Compendium voor de Leefomgeving
461 feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte
Luchtkwaliteit

Lokale luchtverontreiniging, 2000-2010

U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link bekijken.

De concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) vertonen een dalende trend, die voor een groot deel komt door de ontwikkelingen in verkeer. In 2010 is de grenswaarde NO2 waarschijnlijk overschreden langs 200 kilometer snelweg en 300 kilometer overige wegen. De grootste overschrijdingen liggen rondom de grote steden Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. Deze overschrijdingen komen voornamelijk door een verhoogde achtergrondconcentratie in die steden. De concentratie fijnstof laat een vergelijkbaar beeld zien. De kilometer weglengte overschrijding PM10 is aanzienlijk lager.

Stikstofdioxideconcentratie

De stikstofdioxideconcentratie vertoont een dalende trend, die voor een groot deel ook komt door de ontwikkelingen in verkeer. Aangezien veel overschrijdingen in de buurt van de huidige norm liggen zal een kleine verbetering van de achtergrond een grote verandering in overschrijding kunnen opleveren.
De kaart geeft een beeld van de grootschalige, jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) in 2011 per gebied van 1 x 1 km. De concentratie van stikstofdioxide bleef in het overgrote deel van Nederland onder de norm van de Europese Unie voor het jaargemiddelde (40 μg/m³). De lokale verhogingen langs bijvoorbeeld drukke verkeerswegen en -straten zijn op deze kaart niet weergegeven.
De hoogste gemeten concentraties worden waargenomen op de straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2010 lag de gemeten concentratie op vijf van de dertien straatstations boven de grenswaarde van 40 μg/m³. De grenswaarde werd op geen van de andere stations overschreden.

Afname zichtbaar in de trend

De afname van de grootschalige stikstofdioxideconcentratie in de afgelopen tien jaar bedroeg afgaande op de meetresultaten van de regionale stations 30%. Voor stads- en straatstations was de daling 40 respectievelijk 20%. De daling is het resultaat van maatregelen bij de doelgroepen verkeer, industrie en energie. De mindere daling bij binnenstedelijke straatstations en de algemene afvlakking van de daling in de afgelopen jaren houdt mogelijk verband met de introductie van fijnstoffilters, gecombineerd met oxidatiekatalysatoren, bij welke combinatie het aandeel stikstofdioxide in de uitlaatgassen stijgt. Ook wordt de daling in emissies van stikstofoxiden door verkeer, onder andere door strengere eisen aan emissies door motorvoertuigen, voor een deel weer teniet gedaan door een toename van het aantal gereden kilometers.
Voor de blootstelling aan piekconcentraties van stikstofdioxide geldt een grenswaarde voor het uurgemiddelde. Deze mag niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar de waarde van 200 μg/m3 overschrijden. Dit is in Nederland al lang niet meer aan de orde, zo blijkt uit metingen. Wel komt het nog incidenteel voor dat uurwaarden boven de 200 μg/m3 worden bereikt. In 2010 was dit het geval op twee stations: een uur op het stadsstation Den Haag-Rebequestraat en op twee achtereenvolgende uren op het straatstation Amsterdam-Prins Bernhardplein.

Toch nog overschrijdingen

Berekeningen geven aan dat in 2010 de grenswaarde waarschijnlijk is overschreden langs ongeveer 200 kilometer snelweg en 300 km overige wegen. Maatregelen zoals deels opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), richten zich op het op tijd oplossen van deze knelpunten.
De gegevens voor weglengte met een normoverschrijding voor stikstofdioxide en fijnstof komen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze gegevens zijn over de jaren niet geheel vergelijkbaar, omdat de inzichten over de uitstoot van het verkeer zijn bijgesteld en omdat er veranderingen aangebracht zijn in het model. Daarnaast zorgen de verschillen in meteo (weersinvloeden) door de jaren heen voor fluctuatie in luchtverontreinigingsconcentraties. De grootste overschrijdingen liggen rondom de grote steden Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. Deze overschrijdingen komen voornamelijk door een verhoogde achtergrondconcentratie in die steden.

Concentratie fijnstof

De concentratie fijnstof laat een vergelijkbare trend zien als stikstofdioxide. De concentraties van fijnstof in de lucht zijn lager dan die van stikstofdioxide. Ook de kilometer weglengte overschrijding is aanzienlijk lager. Bij fijnstof leveren naast verkeer ook de industie en landbouw een aanzienlijke bijdrage.

Gezondheidsaspecten van fijnstof

Vanuit volksgezondheidsoogpunt verdient luchtverontreiniging met de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5/ 'roet') de meeste aandacht. De EU-Luchtkwaliteitsrichtlijn bevat normen voor de
concentraties van stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens en de natuur. Naast de normen uit oude richtlijnen bevat deze nieuwe normen en meetverplichtingen voor de fijnere fractie van fijn stof, PM2,5. In het algemeen geldt: hoe kleiner de deeltjes, hoe dieper zij in de luchtwegen en longen doordringen. PM2,5 wordt onder andere daarom als gezondheidsrelevanter beschouwd dan PM10, ook al is de gezondheidskundige relevantie van het grove deel van het fijn stof, met een diameter tussen 2,5 en 10 μm, niet te verwaarlozen. Om die reden is in de MIR gekozen om een indicator PM2,5 op te nemen.
Op dit moment zijn hiervoor nog geen land dekkende meetgegevens beschikbaar. In de eerste herhalingsmeting zal hierover wel worden gerapporteerd.

Aantal woningen met normoverschrijding fluctueert jaarlijks sterk

Van jaar tot jaar varieert de concentratie van NO2 en PM10 sterk door gunstige of minder gunstige meteorologische condities (ref Velders en Mattijsen, 2009). Omdat het concentratiepatroon ruimtelijk nogal vlak is en doordat in veel gebieden de concentratie net boven of onder de norm ligt veroorzaken dergelijke beperkte variaties in de concentratie grote fluctuaties in het aantal woningen met overschrijding. Daarnaast hebben de berekeningen van de concentraties op lokale schaal een beperkte nauwkeurigheid (ref. Velders en Diederen, 2009). Een trend kan dus slechts over een langere reeks van jaren worden afgeleid.

Beleidsdoelstellingen

Deze indicator verwijst naar de volgende doelen en nationale belangen van de Structuurvisie Infrastrucuur en Ruimte:

  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuur-historische waarden behouden zijn (leefbaar en veilig)
  • Nationaal Belang 8: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's


De EU-Luchtkwaliteitsrichtlijn bevat normen voor de concentraties van stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens en de natuur. Hierin zijn normen opgenomen voor de stikstofdioxideconcentratie en fijnstof (PM10). Mede door de EU-regelgeving zoals bijvoorbeeld de strengere eisen aan emissies door motorvoertuigen, is al jaren een daling in de concentraties voor verontreinigende stoffen in de lucht zichtbaar.

Referenties

  • Velders, GJM, Matthijsen J. Meteorological variability in NO2 and PM10 concentrations in the Netherlands and its relation with EU. Atmos. Environment, 2009.

Technische toelichting

Naam van het gegeven

Lokale luchtverontreiniging NO2 en PM10

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), auteur: Frank van Rijn

Geografisch verdeling

Nederland

Archief van deze indicator

Referentie van deze webpagina

CBS, PBL, RIVM, WUR (2012). Lokale luchtverontreiniging, 2000-2010 (indicator 2155, versie 01 , 20 september 2012 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.

Het CLO is een samenwerkingsverband van CBS, PBL, RIVM en WUR.