Compendium voor de Leefomgeving
472 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Biodiversiteit

Beoordeling Vogel- en Habitatrichtlijn in Europees perspectief, 2007-2012

In Nederland hebben slechts enkele habitattypen van de Habitatrichtlijn een gunstige staat van instandhouding.. Ongeveer een kwart van de habitatrichtlijnsoorten verkeert in een gunstige staat van instandhouding. Vergeleken met andere EU-lidstaten laat Nederland de sterkste verbeterende trend zien in staat van instandhouding van soorten met een ongunstige staat.

Rapportageverplichtingen Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR) leggen de lidstaten verplichtingen op om een gunstige/veilige staat van zowel habitattypen als (vogel)soorten te behouden of te herstellen. Lidstaten moeten op grond van artikel 17 van de Habitatrichtlijn (HR) en artikel 12 van de Vogelrichtlijn (VR) elke zes jaar aan de Europese Unie rapporteren over de staat en de trends van soorten en habitattypen (zie NL Artikel 17- en NL artikel 12-rapportages; ETC-BDa,b 2016).

Einddoel duurzame staat van instandhouding Europese natuur nog niet in zicht

Net als voor de andere lidstaten is voor Nederland het einddoel van de VHR, namelijk alle soorten en habitattypen onder de VHR in een gunstige (HR) / veilige (VR) staat te brengen en te houden, nog niet in zicht.
In 2015 is in het eerste Europese 'State of Nature'-rapport een overzicht gepresenteerd van de beoordeling van staat en trends van alle VHR soorten en habitattypen in de Europese Unie (EEA 2015). Van veel soorten en habitattypen is de staat van instandhouding (svi) in Europa ongunstig. Over alle lidstaten (EU27) bezien heeft 16% van de habitattypen en 23% van de habitatrichtlijnsoorten een gunstige svi. In Nederland heeft slechts 4% van de habitattypen een gunstige svi, het laagste percentage van alle lidstaten. Van de habitatrichtlijnsoorten verkeert in Nederland 23% in een gunstige staat. In Europa is de staat van iets meer dan de helft van alle beoordeelde, in het wild levende vogelsoorten veilig, en is ongeveer 15% gevoelig of afnemend. Nog eens 17% van de vogels uit de Vogelrichtlijn is bedreigd.

Trends habitatrichtlijnsoorten en habitattypen

Over de twee HR-rapportageperioden (2001-2006 en 2007-2012) is in Nederland de landelijke staat van instandhouding over alle te beschermen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten bezien, ongeveer gelijk gebleven. Dit geldt ook voor de rest van Europa.
Vanuit de Europese beoordelingssystematiek wordt ook gekeken naar de veranderingen, de trends in svi van soorten en habitattypen binnen de ongunstige svi-categorieën. In Nederland is in 10% van de habitattypen met een ongunstige svi een verbetering te zien. Echter, net als in de andere Europese lidstaten verslechteren er in Nederland meer habitattypen met een ongunstige svi dan dat er verbeteren. In Nederland is in bijna 27% van de habitattypen de status verslechterd tegen 30% over alle lidstaten samen.
Van habitatrichtlijnsoorten met een ongunstige status is in bijna alle lidstaten voor enkele soorten verbetering zichtbaar. Nederland laat, vergeleken met de overige lidstaten, de hoogste mate van verbetering in svi zien onder soorten met een ongunstige staat. In alle EU-lidstaten is er echter meer verslechtering dan verbetering te zien. Ten opzichte van de eerste rapportageperiode is in de EU van 22% van de habitatrichtlijnsoorten met een ongunstige staat de svi verslechterd (EEA 2015).

Trend broedvogels en overwinterende vogels

Voor alle inheems voorkomende vogels onder de Vogelrichtlijn wordt de status op Europees niveau bepaald en niet afzonderlijk voor de lidstaten. Populatietrends voor vogels zijn wel beschikbaar per lidstaat voor lange (1980-2012) en korte (2001-2012) trendperiodes. Iets meer dan de helft van de Europese vogels heeft een veilige status (EEA 2015). Voor Nederland zijn de trends over 2001-2012 wisselend: 39% van de broedvogels en 37% van de overwinterende populaties laten een verbetering zien. Daar staat tegenover dat 37% van de broedvogels en 21% van de overwinterende populaties juist een afnemende trend vertonen. Hiermee behoort Nederland op Europees niveau tot de lidstaten die de sterkste verbetering laten zien, maar anderzijds, voor broedvogels, ook de meeste verslechtering.

Vergelijking Nederland met omringende landen

Om te zien hoe Nederland het doet, is de svi van Nederland vergeleken met de svi van omringende landen binnen dezelfde regio met vergelijkbare soorten en habitats. De svi van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in de Nederland omringende landen van de Atlantische regio is net als in Nederland voor meer dan de helft van de habitattypen en soorten matig ongunstig tot zeer ongunstig. Echter, als de svi van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten die zowel in Nederland als in de omringende landen voorkomen, onderling wordt vergeleken dan is deze in Nederland relatief slechter voor soorten maar vrijwel gelijk of beter voor habitattypen.

Beleid gericht op toename gunstige staat

Het Nederlandse beleid is erop gericht om de gunstige/veilige staat van de soorten en habitats vallend onder de VHR te realiseren. Er is in het beleid geen tijdstip geformuleerd waarop dit gerealiseerd dient te zijn. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de basis van het natuurbeleid in Nederland. De Natura 2000-gebieden zijn voor het grootste deel onderdeel van het NNN, waarmee realisatie van het NNN een essentieel instrument is om de vereiste gunstige staat te bereiken voor de in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermde plantensoorten, diersoorten en habitats. Daarnaast dragen ook natuurmaatregelen buiten het NNN bij aan het realiseren van een gunstige staat van instandhouding.

EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020

De biodiversiteitsstrategie heeft als streefdoel om de achteruitgang van alle soorten en habitats onder Europese regelgeving te stoppen en hun staat significant te verbeteren. In 2020 dienen twee keer zoveel beschermde habitattypen en de helft meer van de soorten uit de Habitatrichtlijn op zijn minst een goede of verbeterde staat van instandhouding te laten zien ten opzichte van 2010. Verder is het streven dat de helft meer vogelsoorten uit de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde status hebben. Voor alle EU-staten betekent dit dat 34% van de habitattypen, 25% van de habitatrichtlijnsoorten en 78% van de vogelsoorten in een gunstige staat dienen te zijn in 2020.

Referenties

Relevante informatie

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Staat van instandhouding en trends soorten en habitattypen Vogel- en Habitatrichtlijn, 2007-2012

Omschrijving

Overzicht van de staat van instandhouding en trends van de Nederlandse habitattypen en soorten van de Europese Habitatrichtlijn in 2007-2012 vergeleken met cijfers van andere lidstaten EU27. Daarnaast worden kortetermijntrends van de Vogelrichtlijnsoorten gepresenteerd.

Verantwoordelijk instituut

PBL (Pim Vugteveen) en Wageningen UR (Irene Bouwma)

Berekeningswijze

De figuren presenteren de staat van instandhouding habitattypen en habitatrichtlijnsoorten, en de trends van de ongunstige staat van instandhouding tussen twee rapportageperiodes (2001-2006)-(2007-2012). Daarnaast worden de kortetermijntrends (2001-2012) voor vogelrichtlijnsoorten gepresenteerd. De informatie is ontleend aan het EU State of Nature rapport Annexen (EEA, 2015) op basis van verzamelde data van het Europees Milieuagentschap uit de officiële beoordelingsrapportages van de lidstaten over de implementatie van de richtlijnen. Bij de beoordeling van status en trends wordt voor habitattypen onder andere gekeken naar trends in omvang, structuurkenmerken (kwaliteit), verspreiding en toekomstperspectief. Om de staat van soorten vast te stellen, wordt met name naar populatietrends, de omvang van populaties, natuurlijk verspreidingsgebied en toekomstperspectief gekeken (ETC-BDa,b 2016).

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

6-jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Bijlsma, R.J., J.A.M. Janssen, E.J. Weeda & J.H.J. Schaminée (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland. area en range. WOt-rapport 125. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen

EEA (2015). State of nature in the EU. Results from reporting under the nature directives 2007-2012. Luxembourg: Publications Office of the European Union.

ETC-BDa (website accessed Aug 2016). Reference Portal for reporting under the Article 17 of the Habitats Directive.

ETC-BDb (website accessed Aug 2016). Reference Portal for reporting under the Article 12 of the Birds Directive.

Janssen, J.A.M., E.J. Weeda, P. Schippers, R.J. Bijlsma, J.H.J. Schaminée, G.H.P. Arts, C.M. Deerenberg, O.G. Bos & R.G. Jak (2014). Habitattypen in Natura 2000-gebieden. Beoordeling van oppervlakte, representativiteit en behoudsstatus in de Standard Data Forms (SDFs). WOt-technical report 8. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen.

Knegt, B. de, T. van der Meij, S. Hennekens, J.A.M. Janssen & G.W.W. Wamelink (2014). Status en trend van structuur- en functiekenmerken van Natura 2000-habitattypen op basis van het Landelijk Meetnet Flora (LMF) en de Landelijke Vegetatie Databank (LVD). Achtergrondrapport voor de Artikel 17-rapportage. WOt-technical report 7. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen.Ottburg, F.G.W.A. & C.A.M. van Swaay (red)(2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van Habitatrichtlijn. WOt-rapport 124. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen

Ottburg, F.G.W.A. & J.A.M. Janssen (2014). Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden. Beoordeling van populatie, leefgebied en isolatie in de Standard Data Forms (SDFs). WOt-technical report 9. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen.

Schmidt, A.M., A. van Kleunen, R. Bink & L. Soldaat (2014). Rapportages op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Evaluatie rapportageperiode 2007-2012 en aanbevelingen voor de periode 2013-2018. WOt-technical report 19. WOT Natuur & Milieu - Wageningen UR, Wageningen

Opmerking

In de HR-rapportages wordt onderscheid gemaakt in daadwerkelijke veranderingen in de staat van instandhouding, en veranderingen die veroorzaakt zijn door een andere methodiek of verbeterde databeschikbaarheid. Over de twee laatste twee rapportageperiodes laat Nederland voor 77% van de habitattypebeoordelingen geen verandering in svi zien en voor 23% geen daadwerkelijke verandering ('non-genuine' Eng.). Voor HR soorten is voor 9% van de beoordelingen sprake van daadwerkelijke verandering in svi, voor 30% geen daadwerkelijke verandering en de overig 61% geen verandering (EEA, 2015).Bij het vergelijken van EU-lidstaten is het belangrijk om te weten dat er grote onderlinge verschillen tussen de lidstaten bestaan. Dit betreft niet alleen in te beschermen aantal en type (gevoelige) habitattypen en soorten, maar ook in sociale, economische, politieke en natuurlijke omstandigheden. Deze bepalen het landgebruik in de lidstaten en de aanwezige bedreigingen. Nederland kan daarom het best worden vergeleken met landen met een relatief vergelijkbare ruimte- en milieudruk zoals België, Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd. Verantwoording en werkwijze zijn beschreven in aparte WOT-rapportages.

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2016). Beoordeling Vogel- en Habitatrichtlijn in Europees perspectief, 2007-2012 (indicator 1483, versie 04 , 20 september 2016 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.