Compendium voor de Leefomgeving
462 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Lokale leefomgeving

Ioniserende straling: bronnen, effecten en beleid

U bekijkt op dit moment een archiefversie van een afgesloten indicator. De actuele indicatorversie met de reden voor het afsluiten, kunt u via deze link bekijken.

Ioniserende straling is de verzamelnaam voor straling met hoge energie. Deze straling wordt uitgezonden door radioactieve stoffen en kan kunstmatig worden geproduceerd met bijvoorbeeld een röntgenapparaat. Door de hoge energie kan ioniserende straling materie 'ioniseren': er wordt een elektron uit een atoom vrijgemaakt. Als dat gebeurt in levend weefsel kan het weefsel beschadigen.

Bronnen van ioniserende straling

Ioniserende straling is van nature aanwezig, maar kan ook afkomstig zijn van kunstmatige bronnen. Straling afkomstig van natuurlijke bronnen noemen we achtergrondstraling. Voorbeelden zijn straling afkomstig van radon in de grond en kosmische straling uit het heelal.Door technologische ontwikkelingen in de afgelopen 100 jaar is het aantal kunstmatige bronnen van ioniserende straling toegenomen. Voorbeelden zijn het gebruik van röntgenstraling in de medische diagnostiek en therapie, kerncentrales en radioactieve stoffen in gebruiksartikelen zoals rookmelders. Ook bepaalde bouwmaterialen en het reizen per vliegtuig kunnen tot extra blootstelling aan ioniserende straling leiden.

Stralingsbelasting in Nederland

De jaarlijkse stralingsdosis per hoofd van de Nederlandse bevolking bedroeg in 2000 circa 2,5 millisievert. 25% hiervan is een gevolg van blootstelling door kunstmatige bronnen. De overige 75% is van natuurlijke oorsprong. Deze bijdrage is overigens wel voor een belangrijk deel door menselijk handelen beïnvloed. Van de kunstmatige bronnen is de medische diagnostiek dominant en verantwoordelijk voor 24% van de totale jaarlijkse stralingsdosis. Dit zal voor het jaar 2003 niet veel afwijken.

Effecten op de mens

Ioniserende straling kan weefsel en DNA beschadigen. Daardoor neemt bij verhoogde blootstelling de kans op gezondheidsschade, zoals het ontstaan van kanker, toe. Het uiteindelijk risico wordt bepaald door:

  • de wijze van blootstelling zoals de nabijheid van de bron, inwendige of uitwendige blootstelling, het aantal keer en de duur;
  • de eigenschappen van de stralingsbron zoals hoeveelheid en soort straling die wordt uitgezonden;

De jaardosis van 2,5 millisievert leidt op het geheel van de Nederlandse bevolking per jaar tot circa 2000 sterfgevallen door kanker. De aanname hierbij is dat een sievert een sterfterisico van circa 5% oplevert (ICRP, 1991).

Beleid voor ioniserende straling

In Nederland richt het milieubeleid met betrekking tot straling zich zowel op kunstmatige bronnen als op natuurlijke bronnen die door menselijk handelen kunnen worden beïnvloed (Besluit stralingsbescherming, 2001).

Limietenwaarden

De wet kent limieten voor het toepassen of lozen van radioactieve stoffen en voor de blootstelling van personen. De maximaal toegestane effectieve dosis voor een lid van de bevolking bedraagt op jaarbasis 0,1 millisievert per stralingsbron en 1 millisievert voor alle bronnen tezamen (Besluit stralingsbescherming (2001)). Deze limieten zijn niet van toepassing op blootstelling door medische diagnostiek en therapie en voor straling die van nature in de leefomgeving aanwezig is.

Stralingsprestatienorm voor radon

Een belangrijke bijdrage aan de blootstelling van de bevolking wordt geleverd door radongas. Radon ontstaat uit radium dat van nature in de bodem aanwezig is. Radongas kan via de kruipruimte en vanuit bouwmaterialen in de woning terecht komen waardoor de bewoners aan ioniserende straling kunnen worden blootgesteld. De constructie, de gebruikte bouwmaterialen en de ventilatie beïnvloeden de radonconcentratie. In Nederland is voor de blootstelling aan radon apart beleid in ontwikkeling, dat voor nieuwbouwwoningen een maximum toelaatbaar niveau voor de stralingsdosis afkomstig van radon en afkomstig van bouwmaterialen vastlegt, de zogenaamde stralingsprestatienorm (SPN).

Uitleg begrippen

Voor inzicht in de gezondheidseffecten van ioniserende straling zijn de volgende begrippen van belang.

  • Radioactieve stoffen
    Radioactieve stoffen zijn opgebouwd uit atoomkernen die instabiel zijn. Daarom gaan deze kernen, zogenaamde radionucliden, spontaan over in andere kernen; ze vervallen. De straling die deze radionucliden tijdens dit vervalproces uitzenden noemen we ioniserende straling.
  • Radioactiviteit
    De hoeveelheid radioactiviteit wordt uitgedrukt in becquerel (Bq). Daarbij komt 1 Bq overeen met 1 vervallende atoomkern per seconde. De radioactiviteit van een stof hangt af van de hoeveelheid radionucliden en de halveringstijd (vervalsnelheid) van die radionucliden.
  • Halveringstijd
    De halveringstijd is de tijd die het kost totdat de helft van de oorspronkelijk aanwezige radioactieve atoomkernen is vervallen. Halveringstijden lopen uiteen van fracties van seconden tot miljarden jaren.
  • Ioniserende straling
    Ioniserende straling ontstaat tijdens radioactief verval. Ioniserende straling kan atomen ioniseren. Men onderscheidt de volgende soorten: alfa-, beta- en gamma- en röntgenstraling.
  • Stralingsdosis
    De dosis ioniserende straling die organen absorberen wordt uitgedrukt in sievert (Sv). Deze stralingsdosis is een maat voor de kans op gezondheidsschade. Door voor elk orgaan de stralingsdosis te bepalen en elk orgaan een 'weegfactor' toe te kennen, wordt een representatief beeld verkregen van de totale individuele stralingsdosis die iemand heeft ontvangen, de effectieve dosis. De effectieve dosis wordt ook uitgedrukt in sievert. In dit Milieucompendium wordt deze effectieve dosis gebruikt. Omdat de doses meestal klein zijn, worden vaak de millisievert (een duizendste sievert) of de microsievert (een miljoenste sievert) gebruikt.

Referenties

  • Besluit stralingsbescherming (2001). Besluit van 16 juli 2001, houdende vaststelling van het Besluit stralingsbescherming. Staatscourant 2002, 49.
  • ICRP (1991).1990 Recommendations of the International Commission on Radiological Protection, International Commission on Radiological Protection. ICRP Publication no. 60, Annals of the ICRP 21(1-3). Pergamon Press, Oxford.

Relevante informatie

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2003). Ioniserende straling: bronnen, effecten en beleid (indicator 0309, versie 04 , 3 oktober 2003 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.