Compendium voor de Leefomgeving
492 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Milieubeleid en milieumaatregelen

Vermesting en verzuring: beleid

Vermesting en verzuring van het milieu kan zowel voor de natuur als voor de menselijke gezondheid schadelijk zijn. Om deze effecten te voorkomen richt het Nederlandse milieubeleid zich op vermindering van de emissie van vermestende en verzurende stoffen in Nederland en de omringende landen.

Internationale afspraken verzurende emissies

De stoffen stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) dragen bij aan de vermesting. Dezelfde stoffen plus zwaveldioxide (SO2) dragen bij aan de verzuring Voor deze (en andere) stoffen zijn daarom in het verleden emissiedoelstellingen geformuleerd in het kader van de Europese NEC-richtlijn en in het Gotenborg protocol onder de VN-conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Nederland heeft veel baat bij de hierbij gemaakte afspraken, omdat door het grensoverschrijdend transport van veel stoffen de luchtkwaliteitsdoelstellingen in Nederland alleen efficiënt te bereiken zijn door internationale afspraken over emissiereducties.
 
Als vervolg hierop heeft de Europese Commissie in 2005 de 'Thematische strategie voor luchtverontreiniging' gelanceerd. Hierbij worden zowel luchtkwaliteitsdoelstellingen als bronbeleid en emissieplafonds als instrumenten ingezet. Het programma beoogt op deze wijze de effectiviteit van beleid te vergroten en de kosten van de bestrijding van luchtverontreiniging te verlagen. Een belangrijk instrument hierbij is de hiervoor genoemde NEC-richtlijn.
 
De huidige NEC-richtlijn zal in 2013 worden herzien. Vooruitlopend daarop zijn in mei 2012 in het kader van de VN nieuwe afspraken over een herziening van het Gotenburg Protocol gemaakt. Hierbij zijn nieuwe emissiedoelen voor de verzurende stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak (en tevens voor vluchtige organische stoffen en de fijnere fractie van fijn stof) voor 2020 (en daarna) afgesproken.
 
De nieuwe doelen voor 2020 zijn vastgelegd als een reductieverplichting in 2020 ten opzichte van de emissie in 2005. Dit betekent een verschil met de huidige doelen voor 2010 die waren geformuleerd als een absoluut emissieplafond. Relatieve doelen bieden meer flexibiliteit voor landen, omdat wijzigingen in emissiecijfers (vaak) doorwerken in zowel het basisjaar als het zichtjaar (zie de tabel voor een overzicht).
 
De nieuwe doelen voor Nederland voor 2020 zijn, voor zover het gaat om het wegverkeer, gebaseerd op de in Nederland verkochte brandstof, de zogeheten Fuel Sold benadering. De doelen voor 2010 gingen uit van de verbruikte brandstof op Nederlands grondgebied, de Fuel Used benadering (EU, 2012).
 
De verplichtingen zijn van kracht zodra het herziene protocol door de VN formeel is gepubliceerd. De Europese Unie zal de afspraken vastleggen in de bestaande EU-regelgeving in de vorm van een nieuwe NEC-richtlijn. In dit proces kan de Commissie bezien of niet tegelijkertijd ook nog strengere verplichtingen voor 2025 of 2030 kunnen worden vastgelegd.
 

Stof Emissie-
plafond
2010 1)
Emissie-
plafond
2005 2)
Reductie-
verplichting voor 2020 ten opzichte van 2005
Emissie-
plafond
2020 3)
  kton kton % kton
         
Zwaveldioxide (SO2) 50 65 28 46.4
Stikstofoxiden (NOx) 260 368 45 203,52
Ammoniak (NH3) 128 141 13 122,23
         


1) Op basis van Fuel Used.
2) Op basis van Fuel Sold.
3) De reductieverplichting berekend uit het emissieniveau van 2005.

Uitvoeringsnotitie verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003

In de Uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 'Erop of eronder' uit 2003 is aangegeven hoe het kabinet destijds beoogde om aan de emissieplafonds voor 2010 te voldoen. In 'Erop of eronder' heeft Nederland de nationale emissieplafonds per stof toebedeeld aan de verschillende sectoren (de zogeheten sectorplafonds).
 
Sinds 'Erop of eronder' zijn technische maatregelen ontwikkeld en vastgesteld. Het gaat hierbij om extra maatregelen om emissies te verminderen: 1) van zwaveldioxide bij de raffinaderijen, in de energiesector en bij de industrie middels afspraken en convenanten; 2), van stikstofoxiden in de grote industrie, waaronder de NOx-emissiehandel, subsidieregelingen voor schone auto's en binnenvaartschepen en verhoging van de dieselaccijns; 3) van vluchtige organische stoffen middels het NMVOS-reductieplan; en 4) van ammoniak in de landbouw, onder andere door emissiearm bemesten en door subsidies voor (gecombineerde) luchtwassers te verstrekken.

De NEC-plafonds

Met het vastgestelde beleid is de emissie van zwaveldioxide in 2010 op 34 kiloton uitgekomen, waarmee ruimschoots aan de verplichting is voldaan (50 kiloton; zie tabel). De emissie van vluchtige organische verbindingen in 2010 is 145 kiloton. De emissies in 2010 is daarmee 40 kiloton onder het plafond (185 kiloton). Voor ammoniak is de emissie in 2010 uitgekomen op 122 kiloton, 6 kiloton onder het plafond. Voor stikstofoxiden zijn de emissies uitgekomen op 274 kiloton in 2010 en is het plafond in dat jaar dus met 14 kiloton overschreden. In 2011 was de emissie van stikstofoxiden met 259 kiloton net onder het plafond.
 
De genomen maatregelen hebben tevens een gunstig effect op de luchtkwaliteit en zijn daarmee tevens van belang om te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Het blijven voldoen aan de NEC-plafonds vanaf 2010 is een van de uitgangspunten van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In dit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit zijn plannen geformuleerd om de problemen met de luchtkwaliteit het hoofd te bieden. Het bevat maatregelen die in hoofdzaak gericht zijn op het terugdringen van de emissies van verkeer maar ook van die van de sectoren landbouw en industrie.
 
Het Nederlandse beleid richt zich op de NEC-plafonds waarmee impliciet ook bepaalde depositieniveaus worden gerealiseerd. Daarnaast wordt specifiek beleid ontwikkeld voor duurzame instandhouding van Natura2000-gebieden in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma is opgezet om de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden te laten afnemen. De PAS beoogt bovendien om duurzame economische ontwikkeling samen te laten gaan met de realisatie van de natuurdoelen voor Natura2000.
 
Op dit moment is een Voorlopig Programma van de PAS gereed. Dit voorlopige programma geeft inzicht in de omvang van de stikstofproblematiek en in kaders over hoe de ontwikkelruimte zou kunnen worden gebruikt. Het programma geeft ook, in combinatie met herstelstrategieën, richting aan het opstellen van beheerplannen die gemaakt moeten worden voor de Natura2000-gebieden. De beheerplannen moeten ertoe dienen dat de natuurkwaliteit niet verder achteruitgaat en dat habitats in een goede staat van instandhouding gebracht worden

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Verzuring en luchtverontreiniging: oorzaken en effecten

Omschrijving

Toelichting over het beleid voor verzurende stoffen

Verantwoordelijk instituut

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Berekeningswijze

Niet van toepassing

Basistabel

Niet van toepassing

Geografisch verdeling

Niet van toepassing

Andere variabelen

Niet van toepassing

Verschijningsfrequentie

Onregelmatig

Achtergrondliteratuur

Zie bij Literatuur

Opmerking

Geen

Betrouwbaarheidscodering

Niet van toepassing

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2013). Vermesting en verzuring: beleid (indicator 0182, versie 08 , 9 juli 2013 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.