Trend van vleermuizen, 1986-2024
Lange tijd zijn populaties vleermuizen achteruitgegaan, maar na 1986 worden veel soorten weer in toenemende aantallen waargenomen. De toename is vooral te zien bij overwinterende vleermuizen, maar ook in de zomer worden meer vleermuizen geteld dan voorheen.
Ontwikkeling tot 1986
Tot halverwege de 20e eeuw zijn veel vleermuissoorten achteruitgegaan en drie soorten zijn zelfs verdwenen uit Nederland (Glas 1986; Van Norren et al. 2020). De precieze oorzaken achter trends van vleermuizen zijn zelden goed onderzocht, maar mogelijke factoren bij afnames zijn verstoring en verdwijning van verblijfplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw, en houtverduurzamingsmiddelen op kerkzolders. Ook de vermindering van het aantal houtwallen en rommelhoekjes, en andere intensivering in het agrarische landschap, worden vaak als oorzaken genoemd van achteruitgang. Vanaf de jaren ’70 lijken de aantallen van verschillende soorten vleermuizen weer langzaam toe te nemen, wat duidt op een herstel van de populatie van deze soorten. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn de verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater, de intensivering van beschermingsmaatregelen, andere gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, en het ouder worden van de bossen, wat zeker sinds de jaren ’80 een effect zal hebben gesorteerd.
Ontwikkeling na 1986
Vanaf 1986 zijn de tellingen van vleermuizen in overwinteringsverblijven (wintertellingen) systematisch bijgehouden, zodat er vanaf die tijd betrouwbare aantalstrends per soort berekend kunnen worden. Bij zomertellingen zit er meer variatie in de tijdreeksen: voor grijze grootoorvleermuis is er vanaf 1996 systematisch geteld, data van ingekorven vleermuis worden vanaf 2008 betrouwbaar geacht, en de data van vier akoestisch meetbare soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger) worden vanaf 2015 gebruikt voor trendberekeningen. Let wel dat vooralsnog alleen ingekorven vleermuis in zowel winter- als zomertellingen is opgenomen.
Vooral de wintertellingen laten een toename in aantallen zien sinds 1986. Deze stijging is mogelijk toe te schrijven aan groei van de populaties, maar is deels ook te verklaren door verbeterde waarneming en de beschermde status van de winterverblijven (La Haye & Van der Meij, 2022). Daarnaast zijn vleermuizen erg mobiel en kunnen er gemakkelijk verschuivingen optreden van onbekende naar bekende verblijfplaatsen, en andersom, waardoor er een wisselend aandeel van de populatie in beeld is.
Alle soorten laten een toename zien over de gehele meetperiode (1986-2022), maar de sterkste stijging vinden we bij ingekorven vleermuis en franjestaart. Recent is de groei in getelde aantallen bij franjestaart echter minder geworden. Gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis zijn over de gehele tijdreeks toegenomen, maar de trend van gewone grootoorvleermuis is recent afgevlakt en baardvleermuis laat vanaf 2013 zelfs een afname zien. De precieze oorzaken achter deze recente afname zijn niet bekend, maar warmere winters, te intensief beheerde bossen en aantasting van verblijven in gebouwen i.v.m. de energietransitie spelen mogelijk een rol bij de waargenomen afnames in de stijging.
De twee soorten waarvan de reproducerende populatie in de zomer op de langere termijn is gemonitord, grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis, laten beiden een matige toename zien. Vanaf 2013 lijkt de groei van grijze grootoorvleermuis echter gestagneerd, maar doordat er tijdelijk minder is geteld is de precieze ontwikkeling minder goed te volgen. Laatvlieger liet eerder op basis van akoestische waarnemingen een afname zien, maar deze soort heeft recent weer enkele goede jaren gehad, waardoor ook deze trend is gestabiliseerd in de periode 2015-2024.
Het algemene beeld blijft een toename van de aantallen vleermuizen over de gehele meetperiode, maar meer afnames de laatste jaren. De precieze oorzaken hierachter zijn onbekend, maar kennelijk zijn er omstandigheden zijn waardoor populaties minder hard groeien of stabiel worden, want deze verandering kan niet eventueel worden toegeschreven aan waarnemers- of beschermingseffecten. Elders in Europa nemen de aantallen vleermuizen eveneens toe de laatste decennia (Van der Meij et al., 2014).
Bescherming
Alle in Nederland voorkomende en verdwenen soorten vleermuizen (20 soorten) zijn al sinds de jaren ‘70 beschermd via nationale wetgeving, eerst via een uitbreiding van de Vogelwet en vanaf 1994 onder de Flora- en faunawet. In de periode 2017-2023 was dat de Wet natuurbescherming en per 2024 is dat de Omgevingswet. Sinds 1992 worden vleermuizen ook beschermd op grond van de Europese Habitatrichtlijn, waarbij de bescherming geldt voor alle Europese soorten. Er worden continu allerlei maatregelen genomen om vleermuizen te beschermen, waaronder het opknappen en beschermen van verblijven. Verder zijn schadelijke houtverduurzamingsmiddelen tegenwoordig deels verboden, en bij sloop- en bouwprojecten en andere ruimtelijke ontwikkelingen moeten mogelijke schadelijke effecten vooraf in kaart worden gebracht en de effecten worden voorkomen of gecompenseerd. Desalniettemin zijn er zorgen over de bescherming van vleermuizen, omdat ze met enige regelmaat slachtoffer worden van windturbines en na-isolatie van gebouwen. Ook verdwijnen de verblijfplaatsen in gebouwen in een verontrustend tempo, terwijl van veel van de daarbij toegepaste mitigerende beschermingsmaatregelen de effectiviteit nog niet bewezen is.
Rode Lijst
Momenteel wordt van twaalf soorten de aantalsontwikkeling gevolgd en kan een betrouwbare trend worden berekend. Drie van deze soorten (ingekorven vleermuis, vale vleermuis en laatvlieger) staan op de Rode Lijst Zoogdieren (Van Norren et al. 2020). De grijze grootoorvleermuis staat sinds 2020 niet meer op de Rode Lijst. De gewone grootoorvleermuis en franjestaart staan al langer niet meer op de Rode Lijst. De ingekorven vleermuis is een bedreigingscategorie opgeschoven in deze lijst: van Kwetsbaar naar Gevoelig.
Bronnen
- Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters en J.C. Buys (2016). Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Naturalis Biodiversity Center, Leiden.
- Glas, G.H. (1986). Atlas van de Nederlandse vleermuizen 1970-1984, alsmede een vergelijking met vroegere gegevens. Zool. Bijdr. 34, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden.
- La Haye, M. en T. van der Meij (2022). Overwinterende vleermuizen in Nederland in 1986-2020 op basis van het NEM Meetprogramma Wintertellingen Vleermuizen, Lutra 65 (1): 7-22.
- Korsten, E., N. Huizenga, M. van Oene en J. van Zweden (2024). NEM Wintertellingen Vleermuizen. Telganger, november 2024, p22-30, Zoogdiervereniging, Nijmegen.
- Schillemans, M., E. Korsten, M. van Oene en J. van Zweden (2023). NEM Meetprogramma Zoldertellingen Vleermuizen. Telganger, november 2023, p34-35, Zoogdiervereniging, Nijmegen.
- Schillemans, M., V. Hommersen, M. van Oene M. Falzon, H. Limpens, E. Korsten en J. van Zweden (2023) NEM Meetprogramma Vleermuis Transecttellingen. Telganger, november 2023, p30-33, Zoogdiervereniging, Nijmegen.
- Van der Meij, T., A.J. van Strien, K.A. Haysom, J. Dekker, J. Russ, K. Biala, Z. Bihari, E. Jansen, S. Langton, A. Kurali, H. Limpens, A. Meschede, G. Petersons, P. Presetnik, J. Prüger, G. Reiter, L. Rodrigues, W. Schorcht, M. Uhrin en V. Vintulis (2014). Return of the bats? A prototype indicator of trends in European bat populations in underground hibernacula. Mammal. Biol. 80 (3): 170-177, http://dx.doi.org/10.1016/j.mambio.2014.09.004.
- Van Norren, E., J. Dekker en H. Limpens (2020). Basisrapport Rode Lijst Zoogdieren 2020 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Rapport 2019.026, Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Trend van vleermuizen
- Omschrijving
Ontwikkeling van het aantal waargenomen vleermuizen in overwinteringsplaatsen (wintertellingen), op zolders in de zomer en van jagende vleermuizen (zomertellingen).
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
- Berekeningswijze
Datareeksen en soortenselectie
Aantalsgegevens zijn gebaseerd op tellingen van het Netwerk Ecologische Monitoring. Wintertellingen zijn tellingen van vleermuizen in winterverblijven zoals kelders, groeven, forten en bunkers (vanaf 1986). Zomertellingen bestaan uit tellingen op kerk- en kloosterzolders (zoldertellingen; vanaf 1996) en akoestische tellingen op auto- en fietstransecten in overwegend landelijk gebied (transecttellingen; vanaf 2015), in de maanden juli, augustus en september.
Twaalf soorten vleermuizen zijn in de indicator opgenomen. Wintertellingen: baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, meervleermuis, vale vleermuis en watervleermuis. Zoldertellingen: ingekorven vleermuis, grijze grootoorvleermuis. Transecttellingen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis. De ingekorven vleermuis wordt als enige van deze soorten zowel in de zomer als in de winter gevolgd. Per soort zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (software TRIM; Methode indexcijfers (TRIM)).
Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)
De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.
1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier – in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 – vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen.
2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten.
3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.
4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.
5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.
6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.
Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.
Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.
Uit de trendschattingen en bijbehorende betrouwbaarheidsintervallen zijn trendklassen afgeleid.
7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat.
- Basistabel
De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan onder het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.
- Geografische verdeling
Nederland
- Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
- Achtergrondliteratuur
- CBS (2025). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.
- Korsten, E & M. Oene, M. van, Huizenga, N. & La Haye, M. 2024. Handleiding NEM-Meetprogramma Wintertellingen Vleermuizen. Handleiding voor het monitoren van vleermuizen in de winter. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
- Dijkstra V., R. Janssen, J. Buys, T. van der Meij, E. Korsten, M. van Adrichem en M. Schillemans. 2023. Handleiding Meetprogramma Zoldertellingen Vleermuizen. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
- Hommersen, V.J.A., A. van Woersem, M. Falzon, E. Jansen en H.J.G.A. Limpens, 2024. Handleiding NEM-Vleermuis transecttellingen Rapport 2024.22. Zoogdiervereniging, Nijmegen
- Soldaat, L.L., J. Pannekoek, R.J.T. Verweij, C.A.M. van Turnhout en A.J. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecol. Indic. 81: 340-347.
- Opmerking
Sommige soorten zijn tijdens de wintertellingen niet of moeilijk tot op soort te onderscheiden. De wintertelling van de gewone grootoorvleermuis bevat verwaarloosbare aantallen van de grijze grootoorvleermuis en de wintertelling van baardvleermuizen bevat enkele Brandts vleermuizen.
- Betrouwbaarheidscodering
B. Schattingen van trends in populatie-aantallen zijn gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2025). Trend van vleermuizen, 1986-2024 (indicator 1070, versie 24, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.