van 2009-2011.

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Trend 2008 – 2024: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). 

Chemische samenstelling: D (Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake). 

Referentie van deze webpagina

CLO (2025). Fijnere fractie van fijnstof (PM2,5) in lucht, 2008-2024 (indicator 0532, versie 10, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.