Biodiversiteit

Trend van broedvogels, 1990-2021

De broedvogels gaan in de periode 1990 tot en met 2021 gemiddeld licht in aantal vooruit.

Ontwikkeling

De groep van broedvogels is sinds 1990 geleidelijk toegenomen met ongeveer 16%. Toch zijn er niet alleen winnaars, want het aantal soorten met een toenemende populatie, is niet veel groter dan het aantal soorten met een afnemende populatie. Dat de groep als geheel een toename laat zien, komt voor een groot deel door een aantal recente nieuwkomers die in sommige gevallen spectaculair toenemen. Voorbeelden hiervan zijn Cetti's zanger, grote mantelmeeuw, middelste bonte specht en grote zilverreiger. Daarnaast is in de toe- of afname van vogelsoorten ook een weerspiegeling te zien van veranderingen in de leefomgevingen van soorten, zoals waterkwaliteitsverbetering, het ouder worden van bossen en het steeds intensiever gebruik van het landelijk gebied.

Toenemende soorten

Onder de soorten die toenemen zijn verhoudingsgewijs veel vogels van moeras en open water te vinden. Tot de toenemende soorten uit deze groep behoren, naast Cetti's zanger en grote zilverreiger ook kleine zilverreiger, grauwe gans, krakeend, krooneend en lepelaar. Toenemende soorten zijn ook relatief veel te vinden bij karakteristieke bossoorten. Onder deze soorten is de middelste bonte specht - een recente nieuwkomer - het sterkst toegenomen, maar ook de andere spechtensoorten doen het goed.

Afnemende en verdwenen soorten

Onder de afnemende soorten zien we verhoudingsgewijs veel soorten van open natuurgebieden en agrarisch gebied. Vogels van het boerenland nemen gemiddeld af sinds 1990, met als sterkste dalers grauwe gors, patrijs en kemphaan. Ook vogels van open natuurgebieden zoals duin en heide, doen het gemiddeld gezien niet goed, met blauwe kiekendief en tapuit als voorbeelden van sterke dalers. Duinpieper, klapekster, kuifleeuwerik en ortolaan zijn sinds enkele jaren zelfs geheel verdwenen uit Nederland. Voor grauwe gors en korhoen lijkt dit ook aanstaande. Onder de sterke dalers zit verder toch ook één moerasvogel: de grote karekiet. Deze soort is afhankelijk van oud riet, waarvan het oppervlak sterk is afgenomen door begrazing van de toenemende ganzenpopulaties en wijzigingen in het waterbeheer. Ook onderlinge relaties tussen soorten kunnen dus grote invloed hebben.

Rode Lijst Indicator

Veel van de hierboven genoemde soorten met negatieve trends komen voor op de Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten. Tot 2005 nam het aantal broedvogelsoorten op de Rode Lijst toe. Maar daarna is het aantal bedreigde vogels ongeveer gelijk gebleven (tweede tabblad, RLI-lengte). De gemiddelde ernst van de bedreiging is sindsdien toch nog iets gestegen (tweede tabblad, RLI-kleur).

Referenties

  • Boele A., van Bruggen J., Goffin B., Kavelaars M., Kleyheeg E., Koffijberg K., Schoppers J., van Turnhout C., Vergeer J.W. & Jansen D. (2022). Broedvogels in Nederland in 2020. Sovon-rapport 2022/05. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • van Kleunen A., R. Foppen en C. van Turnhout (2017). Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels 2016 volgens Nederlandse en IUCN-criteria 2017. Sovon rapport 2017-34. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
  • Hustings, Fred & Kees Koffijberg, 2018. Vogelatlas van Nederland. ISBN 9789021570051 Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend van broedvogels

Omschrijving

Ontwikkeling van populatie broedvogels als groep

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek

Berekeningswijze

Soortensets, databronnen en indexcijferberekening

In de deze indicator zijn 180 inheemse broedvogelsoorten voorkomend in Nederland opgenomen.

Aantalsgegevens zijn ontleend aan de landelijke broedvogelmeetprogramma's van het Netwerk Ecologische Monitoring. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen berekend met behulp van Poisson regressie (zie Methode indexcijfers TRIM; alle soorten zijn geanalyseerd met het standaardmodel met jaar- en meetpunteffecten). Bij trendberekening wordt gecorrigeerd voor verschillen in steekproefgrootte per regio en biotoop. In 2021 zijn de regio-indeling en wegingsfactoren aangepast op basis van de vogelatlas van 2018, waardoor trends en indexen per soort enigszins kunnen afwijken van eerder berekende trends en indexen.

Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)

De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.

1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier - in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 - vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen.

2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten.

3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.

4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.

5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.

6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.

Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.

Uit de trendschattingen en betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid.

7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat. Rode Lijst Indicator

De Rode Lijst Indicator, 1995-2021 is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014). Hoe hoger de indexwaarde, hoe langer (RLI-lengte) of hoe roder (RLI-kleur) de Rode Lijst is. Bij een langere Rode Lijst worden meer soorten bedreigd in hun voortbestaan, een 'rodere' Rode Lijst duidt erop dat de mate waarin soorten bedreigd worden gemiddeld is toegenomen.

Basistabel

De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan onder het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

CBS (2022). Meetprogramma's voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Dijk, A.J. van, M. Noback, G. Troost, J.W. Vergeer, H. Sierdsema en C. van Turnhout (2013). De introductie van Autocluster in het Broedvogel Monitoring Project. Limosa 86 (2): 94-102.

Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.

Strien, A. van, R. Verweij, M. de Zeeuw, L. van Duuren en L. Soldaat (2014). Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De Levende Natuur (115) 5: 208-211.

WWF Nederland (2015). Living Planet Report Nederland, staat van biodiversiteit/natuur. WWF, Zeist.

Betrouwbaarheidscodering

B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2022). Trend van broedvogels, 1990-2021 (indicator 1381, versie 17 , 29 september 2022 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.