Compendium voor de Leefomgeving
468 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Trends broedvogels Bijlage I Vogelrichtlijn provincies, 1990-2015

Het doel van de Vogelrichtlijn lijkt voor broedvogels van Bijlage I van de Vogelrichtlijn dichterbij te komen: in bijna alle provincies is het aantal soorten broedvogels van Bijlage I die een stabiele of toenemende trend vertonen groter dan het aantal Bijlage I soorten met een dalende trend. De gemiddelde trend in populatieomvang van Bijlage I soorten over de periode 1990-2015 is in de meeste provincies toenemend of stabiel.

Meer positieve dan negatieve trends in meeste provincies

Deze indicator geeft per provincie het aandeel broedvogelsoorten (% vogelsoorten) van Bijlage I van de Vogelrichtlijn weer die in de periode 1990-2015 zijn toegenomen, afgenomen of een stabiele populatietrend lieten zien (detailinformatie beschikbaar via tabblad 'download' onder de figuur). Het doel van de Vogelrichtlijn is om alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in stand te houden, dit betekent dat soorten in ieder geval niet mogen afnemen. Voor soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn die geregeld in ons land voorkomen, moeten speciale beschermingsmaatregelen worden getroffen. Nederland heeft voor deze soorten beschermde gebieden aangewezen (Natura 2000 gebieden). Deze indicator, hier in twee figuren gepresenteerd, beschouwt de trends van Vogelrichtlijn soorten binnen plus buiten Natura 2000-gebieden. De indicator kan gebruikt worden om te kijken of de doelen van de Vogelrichtlijn dichterbij komen, althans voor de soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn.

Landelijk is het aantal broedvogelsoorten van de Vogelrichtlijn met een toenemende of stabiele populatieomvang groter dan het aantal soorten met een afnemende omvang. Zo laat 56% van de hier beschouwde vogelsoorten een toename of stabiele trend zien in de periode 1990-2015, tegenover 44% met een afnemende trend.

De landelijke resultaten worden weerspiegeld op provinciaal niveau: in bijna elke provincie is het aantal provinciaal voorkomende broedvogelsoorten die in populatieomvang toenemen groter dan het aantal soorten met een afnemende populatieomvang. In de provincies Utrecht, Zeeland en Drenthe zijn ten opzichte van de andere provincies relatief de meeste toenames onder provinciaal voorkomende vogelsoorten te zien. In de provincies Flevoland en Fryslân is het aantal vogelsoorten met een toename of stabiele trend ongeveer gelijk aan het aantal vogelsoorten met een afname. Bij deze onderlinge vergelijkingen moet gerealiseerd worden dat de set van vogelsoorten waarna gekeken wordt in elke provincie anders is. Zie hiervoor de databestanden bij de figuren onder download tabblad.

Gemiddelde provinciale trends in meeste provincies toenemend of stabiel

Naast de aantallen soorten die toe- of afnemen is het ook van belang naar de gemiddelde verandering in de populatieomvang te kijken. De figuur in het tweede tabblad laat per provincie de gemiddelde trend in populatieomvang van de Bijlage I soorten zien. Omdat het aantal vogelsoorten dat provinciaal voorkomt tussen provincies verschilt, is voor elke provincie de trend van daar voorkomende Bijlage I vogelsoorten vergeleken met de nationale trend van dezelfde set van soorten. De figuur geeft informatie over zowel de periode 1990-2015 als de periode 2003-2015. Hierdoor kan worden gekeken of de trends door de tijd heen veranderen.

In de meeste provincies neemt de gemiddelde trend in populatieomvang van Bijlage I soorten neemt in de meeste provincies toe of is stabiel. Dit is in lijn met eerder benoemde bevinding dat het aantal soorten met positieve trends groter is dan het aantal soorten met een stabiele of afnemende trend. In tegenstelling tot het provinciale beeld met overwegend toenames, laat de gemiddelde landelijke trend tussen 1990-2015 een afname zien. Verklaring hiervoor is dat er vanwege een grotere databeschikbaarheid op landelijk niveau in vergelijking met provinciaal niveau, een groter aantal betrouwbaar vast te stellen trends van zeldzame soorten in de berekening meegenomen kunnen worden (o.a. duinpieper, korhoen, blauwe kiekendief, kemphaan, draaihals). Het meenemen van deze soorten die sterk achteruit zijn gegaan komt tot uitdrukking in de (negatieve) landelijke trend.

In zeven van de twaalf provincies is er een toename in populatieomvang over de periode 1990-2015. In vijf provincies is de gemiddelde trend stabiel of afnemend. In bijna alle provincies is de provinciale ontwikkeling gelijk aan de trend op landelijk niveau (voor dezelfde selectie van soorten). In de afgelopen 12 jaar hebben meer provincies een stabiele trend in vergelijking met de trend van de afgelopen 25 jaar. Zowel voor de gehele (1990-2015) als de recente periode (2003-2015) laten de provincies Gelderland en Zuid-Holland een minder positief beeld zien in vergelijking met het landelijk beeld van betreffende provinciale selecties.

Trendinformatie biedt inzicht in provinciale ontwikkelingen van beschermde soorten

Voor de voortgang van doelen in Europese Vogelrichtlijn wordt gekeken naar de verspreiding en populatieomvang op de korte en lange termijn. De bovenstaande indicator brengt in beeld wat het aantal Bijlage I vogelsoorten is met een toename of gelijkblijvende trend in populatieomvang ten opzichte van het aantal Bijlage I soorten met een afname. Deze informatie kan worden gebruikt om inzicht te krijgen in de mate waarmee het beleidsdoel van de Vogelrichtlijn dichterbij komt.

Een van de belangrijkste doelen van het EU biodiversiteitsbeleid is het realiseren van een gunstige staat, het duurzaam voortbestaan, van beschermde soorten en habitattypen. Deze indicator is relevant voor evaluatie van dit doel, met de belangrijke beperking dat deze indicator alleen focust op een deelset van beschermde vogelsoorten (broedvogels Bijlage I) en alleen veranderingen in populatieomvang beschouwt. Daarmee geeft de indicator geen volledig beeld van de ontwikkeling van de mate van doelbereik van de Vogelrichtlijn. De overige broedvogels, trekvogels en overwinterende vogels - die een aparte categorie vormen binnen de Vogelrichtlijn -zijn hier (nog) niet meegenomen. Bovendien dient er volgens de Vogelrichtlijn niet alleen gekeken te worden naar populatieomvang, maar ook naar trends in verspreiding. Ook trends van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten op provinciaal niveau zijn (nog) niet beschikbaar.

Om VHR doelbereik als geheel te beschouwen zijn aanvullende indicatoren nodig.

Zie ook:

Gunstige staat gezamenlijke opgave van provincies

Samen met het Rijk hebben de provincies een gezamenlijke opgave om de landelijk vastgestelde doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn te realiseren. Het doel is om soorten en habitattypen in een gunstige/veilige staat te houden of te brengen.
Op basis van informatie uit de laatste VHR rapportages (2007-2012) kent in Nederland 67% van de Habitatrichtlijnsoorten en 96% van de habitattypen een ongunstige staat van instandhouding. In Nederland kent circa eenderde deel van de vogels uit de Vogelrichtlijn een dalende trend. Om een positieve of stabiele trend voor vogels of een gunstige staat van instandhouding te realiseren voor soorten en habitattypen die momenteel in een ongunstige staat verkeren is het veelal nodig om het verspreidingsgebied en de (populatie)omvang van een habitattype of (vogel)soort te vergroten. Verbetering van kwaliteit van leefgebieden is hiervoor van belang, onder andere door verlaging van milieudruk (link milieudruk en trend) en het nemen van natuurmaatregelen (PBL & WUR 2017; Van der Hoek et al 2017).
Deze indicator biedt informatie over de trends in populatieomvang van broedvogels en kan voor de specifieke context van VHR evaluatie gebruikt worden. Echter, voor het evalueren van de voortgang van de algemene biodiversiteitsdoelstelling om biodiversiteit te verbeteren zijn aanvullende indicatoren nodig zoals indicatoren voor soorten en ecosystemen (zie Set van provinciale natuurindicatoren). 

Referenties

  • PBL & WUR (2017), Lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Boele, A., J. van Bruggen, F. Hustings, K. Koffijberg, J.W. Vergeer & T. van der Meij (2015). Broedvogels in Nederland in 2014. Sovon-rapport 2016/04. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Ontwikkeling van broedvogels van Bijlage I van de Vogelrichtlijn

Omschrijving

Ontwikkeling van populatie-aantallen van broedvogels van Bijlage I van de Vogelrichtlijn

Verantwoordelijk instituut

CBS, PBL (Pim Vugteveen), WUR (Bart de Knegt)

Berekeningswijze

De indicator (op het eerste tabblad) beschrijft per provincie en landelijk het aandeel ( percentage) soortentrends die vooruit, achteruit of stabiel blijven van 43 inheemse broedvogelsoorten die op Bijlage I van de Vogelrichtlijn staan. Op provinciaal niveau verschillen de aantallen opgenomen soorten.

Op het tweede tabblad zijn de gemiddelde provinciale en landelijke populatietrends . Niet alle soorten komen voor in elke provincie. Voor de figuur van het eerste tabblad geldt dat sommige soorten weliswaar voorkomen, maar niet in voldoende mate om een betrouwbare trend te kunnen berekenen. Deze soorten zijn dan weggelaten in de provinciale trendberekening, waardoor de aantallen soorten die opgenomen zijn per provincie verschillen. Om toch een vergelijking mogelijk te maken tussen de trend in de provincie met het landelijke beeld, is voor elke provinciale trend het landelijke equivalent met dezelfde set van soorten berekend (tweede tabblad). Deze trends staan in de kolom: nationale trend (provinciale soortselectie).

Aantalsgegevens zijn ontleend aan het landelijk meetprogramma broedvogels van het Netwerk Ecologische Monitoring. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen berekend met behulp van Poisson regressie (waarmee jaar- en meetpunteffecten zijn bepaald; zie Methode indexcijfers TRIM).

Indicatorberekening
Om de indicatoren per provincie te berekenen zijn de jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen meetkundig gemiddeld. Van een aantal soorten zijn in de eerste of laatste jaren geen indexcijfers beschikbaar (zie tabel met indexcijfers per soort onder downloadtabblad onder figuur). Deze ontbrekende indexcijfers zijn eerst met een 'kettingmethode' (xxx) afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Daarna is het laatste jaar op 100 gezet en zijn de overige jaren geïndexeerd ten opzichte van dat basisjaar. Vervolgens zijn de indexen per jaar meetkundig gemiddeld. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. De trendwaarde voor het eerste jaar is vervolgens op 100 gezet. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.

Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen. In zo'n geval liggen de meeste of zelfs alle jaarcijfers van de indicator binnen het betrouwbaarheidsinterval.
Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn. In dat geval kan een heel betrouwbare trend berekend worden en liggen veel jaarcijfers buiten het betrouwbaarheidsinterval. Uit de betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid. Alleen deze trendklassen zijn in deze indicator gepresenteerd.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Provincies

Verschijningsfrequentie

3-jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Soldaat, L.L., J. Pannekoek, R.J.T. Verweij, C.A.M. van Turnhout en A.J. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347

Betrouwbaarheidscodering

Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2017). Trends broedvogels Bijlage I Vogelrichtlijn provincies, 1990-2015 (indicator 1610, versie 01 , 7 december 2017 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.