Energie en milieu

Energiebesparing in Nederland, 1995-2007

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Het energiebesparingtempo in Nederland bedroeg in de periode 1995 - 2007 gemiddeld 1,1 % per jaar. De Nederlandse doelstelling voor energiebesparing van gemiddeld 2% per jaar in de periode 2011 - 2020 is daarmee nog niet binnen bereik.

Landelijke energiebesparing

De energiebesparing in Nederland bedroeg in de periode 1995-2007 gemiddeld 1,1% per jaar, met een 95%-waarschijnlijkheidsmarge van 0,3%-punt (Boonekamp en Gerdes, 2008). De energiebesparing is berekend volgens het Protocol Monitoring Energiebesparing (PME) en er is rekening gehouden met de definitie van het beleidsprogramma Schoon en Zuinig. Conform de doelstelling voor energiebesparing uit Schoon en Zuinig, wordt alleen naar het energetisch energiegebruik gekeken. Dit is ongeveer 0,1%-punt hoger dan in de periode 1995-2006. Dit (afgeronde) verschil lijkt echter groter dan de achterliggende cijfers aangeven. Na een periode van daling vanaf 2000 lijkt het jaar-op-jaarbesparingstempo zich rond de 1% te stabiliseren.

Dit valt ook waar te nemen op basis van de jaar-op-jaarbesparingscijfers. Deze jaar-op-jaarbesparingscijfers geven, anders dan de PME-besparingscijfers, een beter zicht op ontwikkelingen van het energiebesparingstempo in de meer recente jaren, maar zijn gevoeliger voor fluctuaties door autonome ontwikkelingen. De jaar-op-jaarbesparingscijfers zijn dus vanwege grotere onzekerheden minder geschikt voor het bepalen van het effect van energiebesparing.

Energiebesparing per sector

Op sectoraal niveau blijken veranderingen elkaar min of meer te compenseren. Alleen in de land- en tuinbouw is er vanaf 2000 sprake van een voortdurende opgaande besparingstrend. Bij de huishoudens neemt het elektriciteitsverbruik aan de ene kant gestaag toe, maar aan de andere kant daalde het gasverbruik in 2007. In de transportsector lijkt het energiebesparingtempo in de afgelopen jaren steeds verder af te nemen. Door rendementsverbeteringen neemt de energiebesparing in de energiesector sinds 2006 weer toe. Verklaringen voor toe- of afnemende energiebesparing zijn vanwege beperkingen in de PME-methode overigens moeilijk te geven. Uit een decompositie van het energiegebruik blijkt wel dat energiebesparing leidt tot een aanzienlijke vermindering van het energiegebruik. De toename van het energiegebruik tussen 1995 en 2007 zou bijna twee keer zou groot zijn geweest z├│nder energiebesparing.

Beleid energiebesparing

Het Kabinet heeft in het werkprogramma Schoon en Zuinig de doelstelling geformuleerd om tussen 2011 en 2020 jaarlijks gemiddeld 2% energie te besparen (VROM, 2007). Het werkprogramma Schoon en Zuinig stelt daarbij maatregelen voor om het energiebesparingstempo te verhogen. Maatregelen die daar een belangrijke bijdrage aan zouden moeten leveren volgens dit werkprogramma zijn:

  • energiebesparing in de gebouwde omgeving en de industrie;
  • het stimuleren van warmte-kracht koppeling (WKK);
  • een kilometerheffing;
  • het verbeteren van de energie-efficiency van voertuigen.

Referenties

Relevante informatie

  • Gijsen, A. en Boonekamp, P.G.M. (2004). Onzekerheden in energiebesparingscijfers. Rapport 773001030. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven, in samenwerking met ECN.
  • Boonekamp, P., Tinbergen, W., Vreuls, H.H.J., Wesselink, B. (2001). Protocol Monitoring Energiebesparing. Rapport ECN-C--01-129, Energieonderzoek Centrum Nederland, Petten, in samenwerking met CPB, Novem en RIVM.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Energiebesparing in Nederland, 1995-2007

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving

Berekeningswijze

Energiebesparing is gedefinieerd als 'het uitvoeren van dezelfde activiteiten of vervulling van dezelfde functies met minder energiegebruik'. Om de energiebesparing vast te kunnen stellen moet dus worden bepaald hoe groot het energiegebruik zou zijn geweest als er niet zou zijn bespaard. Dit is het zogenaamde referentiegebruik. Het verschil tussen het gerealiseerde energiegebruik en het referentiegebruik is dan de besparing.
In het protocol wordt dit principe toegepast voor zes eindgebruiksectoren (industrie, transport, huishoudens, diensten, landbouw en raffinaderijen), de energiesector en voor Nederland als geheel. De besparing wordt stapsgewijs als volgt bepaald:besparing bij de energievraag bij eindgebruiksectoren, op basis van het verschil tussen het referentiegebruik en het gerealiseerde gebruik;besparing bij de energieconversie bij eindgebruikers door de effecten van effici├źntere conversie bij eindgebruikers door warmte/kracht installaties;besparing bij de energieconversie in de energiesector.
Met deze methode kan voor ieder jaar een besparingscijfer ten opzichte van een basisjaar, in dit geval 1995, worden berekend. Om een besparingscijfer te krijgen dat minder gevoelig is voor jaarlijkse schommelingen, wordt voor ieder jaar een driejaarlijksgemiddeld jaar-op-jaarcuhfer bepaald van het betreffende jaar en de twee jaren ervoor.
De jaar-op-jaar cijfers zijn vergelijkbaar met de PME-cijfers met als verschil dat de besparing niet wordt bepaald ten opzichte van een basisjaar.

Basistabel

In beheer bij ECN

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Boonekamp, P.G.M. en J. Gerdes (2009) Energiebesparing in Nederland 1995-2007. Inclusief decompositie energieverbruikstrend. Energieonderzoek Centrum Nederland, in samenwerking met SenterNovem, PBL en CBS. ECN rapport ECN-E--09-040, augustus 2009.
Boonekamp, P., Tinbergen, W., Vreuls, H.H.J., Wesselink, B. (2002). Protocol Monitoring Energiebesparing. Rapport ECN-C--01-129, Energieonderzoek Centrum Nederland, Petten, in samenwerking met CPB, Novem en RIVM.
Gijsen, A. en Boonekamp, P.G.M. (2004). Onzekerheden in energiebesparingscijfers. Rapport 773001030. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven, in samenwerking met ECN.

Betrouwbaarheid

De gepresenteerde onzekerheid bestaat uit de onzekerheid in de energiestatistieken en de onzekerheid in het bepalen van het energiegebruik-voor-besparing. Deze twee gecombineerd geeft de uiteindelijke onzekerheid van de cijfers.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2009). Energiebesparing in Nederland, 1995-2007 (indicator 0435, versie 04 , 6 november 2009 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.