Compendium voor de Leefomgeving
502 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Landbouw en milieu

Mestproductie bij gebruiksnormen: bedrijven met overproductie, 2000-2015

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

Volgens de gebruiksnormen van 2015 produceert 80 procent van de melkveebedrijven meer dierlijke mest dan op eigen grond mag worden aangewend. Van de hokdierbedrijven heeft zelfs 98 procent een overproductie. In 2015 is het aantal melkveebedrijven met een mestoverschot toegenomen door zowel een hogere stikstof- en fosfaatproductie in de mest als aanscherping van de gebruiksnormen.

Gebruiksnormen zorgen voor grotere mestafvoer

De gebruiksnormen voor dierlijke mest, die in 2006 in de plaats zijn gekomen van het Mineralenafgiftesysteem (MINAS), leiden tot grotere mestoverschotten op bedrijfsniveau. Ook de grondgebonden veehouderij, zoals de melkveehouderij, krijgt door geleidelijke aanscherping van de gebruiksnormen vaker te maken met overproductie waardoor zij mest moet afvoeren.

Aanscherping gebruiksnormen

Het gebruiksnormenstelsel stelt conform de Europese Nitraatrichtlijn eisen aan de hoeveelheid te gebruiken stikstof uit dierlijke mest per hectare landbouwgrond. Volgens de Nitraatrichtlijn mag 170 kg stikstof uit dierlijke mest worden gebruikt per hectare. De Europese Commissie staat Nederland verruiming van deze norm toe (derogatie) tot een bemestingsniveau van 250 kg stikstof per hectare. De hogere bemestingsnorm geldt alleen bij het gebruik van graasdiermest. Daarnaast moet het bedrijfsareaal tot en met 2013 voor minstens 70 procent en vanaf 2014 voor minstens 80 procent bestaat uit grasland. De derogatie voor zand- en lösspercelen in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg is vanaf 2014 beperkt tot 230 kg N per hectare.

Stikstofproductie bij gebruiksnormen

Bij het vaststellen van de hoeveelheid stikstof in geproduceerde mest wordt de uitscheiding van stikstof verminderd met gasvormige verliezen in stallen en mestopslagen (zoals ammoniak). In de praktijk mogen boeren hierbij uitgaan van zgn. forfaitaire waarden die over het algemeen hoger zijn dan de factoren die bij emissieberekeningen worden toegepast. De hoeveelheid stikstof in de mest is hierdoor kleiner waardoor zij minder mest van het bedrijf hoeven af te voeren. Het Compendium voor de Leefomgeving gaat bij de bepaling van de overproductie niet uit van de forfaitaire waarden maar van de (lagere) emissiefactoren.

Referenties

Relevante informatie

  • Meer informatie over de productie van dierlijke mest en gebruiksnormen is te vinden in de databank StatLine van het CBS.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Mestproductie bij gebruiksnormen: bedrijven met overproductie

Omschrijving

Ontwikkeling van het percentage veehouderijbedrijven met een overproductie aan dierlijke mest volgens de gebruiksnormen voor dierlijke mest die vanaf 1 januari 2006 gelden. Er is een onderscheid gemaakt in graasdierbedrijven (grondgebonden) en hokdierbedrijven (niet-grondgebonden).

Verantwoordelijk instituut

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Berekeningswijze

Het CBS berekent de uitscheiding van de mineralen stikstof en fosfaat in dierlijke mest door het aantal dieren per diercategorie in de veestapel te vermenigvuldigen met factoren voor de uitscheiding van respectievelijk stikstof en fosfaat in de mest per dier. Gegevens over de aantallen dieren in de veestapel zijn afkomstig uit de jaarlijkse Landbouwtelling van het CBS.

Basistabel

StatLine: Dierlijke mest: productie en mineralenuitscheiding; bedrijfstype, regio (CBS, 2016a)

Geografisch verdeling

Er zijn gegevens voor Nederland, naar landsdeel, provincie en concentratiegebied.

Andere variabelen

Mestproductie, stikstofuitscheiding, gasvormige verliezen (in stal, opslag en weide), stikstofproductie, fosfaatproductie. Geldende gebruiksnormen dierlijke mest voor het betreffende jaar, gebruiksnormen dierlijke mest 2015.

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Productie van dierlijke mest en mineralen (CBS, 2016b) (korte onderzoeksbeschrijving)
Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen 1990-2008 (CBS, 2010)
Mest en mineralenproductie, 2014 (CBS, 2015)

Opmerking

Met betrekking tot stikstof in dierlijke mest wordt er een onderscheid gemaakt in stikstofuitscheiding en stikstofproductie. Bij stikstofuitscheiding gaat het om de totale hoeveelheid stikstof en stikstofverbindingen (als N-totaal), dus de hoeveelheid inclusief de gasvormige stikstofverbindingen (NH3, N2, NO, N2O) die vervluchtigen in de stal en tijdens opslag buiten de stal. De stikstofproductie is de hoeveelheid stikstof in de mest op het moment van uitrijden of toepassing. Dit betekent dat gasvormige stikstofverbindingen (zoals ammoniak) die in stal, weide en tijdens opslag vrijkomen niet in de stikstofproductie zijn opgenomen. De gebruiksnorm voor stikstof is gebaseerd op de hoeveelheid stikstof in de mest exclusief de gasvormige stikstofverliezen die optreden in stal en bij mestopslag. Bij fosfaat treden er geen gasvormige verliezen op tussen het moment van uitscheiden en het uitrijden of toepassen van de mest.

Betrouwbaarheidscodering

Schatting, gebaseerd op een aantal metingen, expert judgement, een aantal relevante feiten of gepubliceerde bronnen terzake.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Mestproductie bij gebruiksnormen: bedrijven met overproductie, 2000-2015 (indicator 0528, versie 11 , 14 juli 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.