Compendium voor de Leefomgeving
547 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Natuurbeleid en natuurbescherming

Trends in kwaliteit van natuur, 1990 - 2017

Sinds 1994 is de gemiddelde kwaliteit van alle typen landnatuur achteruitgegaan. De daling van de gemiddelde ecosysteemkwaliteit in natuurgebieden op het land is gestopt. De laatste jaren neemt de gemiddelde natuurkwaliteit van ecosystemen niet verder af maar ook niet duidelijk toe. In vergelijking met de trend op het land is de trend voor natuurkwaliteit in het zoete water de afgelopen decennia gemiddeld positiever. Sinds 1990 stijgt de natuurkwaliteit van zoet oppervlaktewater licht.

Kwaliteit natuur

Uit metingen van een set aan kenmerkende soorten van verschillende ecosystemen blijkt dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen. De laatste jaren neemt de gemiddelde natuurkwaliteit van ecosystemen niet verder af maar ook niet duidelijk toe. Dit beeld is consistent met de trend van diersoorten in natuurgebieden op het land.

Als we kijken naar verschillende typen landnatuur dan zien we dat de laatste jaren de afname van de kwaliteit van heide en moeras is gestopt, terwijl de kwaliteit van de open duinen nog steeds daalt. Trends in kwaliteit van half-natuurlijk grasland en bos verbeteren of verslechteren over de gehele periode 1994-2017 gemiddeld genomen niet.
In vergelijking met de trend op het land is de trend voor natuurkwaliteit in het zoete water de afgelopen decennia gemiddeld positiever. De natuurkwaliteit van zoet oppervlaktewater stijgt licht (data 1990-2016). Hierbij is gekeken naar het voorkomen van macrofauna en waterplanten soorten waarbij de kwaliteitsbeoordeling is gebaseerd op de KRW-maatlatten (Kaderrichtlijn Water). Zowel de natuurkwaliteit op basis van waterplanten als macrofauna is gestegen. Dit geldt vooral voor beken en kanalen. Bij de waterplanten is in de sloten nauwelijks sprake van een verbetering. Bij de macrofauna gaat de kwaliteit in de meren zelfs achteruit.

De trendfiguur laat verder zien dat de natuurkwaliteit van water- en landnatuur lager is dan in een intact of natuurlijk ecosysteem (index=100%) het geval zou zijn. Met een intact ecosysteem wordt gerefereerd aan een ecosysteem dat niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Gemiddeld over de ecosysteemtypen ligt de huidige ecosysteemkwaliteit voor landnatuur rond de 40%.

Oorzaken van achteruitgang kwaliteit

Ontginningen, landbouwintensiveringen en verstedelijking hebben geleid tot een afname van het areaal van natuurlijke ecosystemen. De kwaliteit van overgebleven ecosystemen in Nederland is afgelopen decennia afgenomen door vermesting, verzuring, verdroging, slechte waterkwaliteit en het gebrek aan ruimtelijke samenhang. De precieze oorzaken en de mate waarin dit voorkomt verschilt per ecosysteemtype en per regio. Sinds 1990 is de milieudruk, zoals bemeten aan emissies en deposities, afgenomen en zijn ruimtelijke condities verbeterd met de inrichting van het Natuurnetwerk Nederland. Duurzame condities zijn echter nog niet bereikt. Doordat milieu- en ruimtecondities niet optimaal zijn, is de kwaliteit van natuur laag en is er op verschillende plekken zelfs nog sprake van verdere achteruitgang. De precieze oorzaken van achteruitgang verschilt per ecosysteemtype.

De huidige kwaliteit van zoetwaterecosystemen is gemiddeld laag. Dit heeft te maken met verschillende oorzaken waaronder de nalevering van voedingsstoffen uit de waterbodem, uit- en afspoeling van meststoffen uit de landbouw en vestiging van exotische soorten. Inrichtingsmaatregelen zoals beekherstel en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, en het verminderen van vermesting van het oppervlaktewater, kunnen voor een verder herstel van de biologische kwaliteit op basis van waterplanten zorgen.

Beleid streeft naar verbeteren ecosysteemkwaliteit

In internationaal verband heeft Nederland zich gecommitteerd aan de doelen van de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000), de EU-Biodiversiteitstrategie en de EU-Kaderrichtlijn Water. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door het natuurnetwerk te realiseren en door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen om water- en milieucondities te verbeteren.
Het doel van de Kaderrichtlijn Water is om de kwaliteit van water en waterrijke gebieden te verbeteren. De KRW-methodiek omvat maatlatten voor de beoordeling van de biologische toestand, de fysisch-chemische toestand en chemische toestand door toxische stoffen. Deze laatste groep omvat zowel Europees vastgestelde prioritaire stoffen als overig relevante verontreinigende stoffen die per stroomgebied zijn vastgesteld.

Referenties

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Trend in kwaliteit van natuur

Omschrijving

1. Trend in de mate van voorkomen van kenmerkende soorten als proxy voor de gemiddelde kwaliteit van bos, heide, moeras, open duin en halfnatuurlijk grasland. 2. Trend in de natuurkwaliteit is beoordeeld op basis van voorkomen waterplanten en macrofauna in de regionale wateren.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Auteurs: Arjen van Hinsberg (PBL), Bart de Knegt, Janien van der Greft-van Rossum en Marlies Sanders (Wageningen Environmental Research)

Berekeningswijze

Natuurkwaliteit land:AlgemeenDe indicator Trend in natuurkwaliteit geeft de kwaliteit van Nederlandse terrestrische ecosystemen aan sinds 1994, ten opzichte van intacte ecosystemen. De kwaliteit van ecosystemen wordt analoog aan CBD en SEBI 2010 weergegeven op basis van de mate van voorkomen van kenmerkende soorten in ecosystemen (Reijnen et al., 2010). Ecosystemen en soortenDe indicator Trend in natuurkwaliteit onderscheidt vijf terrestrische ecosysteemtypen: Bos, Heide, Moeras, Open Duin en Half- natuurlijk grasland. Deze ecosystemen zijn met behulp van de Fysisch Geografische Regiokaart onderverdeeld in 18 enkelvoudige strata, de kleinste ruimtelijke eenheden voor de indicator Trend in natuurkwaliteit. Voor alle strata is een selectie gemaakt van kenmerkende soorten, gebaseerd op de doelsoorten uit Bal et al (2001) en aangevuld met typische soorten waarvoor soortdata beschikbaar zijn. In totaal omvat de indicator 457 soorten uit 4 soortgroepen: broedvogels, dagvlinders, reptielen en vaatplanten. Deze soorten zijn opgenomen in het NEM-meetnet (Netwerk Ecologische Monitoring).ReferentieKarakteristiek voor de indicator Trend in natuurkwaliteit is de weergave van de huidige kwaliteit gerelateerd aan een relatief intact ecosysteem, dat wil zeggen dat het ecosysteem niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Voor de invulling van de referentiebeelden hebben SOVON, de Vlinderstichting, RAVON, FLORON en Alterra per stratum de mate van voorkomen van de kenmerkende soorten in de referentiesituatie bepaald.SoortdataJaarlijks komen nieuwe soortdata beschikbaar via de NEM-monitoring. Deze monitoring wordt verzorgd door SOVON (broedvogels), De Vlinderstichting (dagvlinders), RAVON (reptielen) en LMF (flora). Het CBS bewerkt de monitoringsdata voor fauna tot soortindexen per stratum. Wageningen Environmental Research bewerkt de monitoringsdata voor flora tot soortindexen.TrendberekeningBeschikbare populatietrends van soorten geven aan hoe de populatieomvang verandert ten opzichte van de start van de monitoring van die soort. Deze populatietrends kunnen we relateren aan het voorkomen van deze soort in een intact ecosysteem; de dichtheid van voorkomen van een soort in de intacte situatie krijgt de indexwaarde 100, en de indexwaarden tussen 1994 en heden geven aan in welke mate de soort in hogere (waarde > 100) of lagere (waarde 0-100) dichtheid voorkwam ten opzichte van deze intacte situatie. Als soorten in hogere dichtheid voorkomen dan in een intacte situatie wordt de indexwaarde op 100 gemaximaliseerd. Het aandeel boven 100 telt dus ook niet mee om soorten met lagere dichtheid te compenseren. De ecosysteemkwaliteit wordt tenslotte bepaald door rekenkundig middelen van de soortindexen van de soorten binnen het ecosysteem. Hierbij tellen alle kenmerkende soorten even zwaar mee, immers al deze soorten zijn van belang voor het goed functioneren van dit ecosysteem. De kwaliteit voor de gezamenlijke Nederlandse ecosystemen landnatuur wordt bepaald door rekenkundig middelen van de ecosysteemkwaliteit van de vijf ecosystemen. Voor de vijf ecosystemen zijn trendlijnen gefit op basis van 1e (linear), 2de of 3de graads functies. Als uitgangspunt streven we naar een best mogelijke, op basis van verklaarde variantie, en meest eenvoudige fit; i) lineair indien mogelijk, ii) maar rekening houdend met mogelijke veranderingen (stabilisatie, stijging, daling) gedurende de gehele periode (2de graads), en iii) het goed beschrijven van de veranderingen in de meetpunten, met name ook in de laatste jaren (keuze 3de graads in sommige gevallen).Daarbij zijn controles op de bovenstaande procedure uitgevoerd met zowel Genstat (release 18.1) als met Trendspotter. Conclusies over trends blijken robuust. Zo laat de analyse met Genstat zien dat de landelijke trend voor landnatuur over de gehele periode daalde en in de laatste tien jaar stabiel was. Met Trendspotter blijkt dat er een significante afname was tot 2006, Daarna waren er geen significante veranderingen meer. Een fit met een 3e graad polynoom zou datzelfde beeld geven en blijft ook in de laatste jaren dichterbij de meetpunten dan een fit met een 2e graads polynoom. 2. Natuurkwaliteit zoete waterDe gemiddelde trend in de natuurkwaliteit van zoete wateren is beoordeeld op basis van voorkomen waterplanten en macrofauna in de regionale wateren. De trend is gemaakt met alle beschikbare monitoringsgegevens van de waterschappen, Informatiehuis Water en uit de Limnodata. De beoordeling is gedaan met de maatlatten van de KRW waarbij geen rekening is gehouden met waterlichaam specifieke doelen. De maximum kwaliteit is gelijk aan de natuurlijke referentie zoals die in de KRW is vastgesteld. De trendlijn is gemaakt met het programma Trendspotter. De achterliggende indicatoren natuurkwaliteit waterplanten en macrofauna zijn beide opgebouwd uit vier deelindicatoren met de beoordeling in sloten, beken, kanalen en meren. Uit deze vier onderdelen is de landelijke trend gemaakt, waarbij elk type even zwaar meetelt. Bij de verwerking van meetgegevens zijn eerst alle resultaten omgezet naar een grid, voor een evenwichtige verdeling van meetpunten en om een lange termijn te maken. Een uitgebreide toelichting staat in de CLO-indicatoren 'Natuurkwaliteit van macrofauna in oppervlaktewater, 1990 - 2016' en 'Natuurkwaliteit van waterplanten in oppervlaktewater, 1990 - 2016'.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Tweejaarlijks

Achtergrondliteratuur

Bal, D., Beije, H. M., Fellinger, M., Haveman, R., Van Opstal, A. J. F. M., & Van Zadelhoff, F. J. (2001). Handboek natuurdoeltypen; 2e geheel herziene druk. IKC Natuurbeheer.Reijnen, M.J.S.M. ,A. van Hinsberg, M.L.P. van Esbroek, B. de Knegt, R. Pouwels, S. van Tol & J. Wiertz (2010). Natuurwaarde 2.0 land. Graadmeter natuurkwaliteit landecosystemen voor nationale beleidsdoelen. WOt-rapport 110. WOT Natuur & Milieu, WUR, Wageningen

Opmerking

-

Betrouwbaarheidscodering

1. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd. Met Genstat Release 18.1 zijn de trends getoetst op significantie. 2. B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2018). Trends in kwaliteit van natuur, 1990 - 2017 (indicator 2052, versie 07 , 3 september 2018 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.