Aantal woningen op in 2100 verwachte ongunstige locaties door toename neerslag en bodemdaling, 2000-2025
Het aantal woningen dat op ongunstige locaties ligt vanwege waterhuishouding en bodemdaling nam in de periode 2000-2025 toe met ongeveer 34% naar ruim 700.000 woningen.
Ontwikkeling woningbouw op ongunstige locaties vanwege waterhuishouding en bodemdaling
Het oppervlak van gebieden die kwetsbaar zijn door risico’s op wateroverlast en regionale overstroming neemt toe van 470.000 hectare in 2021 en naar 690.000 hectare in 2100.
Op deze ongunstige locaties is de ontwikkeling van het aantal woningen tussen 2000 en 2025 in beeld gebracht. Het aantal woningen op ongunstige locaties vanwege waterhuishouding nam in die periode toe van circa 526.410 woningen naar 704.780 woningen. Het aandeel woningen in deze gebieden ten opzichte van Nederland als geheel nam licht toe; van 7,9% in 2000 naar 8,5% in 2025.
Meer risico op wateroverlast en regionale overstromingen voor woningen door toename neerslag en bodemdaling
Als gevolg van toenemende neerslag en bodemdaling zal het aantal woningen in natte (binnendijkse) gebieden en in de buurt van regionale waterlopen toenemen. Deze gebieden zijn kwetsbaar voor wateroverlast en/of regionale overstroming.
Het aantal woningen dat in 2025 op deze huidige en in 2100 ‘verwachte ongunstige locaties 2100’ staat is geteld door het CBS. Ook heeft het CBS de ontwikkeling van het aantal woningen in ‘natte gebieden 2100’ geteld voor de periode 2000 tot en met 2025.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft aan dat bij ontwikkeling van nieuwe verstedelijkingslocaties ‘ongunstige locaties vanwege waterhuishouding of bodemdaling’ (bijvoorbeeld in diepe polders, veenbodems of op slappe grond) worden vermeden tenzij op die locaties maatregelen worden getroffen om het ongunstige effect te vermijden/verminderen. Dergelijke maatregelen zijn in de indicator niet meegenomen, omdat deze maatregelen locatie-specifiek zijn. De gepresenteerde aantallen woningen betreffen daarom een ‘worst-case’ situatie.
De NOVI bevat, net zoals andere beleidsnota’s, geen beleidskaart waarop deze gebieden staan aangeduid. Om een indicatief beeld te kunnen geven van de aantallen woningen op ongunstige locaties is gebruik gemaakt van een kaart met natte gebieden 2100 uit het rapport 'Op Waterbasis' (Deltares et al. 2021). Deze kaart betreft gebieden met de hoogste grondwaterstand binnen 30 cm onder maaiveld; weinig bergingscapaciteit en grote kans op wateroverlast. In 2021 was dat 470.000 hectare, toenemend tot 530.000 hectare in 2050 en tot 690.000 hectare in 2100 (van circa 13 tot circa 20% van het oppervlak in Nederland). Deze gebieden bestaan vooral uit de veenweidegebieden, enkele van de diepste delen van droogmakerijen, beekdalen en kwelgebieden langs de hogere gronden van onder andere de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug.
Bepaalde gebieden in het regionale watersysteem die gevoelig zijn voor overstroming en relevant zijn uit oogpunt van waterveiligheid maken ook deel uit van de genoemde hectaren (IenW 2022). Dit betreft gebieden in zogenaamde type D1 watersystemen die zijn vastgesteld in het ‘Ontwerp overstromingsrisico-beheerplan Rijn, Maas, Schelde en Eems’. Type D1 komt alleen voor in het Rijnstroomgebied (langs de Linge) en het Maasstroomgebied (langs de Roer, Gulp, Geul en Geleenbeek).
In 2024 hebben IenW en BZK een Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving uitgebracht (IenW en BZK 2024). Omdat deze publicatie geen beleidsstatus heeft en op onderdelen afwijkt van provinciale kaarten, hebben we er nog geen gebruik gemaakt.
Onderschatting van het aantal ongunstige locaties
De hier gepresenteerde ontwikkeling van het aantal woningen op ongunstige locaties is indicatief en een onderschatting van de totale omvang in Nederland. Dit komt doordat we voor de (oude) steden geen bodemdalingsberekeningen hebben, omdat daarvoor de bodemkaart ontbreekt.
Ook panden op de kleigronden kunnen door droogte en lage rivierwaterstanden last hebben van bodemdaling en wateroverlast. Dit is voor het eerst in 2018 naar voren gekomen na een lange droge periode. Vooralsnog ontbreekt de kennis om aan te geven welke woningen hiervoor kwetsbaar zijn in het rivierengebied. Deze gebieden staan niet op de kaart en zijn niet meegenomen bij de berekening van het aantal woningen op ongunstige locaties.
Ontwikkeling per provincie
De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Limburg kennen in absolute zin de meeste woningen in gebieden die ongunstig zijn voor woningen vanwege waterhuishouding en bodemdaling. Deze provincies en Friesland kennen ook het grootste relatieve aandeel woningen in deze gebieden; in 2025 was dit in Noord-Holland 10,8%, Zuid-Holland 13,7%, Limburg 16,2% en in Friesland 10,5%. Het percentage ongunstige locaties is in de provincies Zuid-Holland, Friesland en Utrecht het grootst (bijna 40% van het oppervlak).
Bronnen
- Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) Kadaster
- CBS (2012) Trendbreuk woningvoorraad
- Deltares, Bosch Slabbers en Sweco (2021), Op waterbasis. Grenzen aan de maakbaarheid van ons watersysteem.
- IenW (2020), Nationale Omgevingsvisie. Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
- IenW (2022), Ontwerp overstromingsrisicobeheerplan Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027. Den Haag Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
- PBL (2022), Monitor Nationale Omgevingsvisie 2022. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving.
- IenW en BZK (2024), Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving.
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Woningbouw ontwikkeling op ongunstige locaties voor waterhuishouding of bodemdaling
- Omschrijving
Het aantal nieuwe woningen dat gebouwd is op ongunstige locaties voor waterhuishouding of bodemdaling. Ongunstige locaties zijn beschreven in ‘Op waterbasis’ (Deltares e.a. 2021). Dit is op dit moment de best beschikbare kaart waarop de ontwikkeling woningbouw op ongunstige locaties kunnen worden gevolgd. Deze kaart heeft geen beleidsstatus. Op het moment dat een nationale kaart met beleidsstatus beschikbaar komt, zal deze worden gebruikt.
- Verantwoordelijk instituut
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
- Auteurs: Arno Bouwman en Carine van der Boog.
- Supervisor: Koen Overmars
- Ontwikkelaar: Ron Franken
Coördinator: Jan van Dam
- Berekeningswijze
Met ingang van 2012 stelt het CBS de woningvoorraad vast op basis van gegevens uit de BAG Basisregistratie Adressen en Gebouwen (Kadaster) die de registratie van woningen via het Woningregister van het CBS vervangt. Deze cijfers sluiten niet aan op oude statistieken, er is sprake van een trendbreuk. Per saldo registreert de BAG meer verblijfsobjecten met minimaal een woonfunctie.
De woningen voor de periode 2012-2023 zijn op basis van een recentere BAG opnieuw geteld. Nagekomen woonfunctie-correcties uit de BAG worden iedere cyclus teruggelegd tot 2012, zodat enkel werkelijke veranderingen over de tijd worden gemonitord. De woningtellingen voor de jaren 2012-2023 kunnen daarom iets verschillen met voorgaande gepubliceerde uitkomsten.
Voor het vaststellen van het aantal woningen dat gebouwd is op ongunstige locaties is gebruikt gemaakt van de ‘Nat Nederland 2100’ uit het Deltares rapport ‘Op waterbasis’ (met 690.000 hectare aan gebied kwetsbaar voor waterhuishouding en bodemdaling).
- Basistabel
-
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
2-jaarlijks
- Betrouwbaarheidscodering
Ontwikkelingen op ongunstige locaties door toename neerslag en bodemdaling: telling op basis van Woningregistratie van het CBS. Vanaf 2012 is de bron daarvan gewijzigd waardoor er een trendbreuk optreedt; trendbreuk woningvoorraad.
Informatie over betrouwbaarheid van BAG data is opgenomen in: https://www.kadaster.nl/zakelijk/registraties/basisregistraties/bag/over-bag
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2026). Aantal woningen op in 2100 verwachte ongunstige locaties door toename neerslag en bodemdaling, 2000-2025 (indicator 2212, versie 03, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.