Milieukwaliteit en natuur

Inleiding natuur en milieu

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Een aantal belangrijke milieufactoren die invloed hebben op de toestand en ontwikkeling van de natuur zijn versnippering, vermesting, verzuring, verdroging, milieugevaarlijke stoffen en klimaatverandering.

Versnippering

De Nederlandse natuurgebieden zijn versnipperd geraakt door de aanleg van wegen en bebouwing. Door versnippering ontstaan kleine, sterk of minder sterk geïsoleerde gebieden waarin een aantal soorten niet goed kan overleven. Een barrière voor veel soorten vormt het dichte wegennet in Nederland, gekoppeld aan een toenemende verkeersintensiteit. Het verkeer heeft ook een directe invloed op dieren, omdat er in het verkeer veel slachtoffers vallen, zoals de das.
Het beleid is erop gericht de versnippering terug te dringen. Belangrijke instrumenten zijn de vorming van de ecologische hoofdstructuur (EHS) met aaneengesloten gebieden en verbindingszones en de aanleg van allerlei faunapassages bij wegen.

Vermesting en verzuring

Stikstof en fosfaat zijn vermestende stoffen en die hoofdzakelijk afkomstig zijn van dierlijke mest en kunstmest uit de landbouw. De vermestende stoffen hebben grote invloed op het voorkomen van planten en dieren, zowel op landbouwgronden als daarbuiten. Vermesting leidt tot afname van oligotrofe soorten (soorten van voedselarme milieus) en toename van enkele eutrofe (voedselminnende) soorten. Voorbeelden van het laatste zijn de toename van stikstofminnende korstmossen als gevolg van de hoge ammoniakconcentraties in de lucht en de toenemende vergrassing van de heide.
Uitspoeling van vermestende stoffen naar het oppervlaktewater en de lozing van huishoudelijk en industrieel afvalwater zorgen voor het voedselrijker worden van het oppervlaktewater (eutrofiëring). Het beleid is gericht op het terugdringen van eutrofiëring. In de Randmeren heeft dat beleid geleid tot toename van waterplanten en zwanen.
Zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) zijn de belangrijkste verzurende stoffen. De effecten van deze stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt. Verzuring heeft de achteruitgang van veel korstmossen en vaatplanten veroorzaakt. Dankzij gericht beleid is de hoeveelheid SO2 inmiddels weer sterk gedaald. Daarvan profiteren sommige korstmossen en mogelijk ook mycorrhiza-vormende paddenstoelen.

Verdroging

Nederland is de afgelopen eeuw droger geworden. De oorzaken zijn winning van grondwater voor drinkwater en industrie, versnelde afvoer van regenwater door drainage en riolering en permanente verlaging van het grondwater voor de landbouw. Verdroging kan tot op grote afstand gevolgen hebben voor de plantengroei. Grondwaterstanddalingen in hogere gebieden kunnen namelijk leiden tot vermindering van basenrijk kwelwater in lager liggende gebieden. Een aantal plantensoorten is afhankelijk van de aanwezigheid van basenrijke kwel.
Verdroging heeft plaatsgevonden in allerlei ecosystemen. Door de drinkwaterwinning in de duinen is de oppervlakte vochtige en natte duinvalleien sterk afgenomen, wat geleid heeft tot de achteruitgang van zowel planten als dieren. Verder zijn veel vochtige halfnatuurlijke graslanden verdwenen door verdroging. Ook de oppervlakte van natte en vochtige heide in Nederland is afgenomen, wat niet alleen heeft geleid tot afname van karakteristieke soorten van heide, maar ook van vennen. In de bossen heeft verdroging onder andere gevolgen gehad voor vogels, vlinders en paddenstoelen.
Het huidige beleid is gericht op een hydrologisch en ecologisch herstel van verdroogde gebieden. In veel gebieden vindt daardoor nu weer vernatting plaats, zoals in de duinen waar in sommige gebieden herstel van vochtige duinvegetaties plaats vindt.

Milieugevaarlijke stoffen

Door toedoen van de mens komen in het milieu stoffen voor die daar van nature niet of slechts in zeer lage concentraties voorkomen. Sommige van deze stoffen, zoals bestrijdingsmiddelen, zware metalen, PCB's, dioxinen en stookolie zijn schadelijk voor planten of dieren. Voorbeelden zijn de negatieve effecten van bestrijdingsmiddelen op roofvogels, van aangroeiwerende verven op wulken en purperslakken en van de afname van de grote stern door vergiftiging met organochloorverbindingen. Door een gerichte aanpak van lucht-, water- en bodemverontreinigingen heeft een aantal soorten zich weer hersteld.

Klimaatverandering

In Nederland wordt het de laatste jaren warmer. In de afgelopen eeuw is de jaargemiddelde temperatuur met ongeveer 1,5°C gestegen. De tien warmste jaren sinds 1901 vallen alle na 1989. De natuur reageert op deze klimaatverandering. De planten- en diersoorten die zich de afgelopen eeuw in Nederland gevestigd hebben, zijn voor een groot deel afkomstig uit warmere, zuidelijke streken, terwijl er maar weinig soorten van noordelijke herkomst zijn verschenen.
Er zijn vele voorbeelden van toename van zuidelijke soorten voorhanden bij allerlei soortgroepen, zoals de wespenspin, de eikenprocessierups, het plooivlieswaaiertje (een paddenstoel) en diverse soorten korstmossen. Ook in het zoute water zijn soorten van zuidelijke herkomst in opkomst, zoals de kleine heremietkreeft en de druipzakpijp en de vissoorten schurftvis en kleine pieterman.
Niet elke toename van zuidelijke soorten in Nederland is toe te schrijven aan klimaatverandering. Een aantal nieuwkomers heeft een voorkeur voor steden en industriegebieden. Deze 'versteende' gebieden hebben door hun aard een warmer klimaat dan het omringende platteland.
Behalve het veranderen van het verspreidingsgebied van soorten verschuiven ook het tijdstip van groeien en bloeien van planten en het broedseizoen van vogels. Dat zou gevolgen kunnen krijgen voor de broedvogelstand, vooral bij soorten die in Afrika overwinteren.

Referenties

  • Roos, R. en S. Woudenberg (2004). Opgewarmd Nederland. Stichting NatuurMedia, Uitgeverij Jan van Arkel en Stichting Natuur en Milieu.

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2014). Inleiding natuur en milieu (indicator 1091, versie 05 , 24 januari 2014 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.