Compendium voor de Leefomgeving
470 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Verzuring en vermesting

Gebruik stikstof en fosfaat uit dierlijke mest en benutting van de plaatsingsruimte, 2000-2017

Van de plaatsingsruimte voor fosfaat is in 2017 landelijk 90 procent benut; voor stikstof is de benuttingsgraad 95 procent. Het bemestingsniveau voor stikstof uit dierlijke mest ligt in 2017 in vier van de veertien gebieden boven de berekende plaatsingsruimte volgens de gebruiksnorm. Voor fosfaat is dit het geval in twee van de veertien gebieden.

Gebruik van stikstof uit dierlijke mest

In 2017 is er per hectare landbouwgrond gemiddeld 205 kg stikstof uit dierlijke mest gebruikt. De gemiddelde stikstofbemesting overschreed in vier van de veertien landbouwgebiedsgroepen de berekende plaatsingsruimte voor dierlijke mest volgens de gebruiksnormen voor stikstof.
Op grond van de Nitraatrichtlijn mag 170 kg stikstof uit dierlijke mest worden gebruikt per hectare. De Europese Commissie staat Nederland verruiming van deze norm toe (derogatie) tot een bemestingsniveau van 250 kg stikstof per hectare. De hogere bemestingsnorm geldt alleen bij het gebruik van graasdiermest. Daarnaast moet het bedrijfsareaal tot en met 2013 voor minstens 70 procent en vanaf 2014 voor minstens 80 procent bestaat uit grasland. De derogatie voor zand- en lösspercelen in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg is vanaf 2014 beperkt tot 230 kg N per hectare.

Gebruiksnormen en plaatsingsruimte voor stikstof

Vanaf 2006 gelden er voor stikstof uit dierlijke mest afzonderlijke gebruiksnormen in kg stikstof per hectare landbouwgrond op basis van de Nitraatrichtlijn. De gebruiksnorm vermenigvuldigd met het areaal geeft de plaatsingsruimte voor dierlijke mest. De landelijke benutting van de plaatsingsruimte bedraagt vanaf dat jaar ongeveer 90 à 95 procent. In 2017 is de benuttingsgraad 95 procent.

Gebruik van fosfaat uit dierlijke mest

In 2017 is per hectare landbouwgrond gemiddeld 68 kg fosfaat uit dierlijke mest gebruikt. De gemiddelde fosfaatbemesting was in twee van de veertien landbouwgebiedsgroepen hoger dan de berekende plaatsingsruimte volgens de gebruiksnormen voor fosfaat. Bij de overschrijding van de gebruiksnorm spelen de volgende factoren een rol:

  • Vanaf 2015 worden de gegevens over de stallocaties gebruikt om de mestproductie aan de juiste regio toe te rekenen maar tot en met 2014 werd de mestproductie toegerekend aan de regio met de hoofdvestiging van het bedrijf.
  • Bij de afvoer van nutriënten via vaste mest en via fracties van gescheiden mest wordt afgeweken van de geregistreerde transportgegevens waardoor er veel minder fosfaat en stikstof worden afgevoerd. Dit verklaart voor een groot deel de relatief forse overschrijdingen van de plaatsingsruimte in sommige regio's. Bij de wettelijk toegestane bemesting gaan boeren wel uit van de geregistreerde afvoer.
  • Onzekerheden in het niveau van de fosfaatproductie, bijvoorbeeld door overschatting van het aantal dieren, de fosfaatproductie per dier of de mestafvoer leiden tot een grote onzekerheid in het gebruik van dierlijke mest in vee-intensieve regio's.
  • Bedrijven houden rekening met coulance bij de handhaving en voeren te weinig mest af.

Gebruiksnormen en plaatsingsruimte voor fosfaat

Van de wettelijke plaatsingsruimte voor fosfaat is tussen 1998 en 2009 landelijk ongeveer 80 procent benut met fosfaat uit dierlijke mest. In de jaren daarna nam de benutting toe tot 90 procent in 2017. Regionaal zijn er grote verschillen binnen Nederland maar de onzekerheden in de mate van benutting nemen ook toe met name voor vee-intensieve regio's. Om binnen de wettelijke plaatsingsruimte te blijven, voeren veel boeren een deel van hun fosfaatproductie af naar andere landbouwbedrijven of naar het buitenland. In 2017 is 50 procent van de fosfaatproductie afgevoerd.
De gebruiksnormen voor fosfaat zijn geleidelijk aangescherpt en sinds 2010 gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. Bij fosfaat heeft de jaarlijkse aanscherping van de normen geleid tot een verkleining van de plaatsingsruimte. Dit betekent dat er bij een gelijkblijvende fosfaatproductie meer mest moet worden afgevoerd naar regio's waar nog plaatsingsruimte is en er meer mest moet worden verwerkt.

Berekening gebruik stikstof en fosfaat in dierlijke mest

Het gebruik van stikstof en fosfaat is de hoeveelheid in geproduceerde mest plus de hoeveelheid in aangevoerde mest, verminderd met de hoeveelheid in afgevoerde mest.
De stikstof in geproduceerde mest is berekend door de uitscheiding van stikstof te verminderen met de gasvormige verliezen die optreden in stallen en mestopslagen, zoals emissies van ammoniak en de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. Bij de berekening van de gasvormige verliezen in deze indicator zijn emissiefactoren toegepast uit het rekenmodel NEMA, maar in de mestwetgeving wordt gerekend met forfaitaire waarden.
De aan- en afvoer van mest is in principe gebaseerd op geregistreerde mesttransporten. Voor vaste mest en voor de fracties van gescheiden mest geldt echter een uitzondering. Bij deze mestsoorten is vastgesteld dat de geregistreerde afvoer van stikstof en fosfaat de werkelijke afvoer overschat. Daarom wordt bij deze mestsoorten een lager stikstof- en fosfaatgehalte toegepast waardoor de berekende afvoer flink lager uitvalt dan de geregistreerde afvoer. Dit verklaart voor een groot deel de relatief forse overschrijdingen van de plaatsingsruimte in sommige regio's. De stikstof in transporten van dunne mest is berekend op basis van de hoeveelheid fosfaat in de mesttransporten en de verhouding tussen stikstof en fosfaat in opgeslagen mest.

Referenties

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Gebruik stikstof en fosfaat uit dierlijke mest en benutting van de plaatsingsruimte

Omschrijving

De indicator geeft per landbouwgebiedsgroep een vergelijking van de bemestingsniveaus voor stikstof en fosfaat uit dierlijke mest met de plaatsingsruimte volgens de gebruiksnormen. De benuttingsgraad van de plaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat uit dierlijke mest per landbouwgebiedsgroep in de jaren 2000 tot en met 2017.
Het artikel Transport en gebruik van mest en mineralen (CBS, 2016) geeft een korte methodebeschrijving van het onderzoek. De plaatsingsruimte wordt berekend als de som van het toegestane mineralenoverschot op een bedrijf (toegestane verlies) en de afvoer met het gewas. De stikstof die vervluchtigt tijdens de toepassing van de mest wordt in de berekening meegeteld, in tegenstelling tot de stikstof die vervluchtigt in de stal en tijdens opslag.

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Het artikel Transport en gebruik van mest en mineralen (CBS, 2016) geeft een korte methodebeschrijving van het onderzoek.

Basistabel

StatLine: Dierlijke mest en mineralen: productie, transport en gebruik per regio (CBS, 2019)

Geografisch verdeling

Er zijn diverse regionale indelingen: totaal Nederland, landsdelen, provincies, COROP-gebieden, landbouwgebiedsgroepen en groepen van landbouwgebieden, concentratiegebieden, stroomgebieddistrict gebieden, en gemeenten.

Andere variabelen

Transport van dunne en vaste mest per diercategorie, transport van stikstof, fosfaat en kalium in dierlijke mest, oppervlakte bemestbare landbouwgrond, plaatsingsruimte, resterende plaatsingsruimte, benuttingsgraad, gebruik mest en mineralen, mesttransport van en naar landbouwbedrijven, mest- en mineralenproductie.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Transport en gebruik van mest en mineralen (CBS, 2016)

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Gebruik stikstof en fosfaat uit dierlijke mest en benutting van de plaatsingsruimte, 2000-2017 (indicator 0091, versie 20 , 23 april 2019 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.