Compendium voor de Leefomgeving
502 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Energie en milieu

Verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer, 2005-2015

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Het verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer groeit vanaf 2007 doordat de overheid leveranciers van benzine en diesel heeft verplicht om hernieuwbare energie te leveren. Toch is in 2015 het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik voor vervoer gedaald naar ruim 5 procent. In 2014 was dat nog ruim 6 procent.

Verplicht aandeel hernieuwbare energie in het vervoer

In de Nederlandse wetgeving is vastgelegd dat leveranciers van benzine en diesel voor vervoer een gedeelte van de door hen geleverde energie uit hernieuwbare energie moeten laten bestaan. Dit verplichte aandeel hernieuwbare energie is opgelopen van 2 procent in 2007 naar 6,25 procent in 2015 (IenM, 2011) en loopt geleidelijk verder op naar 10 procent in 2020 (IenM, 2014).
De verplichting komt voort uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare energie. De lidstaten zijn verplicht om in 2020 een hoeveelheid hernieuwbare energie in het vervoer te verbruiken die overeenkomt met 10 procent van het verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer (EU, 2009).
In een brief aan de Kamer heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu voorgesteld de nationale verplichting voor bijmenging te verlagen naar 8,4 procent (IenM, 2016). Deze verlaging wordt voorgesteld ter compensatie van het afschaffen van de dubbeltelling voor geavanceerde biobrandstoffen en om de productie van 'meest geavanceerde biobrandstoffen' te stimuleren.

Gerealiseerd aandeel hernieuwbare energie

Door definitieverschillen loopt het gerealiseerde aandeel hernieuwbare energie voor vervoer volgens de EU-Richtlijn niet precies gelijk op met de nationale verplichting voor bedrijven (CBS, 2016a). In deze indicator geven we het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer weer volgens de EU-Richtlijn, met daarin meegenomen de aanpassing uit 2015 (EU, 2015). Deze aanpassing heeft tot gevolg dat hernieuwbare elektriciteit voor vervoer zwaarder meetelt.

Biobrandstoffen

Zoals gezegd zijn sinds 2007 leveranciers van benzine en diesel in Nederland verplicht om hernieuwbare energie te leveren. In de praktijk gaat het dan vooral om biobenzine en biodiesel die bijgemengd worden in gewone benzine en diesel. Deze verplichting wordt daarom vaak 'bijmengplicht' genoemd.
Bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie mogen milieutechnisch goede biobrandstoffen dubbel worden meegeteld. Deze dubbeltellende biobrandstoffen waren in 2015 door hun dubbeltelling goed voor ongeveer de helft van het verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer. Vooral biodiesel wordt in dubbeltellende vorm op de markt gebracht. Het gaat dan vooral om biodiesel die gemaakt is uit afval, zoals gebruikt frituurvet.

Duurzaamheid van biobrandstoffen

Sinds de introductie is er veel maatschappelijke discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen. Als resultaat van deze discussie bevat de Europese Richtlijn Hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen, die moeten borgen dat:

  • het gebruik van biobrandstoffen daadwerkelijk leidt tot een reductie van de emissie van broeikasgassen,
  • de schade aan de natuur beperkt wordt, en
  • de sociale rechten gerespecteerd worden.


Biobrandstoffen die niet voldoen aan deze criteria tellen niet mee voor de doelstellingen uit de Europese Richtlijn en mogen ook niet ondersteund worden door overheidsmaatregelen op nationaal niveau. Om te borgen dat gebruikte biobrandstoffen voldoen aan de criteria zijn door private partijen certificeringsschema's opgezet. Vanaf het verslagjaar 2011 controleert de Nederlandse Emissieautoriteit of de biobrandstoffen die geclaimd worden voor de nationale verplichting voldoende gecertificeerd zijn.

Aard en herkomst biobrandstoffen

Om de impact te beoordelen van de biobrandstoffen, die gebruikt worden om te voldoen aan de nationale verplichting, verzamelt en publiceert de Nederlandse Emissieautoriteit in het kader van de EU-Richtlijn ook informatie over de aard en herkomst van de biobrandstoffen (NEa, 2016).
Gebruikt frituurvet is in 2015 met 67,5 procent de belangrijkste grondstof voor biodiesel. Dit frituurvet komt vooral uit Nederland, Duitsland en Noord-Amerika. Biobenzine wordt voor twee derde deel gemaakt uit maïs en tarwe. De maïs komt vooral uit Oekraïne en Roemenië; de tarwe uit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

Hernieuwbare elektriciteit voor vervoer

Het verbruik van hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer is berekend door het totale elektriciteitsverbruik voor railvervoer te vermenigvuldigen met het EU aandeel hernieuwbare elektriciteit en een factor 2,5 (EU, 2015). Het resultaat van deze berekening is dat het gebruik van hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer overeenkomt met 3,6 PJ, goed voor 16 procent van de hernieuwbare energie voor vervoer.
Het verbruik van hernieuwbare elektriciteit voor wegvervoer is berekend door het totale elektriciteitsverbruik voor wegvervoer te vermenigvuldigen met het EU aandeel hernieuwbare elektriciteit en een factor 5 (EU, 2015). Het resultaat van deze berekening is dat het gebruik van hernieuwbare elektriciteit voor wegvervoer overeenkomt met 0,9 PJ, goed voor 4 procent van de hernieuwbare energie voor vervoer.

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over hernieuwbare energie is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer

Omschrijving

Ontwikkeling van het verbruik van biobrandstoffen en hernieuwbare elektriciteit voor vervoer.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

De berekeningswijze is vastgelegd in de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (EU, 2009) en wordt verder uitgewerkt door Eurostat in de SHARES applicatie. De uitwerking voor Nederland is beschreven in Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016a). Bij de berekening van het totale verbruik van hernieuwbare energie in het verkeer worden bepaalde biobrandstoffen in de berekening dubbel geteld. Het verbruik van hernieuwbare elektriciteit in het vervoer wordt berekend volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare energie door het totale verbruik van elektriciteit voor vervoer te vermenigvuldigen met het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit uit de EU. Hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer telt daarbij nog 2,5 keer zwaarder mee en elektriciteit voor wegverkeer 5 keer. Deze factoren zijn eind 2015 aangepast (EU, 2015). Hierdoor wijken de cijfers over het elektriciteitsverbruik in het vervoer in deze versie af van die in de vorige versie van deze indicator.

Basistabel

StatLine: Vloeibare biotransportbrandstoffen; aanbod, verbruik en bijmenging (CBS, 2016b).

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Hernieuwbare energie in Nederland 2015 (CBS, 2016a).

Opmerking

De gegevens voor de jaren 2003 tot en met 2005 zijn afkomstig uit de rapportages van de Nederlandse overheid in het kader van de Europese richtlijn Biobrandstoffen voor het wegverkeer (2003/30/EC). De cijfers vanaf 2006 zijn afgeleid uit administratieve gegevens over biobrandstoffen in combinatie met uit directe waarneming van het CBS in het kader van de oliestatistiek. Voor de administratieve gegevens gaat het daarbij in 2006 om gegevens van de belastingdienst over de korting op de accijns bij het gebruik van biobrandstoffen, van 2007 tot en met 2010 om gegevens van de VROM-Inspectie, en vanaf 2011 om gegevens van de Nederlandse Emissieautoriteit.

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer, 2005-2015 (indicator 0535, versie 15 , 8 december 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.