Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieubeleid en milieumaatregelen

Klimaatverandering: beleid

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Het primaire doel van het internationale klimaatbeleid, vastgelegd in het klimaatverdrag en het Kyoto Protocol van de VN, is het vroegtijdig vermijden van menselijke beïnvloeding van het klimaat door het stabiliseren van de atmosferische concentraties van broeikasgassen.

Kyoto Protocol

In het Klimaatverdrag en het Kyoto Protocol van de Verenigde Naties zijn afspraken gemaakt over de reductie van de emissies van broeikasgassen. Doel is een gemiddelde emissiereductie van broeikasgassen van de industrielanden met 5% over de periode 2008-2012 ten opzicht van 1990. Dit is inclusief de landen in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie.Het Protocol wordt van kracht wanneer tenminste 55 landen het hebben geratificeerd en de CO2-emissie van de ratificerende industrielanden in 1990 tenminste 55% is van de totale CO2-emissie van alle industrielanden (de zogenoemde Annex-I landen). Op 22 juli 2002 was dat percentage 36%.

Doelstelling Kyoto Protocol voor Nederland

Nederland heeft zich met ratificatie van het Kyoto Protocol internationaal tot doel gesteld om in de periode 2008-2012 (de zogenaamde eerste budgetperiode) 6% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Concreet betekent dit een gemiddelde jaarlijkse uitstoot in de budgetperiode van 199 miljard kg CO2-equivalenten (CO2-eq.). Berekend is dat de uitstoot van broeikasgassen in 2010, als Nederland geen klimaatbeleid voert, 239 miljard kg zal zijn. Dat is 40 miljard kg meer dan toegestaan. Van deze noodzakelijk emissiereductie van 40 miljard kg wil het kabinet 20 miljard kg in Nederland realiseren. De overige 20 miljard kg wil Nederland in het buitenland realiseren.De doelstelling heeft betrekking op alle broeikasgassen. Bij de maatregelen om de doelstelling te bereiken kan een land zelf kiezen op welke stof(fen) men zijn kaarten zet.

Reductie binnenland

Het binnenlandse doel voor de uitstoot van broeikasgassen komt daarmee op een jaarlijks gemiddelde van 219 miljard kg CO2-eq. in de budgetperiode. De overheid heeft een pakket aan maatregelen samengesteld om dit doel te halen, zoals stimulering van energiebesparing en hernieuwbare energie en meerjarenafspraken met de industrie. Dit pakket van maatregelen is vastgelegd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid.

Reductie buitenland

De 20 miljard kg reductie die per jaar in het buitenland moeten worden gehaald, wordt gerealiseerd met zogenaamde 'flexibele mechanismen'. Met deze mechanismen kan Nederland 'credits' kopen van ondernemingen die in andere landen broeikasgasreducties bewerkstelligen. 1 credit komt overeen met 1 ton broeikasgasreductie. Nederland moet dus 20 000 000 credits per jaar kopen, welke ongeveer 4-5 euro per stuk zullen gaan kosten. Over de budgetperiode van vijf jaar moet in totaal 100 miljard kg CO2-eq. reductie ingekocht worden in het buitenland en dat kost de overheid dus waarschijnlijk 400-500 miljoen euro.Er zijn twee soorten 'credits': credits verdiend met Joint Implementation en credits verdiend met het Clean Development Mechanism.

  • Joint Implementation
    Credits verdiend met Joint Implementation worden emission reduction units (ERU's) genoemd. In de praktijk kan een onderneming ERU's verdienen door in de budgetperiode reducties te behalen in Centraal- en Oost-Europese landen. Bijvoorbeeld, als een onderneming een windmolenpark in Roemenië neerzet waar anders een kolencentrale zou komen te staan, dan verdient deze onderneming dus net zoveel ERU's, als dat er emissies zijn vermeden doordat er geen elektriciteit meer met kolen hoeft te worden opgewekt. Deze ERU's kan de onderneming dan weer aan de overheid verkopen.
  • Clean Development Mechanism
    Credits verdiend met het Clean Development Mechanism worden CER's genoemd . Een bedrijf kan CER's op dezelfde manier verdienen als ERU's, met het verschil dat bedrijven CER's kunnen verdienen door het opzetten van emissiereducerende projecten in ontwikkelingslanden.

Emissiehandel

Het kan natuurlijk zo zijn dat Nederland in de budgetperiode te veel of te weinig ERU's en CER's heeft ingekocht of dat het binnenlandse doel ruimschoots of juist niet is gehaald. In dat geval mag er tussen de landen worden gehandeld (de zogenaamde emissiehandel) om de tekorten en overschotten te verevenen.

Toelichting berekening doelstelling voor Nederland

In 1990 werd er aan broeikasgassen exclusief de zogenaamde F-gassen (fluorhoudende gassen: HFK, PFK, SF6) 204 miljard kg CO2-eq. uitgestoten, -6% is dan 191,8 miljard kg. In het referentiejaar voor F-gassen, 1995, werd er 8 miljard kg aan F-gassen uitgestoten, -6% is dan 7,5 miljard kg. De doelstelling voor de budgetperiode is dus gemiddeld jaarlijks 191,8+7,5=199 miljard kg.

Toelichting optellen van de emissies van broeikasgassen

Alle bovengenoemde getallen hebben, tenzij expliciet anders aangegeven, betrekking op de som van alle broeikasgasemissies, dus niet alleen op emissie van CO2. De emissies van broeikasgassen worden niet zomaar opgeteld. Bij de optelling wordt rekening gehouden met de verschillen in broeikaswerking van de verschillende stoffen. Deze broeikaswerking wordt uitgedrukt in Global Warming Potential (GWP-) factoren. De GWP-factor voor CO2 is gelijkgesteld aan 1. De broeikaswerking van andere stoffen wordt hieraan gerelateerd (IPCC, 1996). Hoewel de uitstoot van een F-gas in kilogrammen vrij gering kan zijn, kan zo'n F-gas door een hoge GWP-factor toch een significante bijdrage leveren aan het broeikaseffect.

Stof GWP factor
   
CO2 1
CH4 21
N2O 310
F-gassen
HFK-23 11 700
HFK-32 650
HFK125 2 800
HFK134a 1 300
HFK143a 3 800
HFK152a 140
overige HFK's 3 000
PFK14 6 500
PFK116 9 200
overige PFK's, SF6 23 900

Het optellen van de verschillende emissies van broeikasgassen is door het IPCC vastgelegd in een protocol (IPCC, 1996). Onderzoekers over de hele wereld maken gebruik van dit protocol. Dit protocol gaat uit van GWP-factoren die zijn gebaseerd op een verblijftijd van de broeikasgassen in de atmosfeer van 100 jaar.

Referenties

  • IPCC (1996). Revised IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories. 3 Volumes. IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change), Bracknell, UK.
  • VROM (2001). Uitvoeringsnota Klimaatbeleid . Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, Den Haag.

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2002). Klimaatverandering: beleid (indicator 0164, versie 03 , 6 september 2002 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.