Compendium voor de Leefomgeving
482 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieubeleid en milieumaatregelen

Toelichting klimaatbeleid

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

In het Kyoto-protocol en het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties zijn afspraken gemaakt om emissies van broeikasgassen terug te dringen. Het uiteindelijke doel is om de concentraties van deze stoffen in de atmosfeer te stabiliseren. Hiermee wil men de menselijke beïnvloeding van het klimaat beperken.

Klimaatverdrag en Kyoto-protocol

Het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 heeft als doel om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij een gevaarlijke menselijke beïnvloeding van het klimaat wordt vermeden. Dit betekent dat op termijn (in 2100) de mondiale emissies van broeikasgassen met circa 40-50% moeten dalen ten opzichte van 1990.

In 1997 is het Klimaatverdrag uitgebreid met het Kyoto-protocol. In het Kyoto-protocol zijn afspraken gemaakt over de reductie van de emissies van broeikasgassen. Het doel is het bereiken van een gemiddelde emissiereductie van broeikasgassen van de geïndustrialiseerde landen met 5,2% over de periode 2008-2012 ten opzicht van 1990. Dit is inclusief de landen in Oost-Europa en Rusland. De reductiedoelstelling is voor de voormalige EU-15-landen als geheel 8% en voor Nederland 6%. De 10 nieuwe lidstaten hebben reductiedoelstellingen van 0, 6 of 8%. Het Kyoto-protocol kan worden gezien als een eerste bescheiden stap om stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen te bereiken.

Het Kyoto-protocol is op 16 februari 2005 van kracht geworden. Voorwaarde hiervoor was dat tenminste 55 landen het hadden geratificeerd en de emissie van koolstofdioxide van de ratificerende industrielanden in 1990 tenminste 55% was van de totale koolstofdioxide-emissie van alle industrielanden (de zogenoemde Annex-I landen). Op 5 oktober 2004 was dat percentage 44,2%. Rusland heeft het verdrag op 5 november 2004 geratificeerd; daarmee kwam het percentage op 61,6% uit en kon het protocol in werking treden. Het aantal landen dat had geratificeerd, bedroeg op 16 september 2005 156.

Doelstelling Kyoto-protocol voor Nederland

De voormalige EU-15-landen als geheel hebben zich met ratificatie van het Kyoto-protocol ten doel gesteld om in de periode 2008-2012, de zogenaamde eerste budgetperiode, 8% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Voor Nederland bedraagt de reductieverplichting in de eerste budgetperiode 6%. Dit betekent dit voor Nederland een gemiddelde jaarlijkse uitstoot van 201 miljard kg CO2-equivalenten in de periode 2008-2012.

De doelstelling heeft betrekking op alle broeikasgassen. Bij de maatregelen om de doelstelling te bereiken kan een land zelf kiezen voor welke stof(fen) maatregelen worden genomen.

Als Nederland vanaf 1990 geen klimaatbeleid had gevoerd zou in 2010 de uitstoot van broeikasgassen uitkomen op 239 miljard kg (uitgaande van relatief hoge economische groei). Dat is dus 40 miljard kg meer dan toegestaan. Van deze noodzakelijk emissiereductie van 40 miljard kg wil Nederland de helft in het binnenland realiseren, de andere helft in het buitenland. De uitstoot van broeikasgassen hangt sterk samen met de economische ontwikkeling. Als de economische groei lager uitvalt, is de benodigde reductie ook lager.

Reductie binnenland

Het binnenlandse doel voor de uitstoot van broeikasgassen komt op een jaarlijks gemiddelde van 219 miljard kg CO2-equivalenten tussen 2008 en 2012. De overheid heeft een pakket aan maatregelen samengesteld om dit doel te halen, zoals stimulering van energiebesparing, het meergebruik van hernieuwbare energie en meerjarenafspraken met de industrie. Dit pakket van maatregelen is vastgelegd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid.

Mede door deze maatregelen zijn de Nederlandse emissies van broeikasgassen anders dan koolstofdoxide de laatste jaren gedaald, terwijl die van koolstofdioxide met gemiddeld 1% per jaar zijn gestegen. Netto is de Nederlandse emissie daardoor vrijwel gestabiliseerd.

Reductie buitenland

Voor de 20 miljard kg reductie per jaar die Nederland in het buitenland wil halen worden zogenaamde Kyoto-mechanismen ingezet. Met deze mechanismen kan Nederland 'credits' kopen van andere landen. Een credit komt overeen met 1 ton reductie in broeikasgasemissie. Nederland moet dus 20 miljoen credits per jaar kopen, welke naar verwachting € 4-5 per stuk zullen kosten. Voor de periode 2008 tot 2012 moet in totaal 100 miljard kg CO2-equivalten reductie ingekocht worden in het buitenland. Dat kost de overheid dus waarschijnlijk in totaal € 400-500 miljoen.

Er zijn twee soorten 'credits': credits die zijn verdiend met Joint Implementation en credits die zijn verdiend met het Clean Development Mechanism. Joint Implementation is alleen mogelijk tussen geïndustrialiseerde landen onderling. Bij het Clean Development Mechanism gaat het om afspraken tussen geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden.

Joint Implementation

Credits die zijn verdiend met Joint Implementation, worden emission reduction units (ERU's) genoemd. In de praktijk kan een onderneming ERU's verdienen door reducties te behalen in Centraal- en Oost-Europese landen. Een voorbeeld: een onderneming bouwt een windmolenpark in Roemenië in plaats van een kolencentrale. De emissies van de kolencentrale zijn vermeden zijn; deze onderneming verdient dan ERU's. Deze ERU's kan de onderneming dan weer aan de overheid verkopen, bijvoorbeeld aan Nederland.

Clean Development Mechanism

Credits die zijn verdiend met het Clean Development Mechanism, worden CER's genoemd (Certified Emission Reductions). Een bedrijf kan CER's op dezelfde manier verdienen als ERU's, met het verschil dat bedrijven CER's kunnen verdienen door het opzetten van emissiereducerende projecten in ontwikkelingslanden. Een voorbeeld: een onderneming bouwt een energiecentrale in Indonesië die werkt op geothermische warmte, in plaats van een kolencentrale.

Emissiehandel

Het kan natuurlijk zo zijn dat Nederland in de budgetperiode te veel of te weinig ERU's en CER's heeft ingekocht of dat het binnenlandse doel ruimschoots of juist niet is gehaald. In dat geval mogen landen onderhandelen om de tekorten en overschotten te vereffenen, dit gebeurt via de zogenaamde emissiehandel. In juli 2003 is door het Europese Parlement een richtlijn aangenomen die de emissiehandel voor koolstofdioxide regelt binnen de EU. Hierin is geregeld dat in 2005 in alle EU landen een systeem voor emissiehandel van koolstofdioxide wordt opgezet. Deze emissiehandel is inmiddels in bedrijf. De prijs van een op de 'spotmarket' schommelt momenteel (oktober 2005) tussen de € 20 en 25 per ton koolstofdioxide.

Rapportages over het broeikaseffect

Het Intergovernementele Panel voor Klimaatverandering (IPCC) beschrijft om de paar jaar de wetenschappelijke kennis van het versterkt broeikaseffect, de mogelijke effecten en de beleidsopties (o.m. IPCC 2001).

Toelichting berekening doelstelling voor Nederland

Emissiereducties worden vastgesteld ten opzichte van emissies in een referentiejaar. 1990 het referentiejaar voor emissies van alle broeikasgassen in Nederland, met uitzondering van de fluorhoudende gassen (HFK, PFK, SF6). Voor deze stoffen is 1995 het referentiejaar.

Toelichting optellen van de emissies van broeikasgassen

Alle bovengenoemde getallen hebben, tenzij expliciet anders aangegeven, betrekking op de som van alle broeikasgasemissies, dus niet alleen op emissie van koolstofdioxide. De emissies van broeikasgassen worden niet zonder meer opgeteld. Bij de optelling wordt rekening gehouden met de verschillen in broeikaswerking van de verschillende stoffen. Deze broeikaswerking wordt uitgedrukt in Global Warming Potential (GWP) factoren. Met deze factoren kunnen dus de emissies van broeikasgassen anders dan van koolstofdioxide in CO2-equivalenten worden uitgedrukt.

De GWP-factor voor koolstofdioxide is gelijkgesteld aan 1. De broeikaswerking van andere stoffen wordt hieraan gerelateerd. Hoewel de uitstoot van bijvoorbeeld een fluorhoudend gas in kilogrammen vrij gering kan zijn, kan zo'n fluorhoudend gas door een hoge GWP-factor toch een aanzienlijke bijdrage leveren aan het broeikaseffect.

   
Stof GWP factor
Koolstofdioxide (CO2) 1
Methaan (CH4) 21
Lachgas (N2O) 310
   
Belangrijkste fluorhoudende stoffen  
HFK-23 11.700
HFK-32 650
HFK125 2.800
HFK134a 1.300
HFK143a 3.800
HFK152a 140
PFK14 (CF4, tetrafluormethaan) 6.500
PFK116 (C2F6, hexafluorethaan) 9.200
SF6 (zwavelhexafluoride) 23.900
   


Het optellen van de verschillende emissies van broeikasgassen is door het IPCC vastgelegd in een protocol. Beleidsmakers over de hele wereld maken gebruik van dit protocol. Dit protocol gaat uit van GWP-factoren die zijn gebaseerd op het effect van de broeikasgassen over een periode van 100 jaar.

Toelichting berekening CO2-emissie voor toetsing Kyoto-protocol

Er zijn verschillende methoden om de CO2-emissie te berekenen. De deelnemers aan het Kyoto-protocol hebben afgesproken om de CO2-emissie te berekenen conform de IPPC-methode.

Referenties

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2006). Toelichting klimaatbeleid (indicator 0164, versie 05 , 16 maart 2006 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.