Fijnere fractie van fijnstof (PM2,5) in lucht, 2008-2025

In 2025 werden de grenswaarden van de Europese Unie (EU) voor de jaargemiddelde PM2,5 concentratie van 25 µg/m3 op geen van de meetstations in Nederland overschreden. Naast de grenswaarden van de EU heeft de Wereld gezondheidsorganisatie (WHO) niet-verplichte advieswaardes geadviseerd. De advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie van 5 µg/m3 werd op alle meetstations in het hele land wel overschreden. 

Gemeten PM2,5 en trend

De PM2,5-jaargemiddelde concentraties in 2025 op regionale achtergrondmeetstations was 9,0 µg/m³, op stedelijke achtergrondmeetstations 9,1 µg/m³ en op verkeersbelaste meetstations 9,2 µg/m³. Sinds 2010 namen de jaargemiddelde concentraties van PM2,5 af (zie Figuur ‘Jaargemiddelde’). Wel waren de jaargemiddelde concentraties in 2025 wat hoger dan in 2024.  

Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom liggen maar wel op afstand van directe uitstootbronnen. Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Verkeersbelaste meetstations zijn meetpunten direct langs snelwegen, drukke stedelijke wegen of verkeersknooppunten.

Oorzaken dalende trend PM2,5

Emissiebeperkende maatregelen en de implementatie van nieuwere en schonere technieken door industrie, vervoer en scheepvaart verklaren de daling in de PM2,5-concentraties. Af en toe komt het voor dat er in een bepaald jaar een hogere concentratie wordt gemeten dan in het jaar ervoor. Dit kan optreden onder invloed van weersomstandigheden. 

Fijnstof en PM2,5 

Fijnstof is een verzamelbegrip en duidt op zwevende deeltjes in de lucht. In de regel zijn het deeltjes met een diameter kleiner dan 10 micrometer; PM10 (zie CLO indicator Fijnstof (PM10) in lucht). PM2,5 is een kleinere fractie van fijnstof en bestaat uit deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer. Nog kleinere deeltjes fijnstof, kleiner dan 100 nanometer, worden ultrafijnstof genoemd. Hier is ook een CLO-indicator voor beschikbaar: Ultrafijnstof in de lucht.

Voor een volledige technische definitie zie ‘Opmerking’ in ‘Technische toelichting’.

Chemische samenstelling PM2.5

De fijnere fractie van fijnstof, PM2,5,  bestaat uit verschillende stoffen. Dit is te zien in de figuur ‘Chemische samenstelling’. De stoffen zijn afkomstig uit verschillende bronnen. Afhankelijk van de bron verdeelt men fijnstof in een primaire en een secundaire fractie:

  • De primaire fractie bestaat uit deeltjes die direct in de lucht komen door uitstoot van onder meer verkeer, houtstook, scheepvaart en industrie.
  • De secundaire fractie bestaat uit deeltjes die in de atmosfeer ontstaan door chemische reacties tussen de gassen ammoniak (NH3), stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), vluchtige organische stoffen (VOS)) en/of al aanwezige deeltjes. Landbouwemissies in binnen- en buitenland spelen hierbij een belangrijke rol.

De grootste bijdrage aan PM2,5 komt van nitraat en organisch koolstof (OC) o.a. van houtstook.

Vanaf 2012 wordt op het meetstation Cabauw jaarlijks de samenstelling van fijnstof gemeten aan de hand van een vergelijkbare meetmethode als in de studie van Schaap (2010) over de samenstelling en herkomst van fijnstof. De figuur ‘Chemische samenstelling’ laat de resultaten van de verschillende meetcampagnes zien. De chemische samenstelling is indicatief omdat deze enkel op meetstation Cabauw bepaald wordt en de bemonstering per type samenstelling om de vier dagen plaatsvindt. Voor meer informatie over het bepalen van de indicatieve chemische samenstelling van PM2,5, zie de ‘Technische toelichting’ onderaan deze pagina. 

Ruimtelijke verdeling PM2,5 in Nederland

De afbeelding ‘Kaart 2025’ geeft voor dat jaar de ruimtelijke verdeling van grootschalige, jaargemiddelde PM2,5 concentraties weer zonder lokale verhogingen langs drukke verkeerswegen en straten (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland, GCN). Deze ruimtelijke verdeling is vergelijkbaar met die van PM10. In de buurt van industrie en gebieden met intensieve veehouderij zijn de lokale bijdragen aan PM2,5 echter aanzienlijk kleiner dan die aan PM10, omdat de uitgestoten deeltjes vaak tussen de 2,5 en 10 micrometer groot zijn. Deze deeltjes vallen daardoor wel onder PM10 (deeltjes van 10 micrometer of kleiner) en niet onder PM2,5 (deeltjes van 2,5 micrometer en kleiner). 

EU-grenswaarde PM2,5 en omgevingswaarden met resultaatverplichting

Nederland voldoet aan de EU-grenswaarde voor PM2,5. Momenteel geldt voor PM2,5 een Europese grenswaarde van 25 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie. In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn aparte grenswaarden voor PM2,5 opgenomen omdat volgens de WHO blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. (EU, 2024). De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper door in de longen dan PM10-deeltjes, die vooral in de slijmvliezen van de bovenste luchtwegen terechtkomen (WHO, 2006). 

Een EU-richtlijn legt een bepaald doel vast dat lidstaten moeten bereiken. Lidstaten mogen zelf de wetgeving vaststellen om die doelstelling te behalen. In Nederland is dit  vastgelegd in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). In het BKL zijn ook de EU-grenswaarden opgenomen. Deze worden in het BKL aangeduid als omgevingswaarden met resultaatverplichting.

Nieuwe en strengere EU-grenswaarden vanaf 2030

Vanaf 2030 wordt de EU-grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 verlaagd naar 10 µg/m³. Deze nieuwe, strengere grenswaarde komt voort uit de herziening van de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit (2024/2881). Ook de lagere Europese grenswaarde die vanaf 2030 geldt, ligt nog boven de door de WHO geadviseerde jaargemiddelde waarde van 5 µg/m³ (WHO, 2021).

Naast de jaargemiddelde grenswaarde gaat  onder de herziene richtlijn vanaf 2030 voor PM2,5 ook een grenswaarde op basis van het daggemiddelde gelden. Deze bedraagt 25 µg/m³, waarbij deze waarde per kalenderjaar maximaal 18 keer mag worden overschreden.

Gemiddelde-blootstellingsindex (GBI) en de blootstellingsconcentratieverplichting

Naast grenswaarden op de dag- en jaargemiddelde concentratie van PM2.5 is er ook beleid gericht op het structureel terugdringen van de blootstelling aan fijnstof. Oftewel: het verminderen van de hoeveelheid fijnstof die mensen inademen. Een gemiddelde- blootstellingsindex (GBI) wordt hiervoor gebruikt. Deze index is het gemiddelde over drie jaar van de gemeten concentraties op stedelijke achtergrondmeetstations. 

Voor de GBI geldt een door Europa vastgestelde grenswaarde. Deze grenswaarde is bedoeld om de jaargemiddelde stedelijke achtergrondconcentraties (de zogenaamde blootstellingsconcentatieverplichting) en daarmee de blootstelling aan PM2,5 te verlagen. De grenswaarde bedraagt 20 µg/m³ voor PM2,5. In Nederland wordt voldaan aan deze grenswaarde, zie tabel 1 voor de GBI-waarden van Nederland.

De GBI voor Nederland over 2009–2011 bedroeg 17,0 µg/m³. Voor 2020 was hieraan, naast de Europa vastgestelde grenswaarde, een reductiedoelstelling van 15% gekoppeld, oftewel een daling van 2,6 µg/m³ (Mooibroek et al., 2013). De GBI voor 2018-2020 bedroeg 10 µg/m³, een reductie van 3 µg/m³ ten opzichte van 2009-2011. De reductiedoelstelling is daarmee gehaald. Ook na 2020 bleef de GBI dalen. In de periode 2023–2025 was de GBI 8,8 µg/m³ lager dan in de periode 2009–2011 (zie tabel 1).

Tabel 1: Glijdend driejaarsgemiddelde voor PM2,5-concentratie op stedelijke achtergrondlocaties.

 

Periode

 

GBI

 

µg/m3

 

 

2009-2011

17,0

2010-2012

15,7

2011-2013

14,6

2012-2014

13,6

2013-2015

13,2

2014-2016

12,3

2015-2017

11,5

2016-2018

11,2

2017-2019

2018-2020

2019-2021

2020-2022

10,8

10,0

9,3

8,9

2021-2023

8,7

2022-2024

8.3

2023-2025

8.2

 

doelstelling:

 

2018-2020

14,4

Nieuwe reductiedoelstelling op basis van GBI in 2030

In de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit (2024/2881) is een nieuwe reductiedoelstelling op basis van de GBI opgenomen. Deze is afhankelijk van het concentratieniveau van tien jaar geleden. Als het concentratieniveau toen al laag was, moet een lidstaat relatief minder reduceren. De nieuwe reductieverplichtingen zijn als volgt:

  • Concentratie hoger dan 8,5 en lager dan 10 µg/m³ in 2020: reductie van 10% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.
  • Concentratie hoger of gelijk aan 10 en lager dan 12 µg/m³ in 2020: reductie van 15% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.
  • Concentratie gelijk aan of hoger dan 12 µg/m³ in 2020: reductie van 25% in 2030 ten opzichte van tien jaar geleden.

Het streefdoel voor de gemiddelde blootstellingsconcentratie van PM2,5 is 5 µg/m³. Lidstaten hebben tot 11 december 2026 de tijd om de herziene luchtkwaliteitsrichtlijn op te nemen in hun nationale wetgeving en de doelen vast te stellen.

Samen meten aan luchtkwaliteit

Naast het bestaande meetnet van het RIVM en partners zijn in Nederland meer ontwikkelingen om PM2,5 en luchtkwaliteit te meten. Een overzicht van deze meetprojecten met sensortechnologie en mede door burgers is te vinden op het kennisportaal 'Samen meten'. Samen Meten is onder andere waardevol omdat hierdoor op meer plekken en vaker metingen van de luchtkwaliteit zijn (data). Ook heeft het project het contact tussen burgers, wetenschappers en overheid op gang gebracht en verbeterd (dialoog).

Bronnen

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Concentraties van de fijnere fractie van fijnstof in lucht

Omschrijving

Concentraties van de fijnere fractie van fijnstof in Nederland op basis van meetgegevens van het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR.

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Berekeningswijze

Jaargemiddelde concentraties berekend uit gemeten dagwaarden. Voor de berekening van een geldig jaargemiddelde is het criterium gehanteerd dat er minimaal 75% van het maximaal mogelijke aantal dagwaarden in een jaar beschikbaar moet zijn. Voor de gespecificeerde jaren (2011-2025) moet een station minstens op 75% van de jaren een geldig jaargemiddelde hebben (dat voortkomt uit de eerste selectie). Dit zijn de criteria die gebruikt worden voor het maken van trendfiguren. Alleen binnen de jaarreeks 2011-2025 wordt gefilterd op twee criteria. Voor alle andere jaren worden alle stations meegenomen die 75% in een jaar gemeten hebben.

Basistabel

Gegevens Luchtkwaliteit (GELUK) van het Centrum Milieukwaliteit (MIL) van het RIVM. Met daarin gegevens van de GGD Amsterdam en de DCMR.

Geografische verdeling

1) De kaart is gebaseerd op de uitkomsten van de meest recente GCN-berekeningen. 

2) De trendfiguren 2008-2025 zijn gebaseerd op meetgegevens van één tot zeven regionale achtergrondstations, negen tot veertien stedelijke achtergrondstations en drie tot dertien verkeersbelaste stations van het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR (aantal stations kan per jaar verschillend zijn). 

3) De chemische samenstelling wordt bepaald op het regionale achtergrondstation NL10644 (Cabauw-Wielsekade).

Andere variabelen

Het RIVM, GGD Amsterdam en DCMR leveren ook informatie over andere luchtverontreinigende stoffen zoals fijnstof, koolmonoxide, ozon, stikstofoxiden en zwaveldioxide.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

1) Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland. Rapportage 2025 (Mijnen-Visser, et al. zie bij ‘Bronnen’). 

2) Chemische samenstelling PM2,5: Mooibroek D, van der Swaluw E, Hoogerbrugge R (2013c) A reanalysis of the BOP dataset : Source apportionment and mineral dust 680356001 (rivm.nl). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.

Opmerking

1) De volledige (en juiste) definitie van PM2,5 luidt: ‘Deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm’. 

2) Regionale achtergrondstations zijn meetpunten die op enige afstand van bebouwing en industrie staan. Stedelijke achtergrondstations zijn meetpunten die binnen de bebouwde kom staan, wel op afstand van belangrijke uitstootbronnen.

3) De meetgegevens van de fijnere fractie van fijnstof zijn verkregen met metingen volgens of vergelijkbaar met de referentiemethode. 

4) De chemische samenstelling is indicatief omdat deze enkel op meetstation Cabauw bepaald wordt en de bemonstering per type samenstelling om de vier dagen plaats vindt.

5) In de zomerperiode van het jaar 2015 was een beperkt aantal metingen beschikbaar op regionale achtergrond en verkeersbelaste meetstations door technische problemen met de meetinstrumenten. Dit is in Figuur ‘Jaargemiddelde’ weergegeven met een stippellijn.

6) De balk zware metalen (ZM) geeft in het figuur de som weer van As (Arseen), Ca (Calcium), Cd (Cadmium), K (Kalium), Mg (Magnesium), Ni (Nikkel), Pb (Lood) en Zn (Zink). Deze zware metalen zijn, in vergelijking met de andere specifiek genoemde metalen, beperkt aanwezig en worden om grafische redenen dus als groep weergegeven. Onder ‘overig’ worden de restante componenten meegenomen die niet specifiek in het figuur genoemd worden. 

7) AEI = Average Exposure Index (Nederlandse vertaling GBI = Gemiddelde-blootstellingsindex)

Betrouwbaarheidscodering

Kaart: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd).

Trend 2008 – 2025: C (Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd). 

Chemische samenstelling: D (Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake). 

Referentie van deze webpagina

CLO (2026). Fijnere fractie van fijnstof (PM2,5) in lucht, 2008-2025 (indicator 0532, versie 11, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.