Gebruik van antibiotica en gemeten resistentie in de veehouderij, 1999 - 2024
In 2024 is het gebruik van antibiotica in de veehouderij met ruim driekwart afgenomen ten opzichte van het referentiejaar 2009. Na een snelle daling van het gebruik tussen 2009 en 2012 is de afname afgevlakt. Veelvuldig en onjuist gebruik van antibiotica leidt tot resistentie van bacteriën. Deze resistentie is afgenomen.
Dit is goed nieuws omdat in de veehouderij en de humane gezondheidszorg deels dezelfde antibiotica worden gebruikt, en dus een verlies aan werkzame antibiotica ook een risico voor de mens is.
Daling verkoop antibiotica verloopt minder snel, lichte toename in 2024
In 2008 werd, naar aanleiding van zorgen over het hoge antibioticumgebruik in de veehouderij, het Convenant Antibioticaresistentie Dierhouderij gesloten. Het doel was om tussen 2009 en 2015 het antibioticagebruik in de veehouderij met 70 procent te reduceren. Dat doel is gehaald: het antibioticumgebruik in de veehouderij is met 75,5 procent gedaald ten opzichte van het referentiejaar 2009. De sterkste daling vond plaats tussen 2009 en 2012. Na een verdere geleidelijke afname tot en met 2023, nam de verkoop van antibiotica weer iets toe (zie figuur ‘Totaal verkoop’). De verkoop van antibiotica die van cruciaal belang zijn voor de humane gezondheidszorg (de zogeheten kritische middelen) is stabiel laag. Dit is van belang, om te voorkomen dat er resistenties ontstaan voor antibiotica die essentieel zijn voor de behandeling van ernstige infecties bij mensen. Uitzondering vormt het gebruik van het middel colistine. Het gebruik van dat middel ligt name in de leghennensector nog boven de advieswaarde van de Europese Medische Autoriteit (Sda, 2025). In de overige sectoren ligt het gebruik wel beneden de advieswaarde.
Grote verschillen tussen sectoren en bedrijven in antibioticumgebruik
Op sectorniveau, waar het gebruik wordt uitgedrukt in het aantal behandeldagen per jaar (zogeheten dierdagdoseringen), is er in 2024 sprake van een gemengd beeld (SDa, 2025). Het antibioticumgebruik in de vleeskuikensector is gedaald tot 5,2 dierdagdoseringen. Het gebruik bij vleeskalveren is na een afname tot 2020 enigszins gestabiliseerd en vooralsnog hoog met 15,9 dierdagdoseringen. In de melkveesector blijft het gebruik laag met 3,3 dierdagdoseringen. In de varkenssector is sprake van een lichte stijging tot 6,6 dierdagdoseringen (zie figuur ’Gebruik per sector’).
Ook binnen de sectoren bestaan grote verschillen in antibioticumgebruik. Via benchmarking proberen sectoren het aantal veehouders dat structureel veel antibiotica gebruikt (de ‘structureel hooggebruikers’) te verminderen. Toch blijft het aantal structureel hooggebruikers in sommige sectoren hoog. Dit is onder andere het geval in de kalversector. In de vleeskuikensector zijn de verschillen tussen bedrijven groot, vooral tussen bedrijven met reguliere snel groeiende rassen en bedrijven met traag groeiende rassen. Bij reguliere rassen is het gemiddelde gebruik meer dan zeven keer hoger dan bij trager groeiende rassen en komt structureel hoog gebruik regelmatig voor. Bij trager groeiende rassen komt structureel hoog gebruik zelden voor. In de varkenssector is het aantal structureel hooggebruikers lager. In de melkvee- en rundvleessector is dit aandeel zeer klein.
Resistentie tegen antibiotica in de veehouderij neemt af
Het antibioticumgebruik in de veehouderij brengt risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Frequent en onzorgvuldig gebruik kan ertoe leiden dat ziekmakende bacteriën resistent worden tegen veel gebruikte middelen (Mevius, 2008). Dit vormt een bedreiging voor zowel de gezondheid van dieren als mensen. Dit omdat een infectie met een resistente bacterie minder goed te behandelen is. Dit geldt in het bijzonder voor multiresistente bacteriën, die ongevoelig zijn voor drie of meer klassen antibiotica. In zulke gevallen blijven vaak nog maar enkele behandelopties over. Met de afname in gebruik is in alle sectoren ook de antibioticaresistentie gedaald (zie figuur ’Antibioticaresistentie’) (MARAN, 2025). Door het lagere gebruik is ook het risico op overdracht van resistente bacteriën van dier naar mens verminderd.
Beleid voor antibioticumgebruik in de veehouderij
Het Nederlandse veterinaire antibioticabeleid is sectorspecifiek en is een gezamenlijke aanpak van dierhouders, dierenartsen, overheid en de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa). Doel is het stimuleren van het verantwoord en terughoudend gebruik van antibiotica. De afspraken zijn in 2008 vastgelegd in het Convenant Antibioticaresistentie Dierhouderij en is sindsdien meerdere keren aangescherpt. Hierbij is rekening gehouden met verschillen tussen diersectoren. De overheid heeft in wet- en regelgeving voorwaarden gesteld aan het voorschrijven en toedienen van antibiotica (EZ, 2016).
Op Europees niveau bevat de Diergeneesmiddelenverordening (EU, 2019) vergelijkbare regels, zoals het verbod op preventief antibioticumgebruik. Deze regels gelden vanaf 2022 in de hele EU. De verordening verplicht daarnaast dat alle Europese lidstaten het gebruik en de verkoop van antibacteriële middelen in alle gehouden dieren moeten monitoren en rapporteren aan het Europees Medicijnen Agentschap (EMA).
In 2024 is het Actieplan Antimicrobiële Resistentie 2024-2030 (Rijksoverheid, 2024) vastgesteld. Dit OneHealth plan bevat verschillende nieuwe maatregelen om antimicrobiële resistentie tegen te gaan, zoals een herziening van de classificatie voor het gebruik van antibiotica in dieren en de ontwikkeling van diersoortspecifieke standaarden voor dierenartsen bij toepassing van antibiotica, kleinere verpakkingseenheden om overdosering en verspilling te voorkomen en een sterkere inzet op preventie.
Databronnen
Het antibioticumgebruik in de Nederlandse veehouderij wordt bijgehouden door de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa). Voor het monitoren van het gebruik zijn er twee bronnen van informatie: de verkoop van antibiotica gebaseerd op verkoopgegevens van de farmaceutische industrie en de monitoring van het antibioticumgebruik op veehouderijbedrijven op basis van gegevens vastgelegd door veehouders en dierenartsen. Het geregistreerde gebruik was in 2024 ongeveer tien procent lager dan de door de industrie opgegeven verkoopcijfers. De belangrijkste reden hiervoor is dat nog niet in alle diercategorieën het gebruik wordt gemonitord (SDa, 2025).
Bronnen
- EU (2019). Verordening 2019/6 van het Europees parlement en de raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen. Publicatieblad van de Europese Unie L 4, 43-167.
- EZ (2016). Kamerbrief vervolgbeleid antibiotica in de veehouderij 8 juli 2016. Kenmerk: DGAN-DAD / 16098945.
- NethMap One Health 2024 (2025).
- MARAN-2024 (2025), Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2024.
- Mevius, D. (2008). Resistentie, een gevoelig onderwerp. Inaugurele rede Universiteit Utrecht.
- Rijksoverheid (2024). Nederlands Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie. Rijksoverheid, Den Haag.
- SDa (2025). Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2024. SDa, Autoriteit Diergeneesmiddelen
Relevante informatie
- EU. Europese wetgeving diergeneesmiddelen
- FIDIN. Antibioticagebruik in de veehouderij. FIDIN, branchevereniging van Veterinaire Farmacie in Nederland.
- RIVM. Informatie over antibioticaresistentie. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Gebruik van antibiotica en gemeten resistentie in de veehouderij
- Omschrijving
De verkoop en het gebruik van antibiotica in de veehouderijsector. Frequent gebruik van antibiotica leidt tot resistentie van bacteriën tegen deze middelen.
- Verantwoordelijk instituut
Planbureau voor de Leefomgeving
Sector Water, Landbouw en Voedsel (WLV)- Auteur: Jolijn Bonnet en Aaldrik Tiktak
- Ontwikkelaar: Martha van Eerdt
- Reviewers: Kees Veldman (WUR), Pim Sanders (SDa) en Janneke Schreuder (LVVN).
- Inhoudelijk eindverantwoordelijke: Koen Overmars
- Coördinatie en redactie: Jan van Dam
- Technische ondersteuning: Marian Abels en Raymond de Niet
- Berekeningswijze
Cijfers over de verkoop en het gebruik van antibiotica worden geleverd door de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa). De SDa baseert deze cijfers op gegevens van FIDIN (Fabrikanten Importeurs Diergeneesmiddelen Nederland). De gegevens over antibioticaresistentie zijn afkomstig uit de publicatie NethMap One Health 2024.
- Basistabel
-
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
Tweejaarlijks, beoogde updatedatum: 1 april 2028 (hieraan kunnen geen rechten worden ontleend)
- Achtergrondliteratuur
De Stichting Autoriteit Diergeneesmiddelen brengt jaarlijks een rapport uit over het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid en Wageningen Universiteit brengen gezamenlijk een rapport uit over antibioticaresistentie bij landbouwhuisdieren en mensen (MARAN, 2025). Zie voor de meest recente versies van deze publicaties de literatuurlijst.
- Opmerking
Het gebruik per diersector wordt uitgedrukt in zogeheten dierdagdoseringen. Zie voor een technische toelichting de webpagina van de SDa. Het gebruik varieert sterk van jaar tot jaar.
De antibioticaresistentie wordt uitgedrukt voor de indicator bacterie E. coli. We spreken van multiresistente bacteriën als deze resistent is tegen 3 of meer groepen van antibiotica. In andere gevallen spreken we van enkelvoudige resistentie.
- Betrouwbaarheidscodering
De cijfers zijn gebaseerd op de door FIDIN verstrekte verkoopgegevens enerzijds en op een integrale registratie van het gebruik op bedrijven anderzijds. De SDa gebruikt de door de FIDIN aangeleverde verkoopcijfers, en vergelijkt deze met de aangeleverde gebruikscijfers. De verkoopdata van FIDIN omvatten naar schatting 98 procent van de totale verkopen in Nederland.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Gebruik van antibiotica en gemeten resistentie in de veehouderij, 1999 - 2024 (indicator 0565, versie 10, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.