Nitraat in het uitspoelend water onder landbouwbedrijven, 1992-2024

Sinds het begin van de jaren 90 is de gemiddelde nitraatconcentratie in het uitspoelend water op landbouwbedrijven flink afgenomen. Door invloed van droogte is de gemiddelde nitraatconcentratie in de periode 2018-2020 weer gestegen. Na 2020 is het effect van de droogte afgenomen en daalde de nitraatconcentratie weer in alle regio’s. Door de vele neerslag in 2023 en 2024 daalde de nitraatconcentratie verder. Met name in de Zandregio is er sprake van een forse daling.

De gemiddelde nitraatconcentratie daalt verder door natte jaren

Sinds het begin van de jaren 90 is de gemiddelde nitraatconcentratie in het uitspoelend water op landbouwbedrijven flink afgenomen. In de periode 2018-2022 steeg de gemiddelde nitraatconcentratie door invloed van droogte. Door droogte vindt er indikking van het bodemvocht plaats en is er een verminderde opname van nutriënten door gewassen. Daarnaast zijn de droge omstandigheden minder gunstig voor denitrificatie, het proces waarbij nitraat wordt afgebroken in de bodem. Na 2020 is het effect van deze droogte afgenomen. Hierdoor daalde de nitraatconcentraties weer in alle regio’s. Door de zeer natte omstandigheden in 2023 en 2024 zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in alle regio’s verder gedaald. Vooral in de Zandregio is een forse afname zichtbaar. 

De nitraatconcentratie in het uitspoelend water heeft een sterke relatie met de grondsoort en de daaraan gekoppelde waterhuishouding in een gebied. Dat laten de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) zien. In nattere en organisch rijkere gronden, zoals klei- en veengrond, wordt nitraat in grotere mate omgezet in stikstofgas en lachgas (denitrificatie). De hoogste nitraatconcentraties worden dan ook gemeten in de Lössregio en in de Zandregio en de laagste concentraties in de Kleiregio en Veenregio. Hoewel de gemiddelde nitraatconcentratie in de Veenregio veel lager is dan in de andere regio’s, is de totale hoeveelheid stikstof in het uitspoelende water vergelijkbaar met die van de Kleiregio. In de Veenregio is een groot deel van de stikstof namelijk aanwezig in de vorm van ammonium en/of organisch gebonden stikstof. 

Toestand nitraatuitspoeling 2024

Het LMM monitort de effecten van het mestbeleid. Daarvoor wordt de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater gemeten: het uitspoelend water. Dat is het water dat uitspoelt uit de wortelzone. De gemeten nitraatconcentraties in de vier LMM-regio’s zijn vergeleken met de Europese nitraatnorm van 50 mg/l. Deze vergelijking geeft een indicatie van de ontwikkeling van de waterkwaliteit. 

Het percentage bedrijven waar de waterkwaliteit van het uitspoelend water aan de norm voldoet is hieronder weergegeven: 

 20242023
Kleiregio96%83%
Lössregio47%42%
Veenregio100%98%
Zandregio84%53%

In de zandgebieden van Noord-Brabant en Limburg (Zuidelijk Zandgebied) is de gemiddelde nitraatconcentratie hoger dan in de zandgebieden in het noorden en midden van het land. Dat komt onder meer doordat hier meer uitspoelingsgevoelige akkerbouwgewassen worden geteeld. Ook komen hier meer drogere bodems voor, die gevoeliger zijn voor uitspoeling van stikstof.

Einde derogatie 

Sinds 2006 mag een deel van de agrarische bedrijven in Nederland meer stikstof, afkomstig van dierlijke mest, op hun land gebruiken dan de algemene gebruiksnorm die de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Deze bedrijven moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Zo moet bijvoorbeeld 80% van het bedrijfsareaal bestaan uit grasland. Deze verruiming heet derogatie. 

De waterkwaliteit in Nederland is de afgelopen jaren onvoldoende verbeterd volgens de Europese Commissie. Daarom zal de Europese Commissie vanaf 2026 geen derogatie meer verlenen aan Nederland. De derogatie wordt vanaf 2023 afgebouwd. De maximale gift van dierlijke mest op deze bedrijven neemt stapsgewijs af van 250 naar 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.

Er is geen derogatie meer mogelijk voor percelen in Natura 2000-gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en derogatievrije zones. Met een derogatievergunning mag er in 2025 maximaal 200 kg stikstof per hectare uit dierlijke mest op de landbouwgrond worden gebruikt (RVO, 2025). Daarnaast is er een lagere gebruiksnorm van 190 kg/ha voor de met nutriënten verontreinigde gebieden. Na 2025 wordt geen derogatie meer verleend.

Effecten van nitraat in uitspoelingswater

De landbouwsector gebruikt meststoffen die stikstof en/of fosfor bevatten. Nitraat is één van de vormen waarin stikstof voorkomt in de bodem. Voor planten is nitraat een belangrijke voedingsstof om te kunnen groeien. 

Nitraat dat niet door planten wordt opgenomen, wordt door bacteriën in de bodem afgebroken, spoelt uit naar het grondwater of belandt rechtstreeks in het oppervlaktewater. Dat kan verschillende problemen opleveren. Grondwater kan door te veel nitraat onbruikbaar worden als bron voor drinkwater. Ook kan er door een overvloed aan voedingstoffen in het oppervlaktewater eutrofiëring plaatsvinden. Eutrofiëring kan leiden tot sterke algengroei en een tekort aan zuurstof in het water. Daardoor neemt de biodiversiteit af. Ook blauwalgen die de zwemwaterkwaliteit bedreigen zijn een gevolg van teveel voedingstoffen in het water. 

Volgens de Europese Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG) mag water voor menselijke consumptie niet meer dan 50 mg nitraat per liter bevatten. De Nitraatrichtlijn is sinds 1991 van kracht en heeft als doel de drinkwaterwinningen te beschermen en eutrofiëring van het watermilieu te voorkomen. De nitraatnorm komt voort uit de Drinkwaterrichtlijn (Richtlijn (EU) 2020/2184).

De Europese Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG) stelt ecologische en chemische doelen voor het grond- en oppervlaktewater. Ook voor het behalen van deze doelen mogen de nutriëntenconcentraties in het water niet te hoog zijn. Voor de ecologie zijn, afhankelijk van het watertype, de benodigde stikstof doelen een factor 3 tot 4 lager dan het doel van 50 mg/l uit de Nitraatrichtlijn.

Vergelijking met indicator ‘Nitraat in grondwater’

Het verschil tussen de indicator ‘Nitraat in het uitspoelend water onder landbouwbedrijven’ en de indicator ‘Nitraat in grondwater onder landbouwgrond’ is de diepte waarop gemeten wordt. Bij de eerstgenoemde indicator gaat het om het uitspoelingswater, dat wil zeggen het water dat uitspoelt uit de wortelzone. Hiermee kan de meest directe invloed van de landbouw op de kwaliteit van het grondwater worden waargenomen. De indicator ‘Nitraat in grondwater onder landbouwgrond’ gaat over het grondwater op 5 tot 30 meter diepte. In dit diepere grondwater duurt het veel langer voordat de gevolgen van veranderingen in mestgebruik te zien zijn. 

Bronnen

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Nitraat in het uitspoelend water onder landbouwbedrijven, 1992-2024

Omschrijving

Resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 
Wageningen Social & Economic Research (WSER)

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Berekeningswijze

Gemeten concentraties nitraat in bovenste meter grondwater, bodemvocht of drainwater gemiddeld op bedrijfsniveau en per meetperiode indien meerdere rondes worden uitgevoerd in een seizoen. 

Basistabel

Gemiddelde van circa 430 reguliere LMM-bedrijven verdeeld over de hoofdgrondsoortregio's.
Tot 2006 bestond het Basismeetnet LMM uit steeds wisselende meetlocaties. In de Zandregio werd ieder bedrijf bijvoorbeeld in een periode van zeven jaar driemaal bemonsterd. Daartoe werden jaarlijks nieuwe landbouwbedrijven opgenomen in het meetnet, terwijl andere bedrijven weer afvielen. Door bepalingen van de EU worden sinds 2006 jaarlijks steeds dezelfde bedrijven bemonsterd en vindt er alleen wisseling plaats als bedrijven niet meer deel willen nemen. Het aantal deelnemende landbouwbedrijven aan het LMM is van circa 100 in 1991 gegroeid tot meer dan 500 in 2007. Het aantal deelnemers is in 2009 en 2010 gedaald tot ca 450. Momenteel schommelt dit rond de 400.

Geografische verdeling

Zie Landelijk meetnet effecten Mestbeleid

 

Andere variabelen

Nutriënten, zware metalen, opgelost organisch koolstof, zuurgraad en EC (zie Landelijk meetnet effecten Mestbeleid)

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks.

Achtergrondliteratuur

Zie informatie Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

Buijs, S., van, B., Vrijhoef, A., Wismans, H., Doornewaard, G., & Daatselaar, C. (2025). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2023. Bilthoven: RIVM.

Claessens, J. et al (2024). Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2020-2023) en trend (1992-2023). Bilthoven: RIVM.

Opmerking
  • In de Lössregio worden de metingen later uitgevoerd dan in de andere regio’s. Daarom zijn de meest recente gegevens voor deze regio van een eerder jaar.
  • De meetdata voor uitspoelend water is afkomstig uit variabele handmatige bemonstering van de bovenste meter van het grondwater, drainage of bodemvocht. De Indicator 'Nitraat in grondwater onder landbouwgrond' (www.clo.nl/nl0274) toont daarentegen data van metingen uit vaste peilbuizen, die op grotere diepte de concentraties weergeven, en door de langere reistijd van het grondwater, vertraagd de trends van ondieper water volgen.
Betrouwbaarheidscodering

C. Areaal gewogen gemiddelde, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd

Referentie van deze webpagina

CLO (2025). Nitraat in het uitspoelend water onder landbouwbedrijven, 1992-2024 (indicator 0271, versie 16, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.